Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3967

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
C/08/192959 / ES RK 16-4293 en C/08/203228 ES RK 17/2796
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtbank stelt behoefte vrouw vast aan de hand van een behoeftelijst. Verzoek limitering/nihilstelling op termijn wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/192959 / ES RK 16-4293 en C/08/203228 ES RK 17/2796

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken

d.d. 20 oktober 2017

inzake

[de man] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [plaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. A.C.W. Duiveman te Zwolle,

en

[de vrouw] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

advocaat mr. M.T.L.M. Gieskes te Zwolle.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 25 oktober 2016;

- het exploot van de betekening van 28 oktober 2016;

- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 11 januari 2017;

- het op 8 februari 2017 binnengekomen formulier verdelen en verrekenen van de vrouw met bijlagen;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, binnengekomen op 28 februari 2017;

- het aanvullend verzoek van de vrouw, binnengekomen op 11 april 2017;

- het aanvullend verzoek van de man, binnengekomen op 11 april 2017;

- een op 8 mei 2017 binnengekomen brief van de vrouw met bijlagen;

- op 10 mei 2017 binnengekomen nadere producties van de vrouw;

- een op 2 juni 2017 binnengekomen F9-formulier van de man met bijlage;

- op 25 augustus 2017 binnengekomen nadere producties van de vrouw;

- op 11 september 2017 binnengekomen nadere producties van de man;

- op 14 september 2017 binnengekomen nadere producties van de man.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 21 september 2017. Ter zitting zijn verschenen: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 20 mei 2005 te Deventer met elkaar gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.

2.2.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.3.

Tussen partijen gelden voorlopige voorzieningen, die door deze rechtbank zijn bepaald bij beschikking van 9 maart 2017.

3 Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

II. te bevelen dat partijen de huwelijksgoederengemeenschap dienen te scheiden en delen zoals in de brief van mr. Duiveman van 11 april 2017 is verzocht en uiteengezet.

4 Het verweer tevens houdend zelfstandig verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

II. te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met € 2.500,- per maand;

III. te bepalen dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking voort te zetten;

IV. te bepalen, althans te verstaan te gegeven, dat de man de woonlasten van de voormalige echtelijke woning voldoet, bestaande uit hypotheekrente, aflossing, premie levensverzekering, opstalverzekering en onroerend zaak belasting eigenaarsgedeelte;

V. de verdeling vast te stellen van de huwelijksgoederengemeenschap, zoals in het aanvullend verzoek van de vrouw van 11 april 2017 is verzocht en uiteengezet.

5 Het verweer op het zelfstandig verzoek

De man refereert zich aan het onder I., III. en IV. verzochte. Naar de mening van de verzoeker dient het zelfstandige verzoek van de vrouw onder II. afgewezen te worden. Subsidiair verzoekt de man het alimentatie verzoek van de vrouw te limiteren, op een door de man in zijn petitum weergegeven wijze.

6 De beoordeling

De echtscheiding

6.1.

Nu de man stelt en de vrouw erkent dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, staat deze duurzame ontwrichting in rechte vast. De verzoeken tot echtscheiding zullen daarom worden toegewezen.

Het voortgezet gebruik van de echtelijke woning

6.2.

Omdat de man geen verweer voert tegen het verzoek van de vrouw omtrent het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, zal de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de vrouw beslissen.

Verstaansverplichting

6.3.

De man heeft zich ter zitting bereid verklaard om alle aan de echtelijke woning verbonden lasten te voldoen totdat de woning aan een derde wordt geleverd. De rechtbank verstaat derhalve dat de man alle aan de echtelijke woning verbonden lasten zal voldoen, een en ander -voor zover dit bedrag niet volledig aftrekbaar is- ten titel van voldoening aan de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw.

De bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw

De behoefte

6.4.

De man betwist dat dat de vrouw behoefte heeft aan de verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

6.5.

