Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4017

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
ak_17 _ 1180 en ak_17_1185 en ak_17_1186
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning rijksbijdragen Hoger Agrarisch Onderwijs; beroep op gelijkheidsbeginsel kan niet slagen; beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/1180, AWB 17/1185 en AWB 17/1186

uitspraak van de meervoudige kamer in de geschillen tussen

Stichting Aeres Groep, te Ede, eiseres sub 1 (AWB 17/1180)

Stichting HAS Opleidingen, te ’s-Hertogenbosch, eiseres sub 2 (AWB 17/1185)

Stichting Hall Larenstein, te Velp , eiseres sub 3 (AWB 17/1186),

Hierna gezamenlijk te noemen: eiseressen,

gemachtigde: mr. W.E.M. Klostermann,

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

gemachtigde: mr. M. Cossee-Gosschalk.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiseres sub 1

voor het jaar 2016 een Rijksbijdrage Hoger Agrarisch Onderwijs toegekend van

€ 19.393.069,- (AWB 17/1180).

Bij besluit van 20 juli 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiseres sub 2

voor het jaar 2016 een Rijksbijdrage Hoger Agrarisch Onderwijs toegekend van

€ 22.558.049,- (AWB 17/1185).

Bij besluit van 20 juli 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder aan eiseres sub 3

voor het jaar 2016 een Rijksbijdrage Hoger Agrarisch Onderwijs toegekend van

€ 30.074.185,- (AWB 17/1186).

Bij 3 afzonderlijke besluiten van 18 januari 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder, de hiertegen door eiseressen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen de bestreden besluiten hebben eiseressen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd.

Zowel eiseressen als verweerder hebben de rechtbank verzocht om de beroepen gevoegd

te behandelen. Dit verzoek is ingewilligd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2017.

Eiseressen zijn verschenen bij hun gemachtigde. Tevens zijn B.M.P. Pelikaan en D.W. van den Dool namens Stichting Aeres Groep verschenen en P.A. van den Dongen, namens Stichting HAS Opleidingen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en D.W.M. Wenders.

Overwegingen

1. Eiseressen voeren kort weergegeven aan dat de per 1 januari 2016 ingetrokken Regeling Praktijkleren en Groene Plus (hierna: de Regeling) voor het agrarisch onderwijs niet als aanvullende bekostiging moet worden gezien, maar als basisbekostiging. Eiseressen zijn van mening dat zowel het intrekken van de Regeling zonder nadere compensatie voor deze weggevallen basisbekostiging als de bestreden besluiten in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

Volgens eiseressen kan de omstandigheid dat het kabinet Rutte II zichzelf een bezuinigingsdoelstelling heeft gesteld niet de wettelijke verplichtingen van verweerder en de wettelijke aanspraken van de agrarische hogescholen, onder meer op gelijke behandeling, opzij zetten. Volgens eiseressen zijn de maatstaven voor de rijksbijdragen voor agrarische hogescholen en andere hogescholen niet gelijk.

Verder stellen eiseressen dat de omstandigheid dat het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) verschillende budgetten ter beschikking stellen geen rechtvaardiging biedt voor ongelijke behandeling van de agrarische hogescholen en de andere hogescholen.

Voorts voeren eiseressen aan dat de bekostiging is verlaagd naar aanleiding van een referentieraming voor de aanmelding van studenten voor de door OCW bekostigde hbo-opleidingen, hetgeen een onjuist uitgangspunt zou zijn, omdat bij de door OCW bekostigde hbo-opleidingen het aantal aanmeldingen daalt terwijl er bij de agrarische hogescholen juist sprake is van een stijging van de aanmeldingen. Eiseressen wijzen er op dat het macrobudget dat beschikbaar is, voor EZ-onderwijs niet is gewijzigd in de Voorjaarsnota, zodat van een verlaging van het budget geen sprake dient te zijn.

Ter onderbouwing van hun beroepen hebben eiseressen gewezen op de volgende documenten:

  • -

    de samenvatting van het rapport ‘Praktijkleren in het groene onderwijs: een doorstart met vraagsturing’;

  • -

    rapporten van Berenschot en Pantera;

  • -

    het rapport ‘Groen onderwijs in beweging, aandachtspunten bij een overheveling van groen onderwijs van EZ naar OCW’ van 13 september 2016, opgesteld door de ministeries van EZ en OCW;

  • -

    ‘Overzicht rijksbijdragen HBO-OCW en HAO-EZ 2014-2016.

Tenslotte verzoeken eiseressen de rechtbank om verweerder op te dragen om de bekostiging zodanig te verhogen dat daadwerkelijk sprake is van gelijke behandeling van gelijke gevallen.

