Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4010

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
AK_17_1971
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de gemeente aan de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek te doen is geen besluit in de zin van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1971

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] eiseres,

gemachtigde: mr. A. Gerards,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Ichoh.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen de beslissing op bezwaar van 2 augustus 2017 beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Op 31 mei 2017 heeft verweerder een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming gedaan. Met een email van 22 mei 2017 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen dit verzoek. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt daartoe dat deze beslissing geen grondslag vindt in het publiekrecht en ook niet is gericht op rechtsgevolg.

3. Het beroep is gericht tegen een besluit op bezwaar zodat de bestuursrechter bevoegd is daarover te oordelen. De vraag is of de primaire beslissing tot het doen van een verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld op een handeling die naar haar aard op rechtsgevolg is gericht.

4. Het verzoek tot het doen van een onderzoek is niet gericht op rechtsgevolg, maar op feitelijk handelen. Er worden immers door een dergelijk onderzoek voor eiseres geen rechten of plichten in het leven geroepen. Van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb is geen sprake, zodat tegen het verzoek tot het doen van een onderzoek geen bezwaar open staat. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres met het besluit van 2 augustus 2017 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5. Eiseres heeft ook een vordering bij de burgerlijke rechter ingesteld. Uit het vonnis van 3 oktober 2017 blijkt dat (gemachtigde van) eiseres tegenover de civiele rechter heeft verklaard van mening te zijn dat de aanvraag tot (hernieuwd) raadsonderzoek geen besluit in de zin van de Awb betreft. Anders dan verweerder heeft verzocht ziet de rechtbank hierin geen aanleiding eiseres wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht te veroordelen in de proceskosten in deze bestuursrechtelijke procedure. Het ‘voor twee ankers gaan liggen’, wat gemachtigde aldus heeft gedaan, ziet de rechtbank niet als zodanig onredelijk gebruik.

6. Het beroep is kennelijk ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van

mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.