De rechtbank overweegt dat de hoogte van de behoefte van de vrouw mede is gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat de echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

In de beschikking voorlopige voorziening van 9 maart 2017 is berekend dat op basis van de jaaropgaven van de man en de vrouw van 2015 het gezamenlijk netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk € 5.006,- per maand bedroeg, op grond waarvan de naar 2017 geïndexeerde behoefte van de vrouw op grond van de ‘hofnorm’ (voorlopig) is vastgesteld op € 3.107. De vrouw stelt dat haar behoefte op grond voormelde “hofnorm’, geïndexeerd naar 2017, € 3.292,- per maand bedraagt.

De man heeft betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage op grond van voormelde hofnorm. De vrouw heeft aan de hand van een behoeftelijstje gesteld dat zij in ieder geval behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud van € 3.311,64 netto per maand.

De man handhaaft zijn stelling dat de vrouw haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd. Derhalve ziet de rechtbank zich genoodzaakt hieronder in te gaan op verschillende onderdelen van de door de vrouw overgelegde behoeftelijst (productie 10), waarbij eveneens de verweren van de man worden betrokken.

6.6.

Tussen partijen bestaat overeenstemming over de volgende maandelijkse lasten ten aanzien van de berekening van de behoefte van de vrouw:

Spaarfonds € 75,-;

Onderhoud van de gashaard € 7,50;

Krant € 31;

Tijdschriften € 14,95;

Lidmaatschap filmhuis € 1,25;

Lidmaatschap (sport) verenigingen € 47,-;

Aansprakelijkheidsverzekering € 3,66;

De inboedelverzekering € 7,98;

Autoverzekering € 24,82;

Rechtsbijstandverzekering € 15,79;

Motorrijtuigenbelasting € 26,-;

Onderhoud auto € 62,-;

Voordeelurenkaart € 5,24;

Parkeervergunning inclusief bezoekerspas € 14,35;

Cursus filmhuis € 6,38;

Huisdieren € 40,-;

Persoonlijke verzorging € 100,-.

Totaal € 482,92

6.7.

De rechtbank ziet aanleiding om de volgende door de vrouw opgevoerde maandelijkse lasten gedeeltelijk mee te nemen, voor zover onweersproken door de man, nu het meerdere onvoldoende door de vrouw is onderbouwd. Voor zover de vrouw een bewijsaanbod heeft gedaan om deze posten alsnog te onderbouwen, overweegt de rechtbank dat dit bewijsaanbod niet schriftelijk is gedaan en dit te laat, te weten pas ter zitting, naar voren is gebracht.

Gebruikslasten: gas en elektriciteit, water en waterheffing van in totaal € 182,-;

Verontreinigingsheffing € 15,-;

Telefoon € 25,-;

Mobiele telefoon € 25,-;

Reiskosten OV € 28,-;

Afschrijving auto € 20,-;

Brandstof auto € 41,-;

Reservering inventaris € 25,-.

Totaal € 361,-

6.8.

Ten aanzien de medische kosten overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft middels productie 11 aangetoond dat haar totale ziektekosten premie inclusief aanvullende verzekering € 143,25 bedraagt. Daarnaast kan de man instemmen met een maandelijks eigen risico van € 33,- en een bedrag voor lenzen van afgerond € 34,- per maand. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw het bestaan, dan wel de noodzaak, van de kosten voor een aan aanvullende tandartsverzekering ter hoogte van € 13,55 per maand onvoldoende heeft onderbouwd, zodat met deze kosten geen rekening wordt gehouden. Ten aanzien van de (medische) behandelingen die niet door de zorgverzekering vergoed worden, overweegt de rechtbank als volgt. Onbetwist is dat de vrouw op dit moment ziek is. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat zij kosten voor behandelingen heeft gemaakt die zij niet vergoed krijgt via haar zorgverzekering. Gelet op de door de vrouw overgelegde rekeningen van diverse behandelingen, acht de rechtbank het redelijk om in de behoefteberekening rekening te houden met overige medische kosten van € 197,- per maand.