Daartoe dienen alsnog de navolgende bedragen aan eisers te worden uitbetaald :

gekorte referentieraming verminderde onderwijsopslag bedragen

eiseres sub 1 € 347.000,-- € 2.909.275,--

eiseres sub 2 € 413.599,-- € 3.321.162,--

eiseres sub 3 € 519.368,-- € 4.425.634,--

3. Verweerder heeft aangevoerd dat ten aanzien van het bekostigingssysteem geldt dat op grond van artikel 2.5, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijke onderzoek (hierna: WHW) de Rijksbijdrage jaarlijks wordt vastgesteld. De instellingen worden geïnformeerd over de voorlopige rijksbijdrage voor het komende jaar en na de begrotingsbehandeling in de Eerste en Tweede Kamer ontvangen zij een overzicht financiële beschikkingen (ofb) waarop is aangegeven welke rijksbijdrage is vastgesteld. Daarbij geldt sinds de invoering van de Regeling in 2011, dat geen onderscheid wordt gemaakt in de toepassing van het bekostigingsniveau voor de verschillende hbo’s. Voor het agrarisch hoger onderwijs, waarvoor de gelden uit de begroting van het EZ worden gefinancierd, wordt gebruik gemaakt van de door het OCW voor de overige hbo-instellingen berekende prijs. Daarmee is de berekening van de Rijksbijdrage van het agrarisch onderwijs volgens verweerder volledig gelijk aan die van het reguliere hoger beroepsonderwijs.

Verweerder wijst er op dat sprake is van een zogenoemd lumpsump verdeelmodel, een financiële regeling van de overheid waarbij instellingen die gefinancierd worden door de overheid, jaarlijks een bedrag krijgen op basis van het aantal prestaties (bijvoorbeeld aantal leerlingen dat ingeschreven staat bij de onderwijsinstelling) waarmee zij alle activiteiten moeten financieren.

Daarbij zijn er bedragen gelabeld met een specifieke bestemming, die wegvallen als die bestemming wegvalt, hetgeen hier het geval is met de beëindiging van de Regeling. De beëindiging van de sinds 2011 ingevoerde Regeling is het gevolg van afspraken in het Regeerakkoord 2012, zodat de subsidieontvangers ruim 2 jaar de tijd hadden om zich op de beëindiging voor te bereiden.

Voorts werkt een stijging of daling van het aantal studenten, gelet op de gehanteerde t-2 bekostiging, eerst ná 2 jaar door in de Rijksbijdrage en moest de instelling een eventuele stijging van kosten vanwege een toename van het aantal studenten, dus voorheen ook voorfinancieren.

Van een afwijking van het desbetreffende onderdeel van de rijksbegroting, zoals door eiseressen is gesteld, is volgens verweerder geen sprake.

Bij de raming van de rijksbijdrage zit een standaardbijsluiter met algemene nadere uitleg die voor het gehele jaar 2016 van toepassing is. Om die reden wordt naast het cijfermatige overzicht geen aparte bijsluiter meegezonden.

Omdat de rijksbijdrage voor agrarische hbo-instellingen uit de begroting van EZ komt en van de overige hbo-instellingen uit de begroting van OCW, is volgens verweerder geen sprake van gelijke gevallen.

4. De rechtbank overweegt als volgt

4.1

Gelijkheidsbeginsel

De rechtbank stelt vast dat door de begrotingswetgever jaarlijks middelen beschikbaar worden gesteld om het onderwijs te bekostigen, waarbij de bekostiging voor het hoger onderwijs haar grondslag vindt in de WHW.

In artikel 2.5. van de WHW is bepaald dat de rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, van de WHW bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze die voor alle hogescholen gelijk is.

Voor zover eiseressen stellen dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de voorheen uit de Regeling toegekende bedragen een basisbekostiging betreffen en zij daardoor zwaarder getroffen worden dan de overige hogescholen, is de rechtbank van oordeel dat uit de aanhef van de Regeling blijkt dat die regeling ging over ‘bepalingen ten aanzien van de aanvullende bijdrage voor praktijkleren, voor implementatie van vernieuwing op het vlak van kennisverspreiding, professionalisering van leerkrachten en internationalisering van groen onderwijs en versterking van primaire opleidingen in de land- en tuinbouw, en bepalingen ten aanzien van subsidies voor investeringen in nieuwe voorzieningen voor praktijkleren en voor de implementatie van onderwijsbeleid door instellingen en vertegenwoordigende organisaties’. Voorts blijkt uit de bijlage bij het bekostigingsbesluit expliciet dat er naast de basisbekostiging (de student gebonden financiering) sprake is van uit de Regeling bekostigde onderwijsopslag bedragen en onderwijsopslagpercentages, welke voor specifieke doeleinden zijn bestemd. Reeds hierom kon het eisers duidelijk zijn dat de uit de Regeling voortvloeiende subsidiegelden geen basisbekostiging betroffen. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

Voorts is niet in geschil dat de jaarlijks door de minister vastgestelde rijksbijdrage voor zover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving wordt vastgesteld door EZ en voor de overige hogescholen door OCW, met elk hun eigen specifieke beleid. Dit vanwege het anderssoortig specifiek onderwijs. Reeds hierom kan niet gesproken worden van gelijke gevallen en kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook om die reden niet slagen.

4.2

Redelijke afbouwtermijn

Ingevolge het bepaalde in artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan de subsidie, indien deze drie jaar of langer heeft geduurd, alleen worden beëindigd met inachtneming van een redelijke termijn om de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidie te ondervangen.

Nu eiseressen reeds meer dan twee jaar op de hoogte waren van de beëindiging van de Regeling, is de rechtbank van oordeel dat verweerder er van kon uitgaan dat die redelijke termijn in acht is genomen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en

mr. J.W.M. Bunt, leden, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.