6.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar huwelijk gerelateerde woonlast € 800,- per maand bedraagt. De vrouw heeft niet onderbouwd wat haar huurlast (die zij aan haar ouders verschuldigd is) in de toekomst zal gaan bedragen, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Evenmin heeft de vrouw haar stelling dat een huurprijs van € 800,- per maand marktconform is voor de huur van de voormalige echtelijke woning, onderbouwd. De stelling van de man dat gerekend moet worden met een huurlast van € 375,- per maand is evenmin onderbouwd, zodat de rechtbank de huurlasten van de vrouw, mede gelet op de welstand van het huwelijk, in redelijkheid op € 600,- per maand stelt.

6.10.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding om een in redelijkheid vastgesteld bedrag van

€ 25,- per maand aan tuinonderhoud mee te nemen. De vrouw heeft niet onderbouwd dat zij € 50,- per maand aan tuinonderhoud kwijt is. De rechtbank acht het wel aannemelijk dat er kosten van tuinonderhoud zullen zijn.

6.11.

Verder wordt aanleiding gezien rekening te houden met een begrafenisverzekering van

€ 11,59 per maand. Hierbij is in aanmerking genomen dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er nu noodzaak voor is om een dergelijke verzekering af te sluiten. De vrouw heeft -anders dan ten tijde van huwelijk- thans niet meer de beschikking over spaargeld om deze onvermijdelijke toekomstige kosten te voldoen.

6.12.

De rechtbank ziet aanleiding om ten aanzien van de post “kleding en schoenen” met een bedrag van € 127,- per maand rekening te houden. Genoemd bedrag heeft de vrouw mede gelet op de welstand ten tijde van het huwelijk voldoende onderbouwd.

6.13.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de posten “vakanties en uitstapjes” en “uitgave voeding en overige boodschappen” als volgt. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat zij thans maandelijks een bedrag van € 325,- aan vakanties en uitstapjes en

€ 365,- aan voeding en overige boodschappen uitgeeft. De man stelt dat uitgegaan moet worden van de nibud normen. De rechtbank ziet gelet op de welstand ten tijde van huwelijk aanleiding ten aanzien van de vakanties en uitstapjes in redelijkheid rekening te houden met een bedrag van € 200,- per maand. Ten aanzien van de uitgave voeding en overige boodschappen wordt in redelijkheid een bedrag van € 350,- per maand meegenomen.

6.14.

Onbetwist is gesteld dat er ten tijde van het huwelijk een onderhoudsabonnement was voor de Kirby stofzuiger, die de vrouw onder zich heeft. De rechtbank zal de onderhoudskosten ten aanzien van deze stofzuiger in redelijkheid stellen op € 4,75 per maand, nu uit de vrouw overgelegde stukken blijkt dat dit het goedkoopste onderhoudsabonnement is. De vrouw heeft niet onderbouwd dat zij thans maandelijks

€ 17,50 per maand voldoet ten aanzien van het onderhoudsabonnement, evenmin dat dit duurdere abonnement noodzakelijk is.

6.15.

De rechtbank ziet geen aanleiding de volgende door de vrouw opgevoerde maandelijkse lasten mee te nemen, nu deze niet zijn onderbouwd:

Service kosten (huurlasten) € 100,-;

Energiewacht € 18,10;

Reis en annuleringsverzekering € 25,68;

Lidmaatschap Deventer schouwburg € 1,25.

6.16.

Voorts wordt geen aanleiding gezien met de kosten voor de Bluxbox van € 13,70 rekening te houden, nu onweersproken gesteld is dat dit een box met verzorgingsproducten is en reeds met een post ten aanzien van persoonlijke verzorging van € 100,- rekening is gehouden. Geacht wordt dat de kosten voor de Bluxbox geïntegreerd zijn in de kosten van persoonlijke verzorging.

6.17.

Voor zover de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat er ten aanzien van de behoefte bepaling rekening gehouden moet worden met een nog door haar af te sluiten levensverzekering, overweegt de rechtbank dat de vrouw dit onvoldoende heeft onderbouwd.

6.18.

Na de optelling van voornoemde lasten van de vrouw, stelt de rechtbank de behoefte van de vrouw op afgerond € 2.570,- per maand.

6.19.

De man heeft de huidige behoeftigheid van de vrouw niet betwist. Onweersproken is gesteld dat de vrouw op dit moment een WIA-uitkering ontvangt van € 1.385,69 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantietoeslag. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw is thans € 1.137,- per maand, zodat zij wordt geacht voor dat bedrag zelf in haar levensonderhoud te voorzien.

6.20.

Rekening houdend met de hiervoor overwogen behoefte van de vrouw en haar inkomsten en lasten heeft de vrouw thans dan ook behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 1.433,- (2.570 minus 1.137) netto per maand ofwel € 2.258,- bruto per maand.

De draagkracht van de man

6.21.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw uit van de navolgende gegevens.

6.22.

De man is alleenstaand.

Blijkens de salarisspecificaties over de maanden juni 2017 tot en met augustus 2017 bedraagt het inkomen van de man afgerond € 5.219,- bruto per maand, te weten € 62.628,- per jaar, te vermeerderen met vakantietoeslag. Daarnaast is onweersproken gesteld dat de man een eindejaarsuitkering ontvangt. Op grond van de loonstrook van juni 2017 bedroeg de reservering voor deze eindejaarsuitkering gedurende de eerste zes maanden € 3.032,-, zodat aanleiding wordt gezien te rekenen met een eindejaarsuitkering van € 6.064,- in plaats van

€ 6.306,- zoals de vrouw stelt. De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met de vergoeding van € 50,- per maand voor telewerken, nu ervan uit gegaan wordt dat daar kosten tegen over staan.

6.23.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie van afgerond € 321,- per maand, te weten € 3.852,- per jaar, een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van afgerond € 5,- per maand, te weten € 60,- per jaar, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding om ten aanzien van de draagkracht van de man rekening te houden met de door de man te betalen lasten van de voormalige echtelijke woning, nu vaststaat dat hij deze betaalt.

De vrouw woont in de echtelijke woning van partijen, terwijl de man die woning heeft verlaten. Beide partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning. Aan deze woning is een hypothecaire geldlening verbonden op grond waarvan partijen, blijkens productie G van de man, maandelijkse afgerond € 281,- per maand (te weten € 3372,- per jaar) aan bruto rentelasten (dus zonder aflossingen) verschuldigd zijn aan de geldverstrekker. De man betaalt deze last. Op grond van de verlatersregeling kan de man, nu hij sinds het uiteengaan van partijen de echtelijke woning heeft verlaten, bij zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen de helft van voormeld bedrag € 141,- (te weten € 1.686,- per jaar) als aftrekpost in verband met de eigen woning opvoeren als eigenaar. De andere helft van dit bedrag kan de man, nu hij een onderhoudsplicht ten opzichte van de vrouw heeft, als persoonsgebonden aftrek opvoeren. De man moet bij die aangifte de helft van het eigenwoningforfait opvoeren, omdat hij voor 50% eigenaar is van de woning en vervolgens dient de andere helft van het eigenwoningforfait in mindering te worden gebracht als persoonsgebonden aftrek wegens verstrekt woongenot door de man aan de vrouw van zijn eigendom van de woning, zodat de man per saldo geen bijtelling heeft van het eigenwoningforfait. De vrouw moet bij de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekering het volledige eigenwoningforfait opvoeren. De helft omdat zij voor 50% eigenaar is van de woning en de andere helft als in natura genoten alimentatie in verband met door de man aan haar verstrekt woongenot. Nu de man jegens de vrouw onderhoudsplichtig is, dient de vrouw voorts de helft van de door de man voor haar betaalde hypotheekrente aan te merken als een belaste periodieke uitkering, waarover zij inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW is verschuldigd.

Cijfermatig betekent het voorgaande dat de rechtbank bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man onder post 82 rekening houdt met (de helft van) een eigen woningforfait, waar tussen partijen overeenstemming over bestaat van € 758,- per jaar. Onder post 83 wordt rekening gehouden met de betaling van rente en kosten van hypothecaire schulden van € 1.686,- per jaar, te weten de helft van de totale bruto rente lasten van de voormalige echtelijke woning.

De overige door de man voor de vrouw betaalde kosten voor de eigen woning te weten de rente en kosten van € 1.686,- is als partneralimentatie in natura (verstrekking huisvesting) onder post 138 opgenomen, ten bedrage van afgerond € 140,- per maand, zoals het rapport alimentatienormen 2017 adviseert. Het fiscaal voordeel in verband de betaling van de man die aangemerkt wordt als partneralimentatie in natura wordt becijferd op € 99,- per maand waarbij onder meer rekening is gehouden met de helft van het totale eigen woning forfait.

6.24.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 3.684,- per maand.

6.25.

Bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

De rechtbank ziet aanleiding om alleen een berekening te maken met betrekking tot de huidige woonlasten van de man, nu er op dit moment onvoldoende duidelijkheid bestaat over de toekomstige woonlasten.

6.26.

De rechtbank houdt rekening met de navolgende onweersproken lasten (alles op maandbasis):

  • -

    de huur ad € 500, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur ad € 221,-;

  • -

    de hypotheekrente ad € 140,-;

  • -

    de aflossing / premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek ad € 226,- gelet op productie G van de man;

  • -

    het forfait overige eigenaarslasten ad € 95,-, gelet op hetgeen in overweging 6.3 is overwogen.

6.27.

Ten aanzien de zorgkosten overweegt de rechtbank als volgt. Rekening wordt gehouden met een premie Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekering) ad € 133,-, zoals de vrouw in haar berekening aanhoudt en de man het meerdere (te weten € 2,-) onvoldoende heeft onderbouwd, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ZVW ad € 40,-. Daarnaast wordt rekening gehouden met een verplicht eigen risico van € 32,- per maand, nu dit door de vrouw niet is weersproken. Er wordt geen aanleiding gezien rekening te houden met een vrijwillig eigen risico van € 14,- per maand en overige niet vergoede ziektekosten van € 34,- per maand, nu deze kosten niet dan wel onvoldoende gesteld noch onderbouwd zijn door de man.

6.28.

Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om rekening te houden met de Aegon woonzeker levensverzekering zoals de man heeft opgenomen in zijn draagkrachtberekening, nu deze post niet is gesteld noch onderbouwd.

De rechtbank ziet wel aanleiding om met studiekosten van de man voor een bedrag van

€ 10,- per maand rekening te houden, nu deze kosten niet door de vrouw zijn weersproken.

6.29.

De rechtbank komt op grond van haar berekening en rekening houdend met het te realiseren fiscaal voordeel in verband met te betalen alimentatie tot het oordeel dat de man draagkracht heeft voor betaling van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 1.052,- per maand, hetgeen rekening houdend met het te realiseren fiscaal voordeel in verband met te betalen alimentatie € 1.778,- per maand bedraagt.

Ten aanzien van de jusvergelijking

6.30.

Omdat de man stelt dat de vrouw bij toekenning van voormelde bijdrage aan partneralimentatie meer vrij te besteden overhoudt dan hij, ziet de rechtbank aanleiding een jusvergelijking te maken.

6.31.

De rechtbank ziet aanleiding om anders dan hiervoor overwogen, ten aanzien van het besteedbaar inkomen van de vrouw rekening te houden met de door de man te betalen woonlasten als partneralimentatie in natura, ter hoogte van € 140,- per maand, te weten

€ 1680,- per jaar. Het huidig besteedbaar inkomen van de vrouw inclusief deze partneralimenatie in natura bedraagt € 1.218,- netto per maand.

Bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en met de navolgende, door de man niet weersproken, lasten (alles op maandbasis):

- de premie Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekering) ad € 143,- per maand, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ZVW van € 40,-, het verplicht eigen risico ad € 32,-, en de overige zelf betaalde en niet vergoede ziektekosten van € 197,-.

De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de vrouw rekening te houden met woonlasten, nu onweersproken is gesteld dat de man de woonlasten ten behoeve van de vrouw voldoet.

Uit deze berekening blijkt dat de vrouw bij genoemde alimentatie niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man. De rechtbank zal daarom dit bedrag van € 1.778,- vaststellen.

Limitering/nihilstelling op termijn

6.32

De man heeft verzocht de partnerbijdrage percentagegewijs in drie jaar af te bouwen en de bijdrage vanaf het vierde jaar te beëindigen, dan wel op nihil te stellen. De man heeft daartoe gesteld dat de vrouw op termijn haar betaalde werkzaamheden weer kan hervatten. De vrouw heeft verweer gevoerd en heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op haar huidige medische toestand vooralsnog geen zicht is op een terugkeer op de arbeidsmarkt.

6.32.

Op grond van artikel 157, derde lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden en een termijn. Deze vaststelling kan niet ten gevolge hebben dat de uitkering later eindigt dan twaalf jaren na de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder andere HR 18 april 1997, NJ 1997/571 en HR 29 september 2006, LJN AY7000) is dat op de alimentatieplichtige een zware stelplicht rust.

Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde – behoudens het in artikel 1:401, tweede lid, BW omschreven uitzonderlijke geval – definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Om die reden worden er hoge eisen gesteld aan de motivering van een (verzoek tot) limitering. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor hem passende wijze in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

6.33.

De rechtbank is van oordeel dat de man niet heeft voldaan aan de verplichting zijn verzoek tot limitering deugdelijk te motiveren, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw. Dat met voldoende zekerheid mag worden verwacht dat de vrouw binnen de door de man verzochte termijn in haar eigen onderhoud kan voorzien door haar werkzaamheden te hervatten, volgt onvoldoende uit de stellingen van de man en de omstandigheden van dit geval.

6.34.

De rechtbank acht de stellingen van de man evenmin voldoende gemotiveerd om de conclusie te kunnen dragen dat de alimentatie op termijn op nihil moet worden gesteld. Hierbij is in aanmerking genomen dat onweersproken is gesteld dat de vrouw op dit moment niet in staat is om te werken. De omstandigheid dat de klachten van de vrouw mogelijk deels echtscheidingsgerelateerd zijn, doet aan het vorenstaande niet af. Op dit moment is de vrouw arbeidsongeschikt, terwijl is gesteld noch gebleken dat de vrouw binnen afzienbare tijd weer betaalde werkzaamheden kan uitvoeren. Daarbij komt dat de klachten van de vrouw zich reeds gedeeltelijk hebben geopenbaard tegen het einde van de (langdurige) samenwoning van partijen, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat, indien de echtscheidingsprocedure is afgerond, de vrouw wel weer in staat is om aan het arbeidsproces deel te nemen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank thans geen aanleiding om een termijn aan de bijdrage tot levensonderhoud van de vrouw te stellen. Er wordt wel van de vrouw verwacht dat ze er alles aan zal doen om weer te herstellen en dat zij zodra het kan zich weer op de arbeidsmarkt zal begeven. Gelet op haar HBO opleiding, leeftijd en arbeidsverleden gaat de rechtbank ervan uit dat, indien zij weer volledig arbeidsgeschikt is, zij in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien.

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

6.35.

Tussen partijen is in geschil de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De verzoeken van de man en de vrouw strekken ertoe dat de rechtbank de wijze van verdeling vaststelt.

6.36.

Nu partijen in onderling overleg niet op alle punten overeenstemming hebben bereikt, zal de rechtbank eerst vaststellen welke goederen en schulden tot de ontbonden gemeenschap van goederen behoren en wat de waarde respectievelijk grootte van deze goederen en schulden is.

6.37.

Voor de beoordeling van de samenstelling en omvang van de gemeenschap is de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek bepalend, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen. Aangezien van een dergelijke afspraak niet is gebleken, geldt als peildatum de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 25 oktober 2016.

6.38.

De peildatum van de waardering van schulden en vorderingen (waaronder saldi op bankrekeningen) is eveneens de datum van ontbinding van de gemeenschap, te weten 25 oktober 2016. Dit uitgangspunt betekent dat inkomsten, aflossingen en stortingen gedaan vóór deze datum worden geacht te zijn ontvangen ten bate van de gemeenschap of te zijn gedaan ten laste van de gemeenschap. Deze lossen dus op in de te verdelen gemeenschap van goederen per peildatum. Ook betekent dit uitgangspunt dat inkomsten, aflossingen en betalingen gedaan na 25 oktober 2016 buiten het bestek van deze procedure vallen.

6.39.

Voor de waardering van de tot de gemeenschap behorende goederen geldt de datum waarop de rechter de verdeling vaststelt als uitgangspunt, tenzij een ander peilmoment uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit.

6.40.

In een geval waarin de deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, dient de rechter de verdeling op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vast te stellen en daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar redelijkheid en billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en, indien dat aan de orde is, met het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt daarbij niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben verzocht en behoeft hij niet — expliciet — in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd.

6.41.

Tussen partijen staat vast dat tot de ontbonden huwelijksgemeenschap in ieder geval behoren:

Activa:

  1. De (voormalige) echtelijke woning aan [adres] ;

  2. De inboedel van de (voormalige) echtelijke woning;

  3. Polis Aegon levensloop wonen [polisnummer 1] ;

  4. De auto’s: een Ford Fiësta en een Ford Ka

  5. De saldi op de volgende bankrekeningen:

- [rekening 1]

- [rekening 2]

- [rekening 3]

- [rekening 4]

- [rekening 5]

- [rekening 6]

- [rekening 7]

-Paypalrekening

Polis Nationale Nederlanden [polisnummer 2] ;

h. De pensioenen

Passiva:

I. Drie ING hypotheken verbonden aan de (voormalige) echtelijke woning;

II. Creditcards: de Bijenkorf creditcard en de ABN-AMRO Creditcard;

VI. Revisierente polis Nationale Nederlanden.

De (voormalige) echtelijke woning aan [adres] , de hypotheken en de polis Aegon levensloop wonen

6.42.

Ten aanzien van de voormalige echtelijke woning hiervoor genoemd onder a. zijn partijen ter zitting overeengekomen dat de woning uiterlijk 15 januari 2018, dan wel zoveel eerder als mogelijk verkocht en geleverd zal worden aan de ouders van de vrouw voor een bedrag van € 220.000,-. Eventuele notaris kosten die niet ten laste komen van de kopende partij, worden door partijen bij helfte gedeeld. De hypotheken, hiervoor genoemd onder I. zullen zoveel mogelijk worden afgelost met voormelde verkoop opbrengst. Daarnaast wordt de Aegon levensloop polis aangewend om de hypotheekschuld zo veel mogelijk te voldoen. Partijen houden er rekening mee dat er een restschuld van ongeveer € 8.750,- resteert.

De inboedel van de (voormalige) echtelijke woning

6.43.

Ten aanzien van de inboedel zijn partijen een verdeling overeengekomen die is vastgelegd in een lijst die ter zitting is overgelegd. Deze lijst zal in kopie aan de nog te wijzen eindbeschikking worden gehecht.

De auto’s

6.44.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de Ford Ka aan de vrouw wordt toegescheiden en de Ford Fiësta aan de man, zonder nadere verrekening.

De saldi van de bankrekeningen

6.45.

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de saldi op de hiervoor onder e. genoemde bankrekeningen en hebben evenmin, bijvoorbeeld middels het overleggen van kopieën van bankafschriften, inzichtelijk gemaakt wat de hoogte is van de saldi op de onder e. genoemde bankrekeningen op de peildatum, te weten 25 oktober 2016. Partijen worden alsnog in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na heden een overzicht met onderbouwing aan de rechtbank te doen toekomen ten aanzien van de hoogte van voornoemde saldi op peildatum, inclusief een voorstel ten aanzien van de verdeling van deze saldi dan wel de toescheiding/ tenaamstelling van de bankrekeningen.

Polis Nationale Nederlanden

6.46.

Partijen hebben ter zitting vastgesteld dat de polis Nationale Nederlanden (voorheen genaamd RVS persoonlijk pensioenplan) op een bankrekening is uitgekeerd op 14 oktober 2016, te weten vóór de peildatum van 25 oktober 2016, zodat dit bedrag is verdisconteerd in de saldi van de bankrekeningen, hiervoor genoemd onder e. De verdeling van deze polis kan derhalve buiten beschouwing worden gelaten.

De creditcards

6.47.

Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich binnen vier weken na heden uit te laten over de eventuele verdeling en/of toerekening en onderbouwing van de saldi op de creditcard van de bijenkorf en de ABN AMRO.

Vergoedingsvorderingen

6.48.

De vrouw stelt dat zij nog een aantal vergoedingsvorderingen op de man heeft. Zij stelt dat zij aan het collegegeld van de man in augustus 2016 heeft meebetaald, zodat zij recht heeft op de helft van de door de man ontvangen vergoeding van zijn werkgever ter hoogte van € 1.470,-. Verder stelt de vrouw dat de man een achterstand heeft in de betaling van partneralimentatie ter hoogte van € 3.301,27. De vrouw heeft haar vordering met betrekking tot de staatsloterij compensatie ter zitting ingetrokken. Voorts stelt de vrouw dat zij nog recht heeft op de helft van de belastingteruggave van 2016 die door de man is ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij een vordering op de man heeft ten aanzien van het collegegeld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de door de vrouw gestelde betaling heeft plaatsgevonden voor de peildatum. De man heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat ook de vergoeding van de werkgever voor de peildatum op de gezamenlijke rekening is ontvangen, terwijl de vrouw deze stelling onvoldoende heeft weerlegd. Het verzoek dienaangaande zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de belasting teruggave overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft de man erkend dat hij de belastingteruggave 2016 ter hoogte van € 2.415,- heeft ontvangen, zodat het de rechtbank voor komt dat deze teruggave aan de man toebedeeld kan worden. Voorts is gebleken dat de man de schuld ten aanzien van de revisierente ter hoogte van € 3.712,- heeft voldaan, zodat het voor de hand ligt deze beide posten te verrekenen en aan de vrouw terzake de belastingteruggave 2016 niets meer toekomt. Dit verzoek zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van eventuele achterstanden in de betaling van de partneralimentatie overweegt de rechtbank dat de eventuele vordering dienaangaande buiten het bestek van de verdeling valt.

6.49.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank zich in dit stadium nog onvoldoende ingelicht over de waarde en grootte van de tot de ontbonden behorende goederen en schulden en de door partijen gewenste verdeling daarvan. Van partijen wordt verlangd dat zij zich naar aanleiding van de overwegingen 6.45 en 6.47 nader uitlaten en dat zij van belang zijnde stukken alsnog in het geding brengen, dan wel laten weten dat zij alsnog over de nog openliggende punten overeenstemming hebben bereikt. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7 De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 20 mei 2005 te Deventer gehuwd;

bepaalt dat de man met ingaan van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand € 1.778,- (duizend zevenhonderd acht en zeventig) per maand aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw, als deze op het ogenblik van de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, de echtelijke woning aan [adres] bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken tot uiterlijk 15 januari 2018 voort te zetten;

wijst de verzoeken van de vrouw ten aanzien van vergoeding van door haar betaald collegegeld, door de man ontvangen teruggave IB 2016 en achterstand in partneralimentatie af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de echtscheiding betreft;

verzoekt de man en de vrouw zich binnen vier weken na heden nader uit te laten en de van belang zijnde stukken alsnog in het geding brengen zoals genoemd in de overwegingen met nummer 6.45 en 6.47, waarop de andere partij tot uiterlijk drie weken daarna in de gelegenheid wordt gesteld om daarop te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven te Zwolle door mr. J. de Ruiter en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017 in tegenwoordigheid van mr. L.M. Rosenkranz de griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming Zwolle en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die Raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

  2. door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

  3. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.