Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:395

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
08/710006-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met drie anderen brand gesticht door een molotovcocktail tegen een sporthal in Hengelo te gooien. Het is niet de verdienste van verdachte geweest dat de gevolgen niet ernstig zijn geweest.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een tweetal vernielingen en heeft verdachte tot tweemaal toe samen met een ander de auto van de voormalige buren van die ander beklad met verf en de ruiten ingegooid.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een werkstraf voor de duur van 150 uren en een jeugddetentie voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren moet worden opgelegd, met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/710006-16

Datum vonnis: 31 januari 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de met gesloten deuren gehouden terechtzitting van 17 januari 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Schotman en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw

mr. L. van Straten, advocaat te Hengelo (O), naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen opzettelijk brand heeft gesticht door een molotovcocktail tegen de muur van een sporthal aan de Jan Prinsstraat in Hengelo (O) te gooien.

Subsidiair is dit tenlastegelegd als een poging daartoe.

Meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het medeplegen van een vernieling.

feit 2: samen met anderen een gemeente-eigendom, te weten een prullenbak, onbruikbaar heeft gemaakt.

Feit 3: samen met een ander meermalen geweld heeft gepleegd tegen een op de openbare weg geparkeerd staande auto, door de ruiten van die auto in te gooien en die auto te bekladden met verf.

Subsidiair is dit tenlastegelegd als het medeplegen van vernieling.

Feit 4: samen met een ander een reclamebord van de Jumbo heeft vernield.

Feit 5: samen met een ander geweld heeft gepleegd tegen op de openbare weg geparkeerd staande auto’s door tegen de buitenspiegels van die auto’s te trappen.

Subsidiair is dit tenlastegelegd als het medeplegen van vernieling.

Feit 6: samen met anderen een molotovcocktail voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de – gewijzigde – tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 27 oktober 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met

een gebouw (sporthal) aan de Jan Prinsstraat,

althans met een brandbare stof door een molotovcocktail, altans een fles met een brandbare vloeistof naar en/of tegen voornoemde sporthal te gooien

ten gevolge waarvan een (deel) van dat gebouw en/of een muur van dat gebouw

en/of luchtverwarmers (in de technische ruitme van dat gebouw) geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor dat gebouw en/of inboedel van dat pand in elk

geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor in dat gebouw

aanwezige sporters en/of personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in dat gebouw

aanwezige sporters en/of personen, in elk geval gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 oktober 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand te stichten aan een gebouw aan de Jan Prinsstraat (sporthal)

met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

zich heeft/hebben begeven naar dat gebouw en/of een zgn molotov-cocktail

heeft/hebben gemaakt en/of aangestoken en/of (vervolgens) dat molotov-cocktail

gegooid naar dat gebouw, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking

heeft gebracht met gebouw, althans met een brandbare stof,

en daarvan gemeen gevaar voor dat gebouw en/of inboedel van dat gebouw, in elk

geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor in dat gebouw

aanwezige sporters en/of personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in dat gebouw aanwezige sporters

en/of personen, in elk geval gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 oktober 2015

te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een muur van een

gebouw aan de Jan Prinsstraat en/of een of meer luchtverwarmers in de

technische ruimte, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

gemeente Hengelo (O) en/of [aangever 1], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 30 oktober 2015

te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een prullenbak, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de gemeente Hengelo (O),

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks 18 november 2015 tot en met 10 december 2015 te Hengelo,

gemeente Hengelo (O),

meermalen, in elk geval eenmaal (telkens) openlijk, te weten op of aan de

openbare weg, 't Swafert, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een

voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke

ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een aldaar geparkeerd

staande auto, welk geweld bestond uit het stuk slaan en/of stuk gooien van een

of meer ruit(en) van die auto en/of door het met verf, althans met een

kleurstof bespuiten en/of besmeuren van die auto

terwijl dit door hem gepleegde geweld vernieling ten gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 18 november 2015 tot en met 10 december

2015,

in de gemeente Hengelo (O),

meermalen, in elk geval eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een aldaar

geparkeerd staande auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 07 november 2015

te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

en wederrechtelijk een reclamebord (aan de Wllem de Merodestraat), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Jumbo en/of [aangever 2], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 6 november 2015 tot en met 7 november 2015,

in de gemeente Hengelo (O),

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [straat 2] en/of [straat 1],

in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek

toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een of meer aldaar geparkeerd staande auto's,

welk geweld bestond uit het schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen

tegen de spiegel(s) van die auto's en/althans die auto's

terwijl dit door hem gepleegde geweld vernieling ten gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 5 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 6 november 2015 tot en met 7 november 2015,

in de te gemeente Hengelo (O),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk een of meer aldaar geparkeerd staande auto (s),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd

en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 27 oktober 2015

te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen,

een zgn. molotov-cocktail, zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen

van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van feit 6 en dat hij voor de feiten 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 primair wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende jeugddetentie met aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel een meldplicht bij de jeugdreclassering, voortzetting van de begeleiding waaronder van Stichting Wbjv, een zinvolle dagbesteding en voortzetting behandeling waaronder EMDR en PMT als bijzondere voorwaarden wordt gekoppeld. Tot slot heeft de officier van justitie hoofdelijke toewijzing van de civiele vorderingen van de gemeente Hengelo, mevrouw [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 3] gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Feit 1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier vastgesteld kan worden dat een molotovcocktail tegen de muur van de sporthal is gegooid. Daar zijn de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]), maar ook verdachte bij betrokken geweest. Op basis van de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], getuigen, de brandweer en de aangifte kan worden vastgesteld dat verdachte bij de brandstichting aanwezig is geweest. Verdachte was ook degene die de fles heeft meegenomen. [medeverdachte 3] verklaart duidelijk dat van tevoren is besproken dat ze een molotovcocktail zouden maken. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte dat hij er niet bij was ongeloofwaardig. De verdachten hebben van tevoren afspraken gemaakt, [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte de fles had en dat hij een molotovcocktail wilde maken. Dat levert samen medeplegen van brandstichting op. Gelet op het feit dat de mensen die ten tijde van de brand aanwezig waren in de sporthal nog kans hebben gezien hun spullen uit de kleedkamer te halen en zelf de brand te blussen, en dat er voldoende nooduitgangen waren waardoor iedereen het pand tijdig heeft kunnen verlaten alsmede gelet op de verklaring van de brandweerman, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen levensgevaar voor personen te duchten was, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De verdediging heeft vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat weliswaar van tevoren is gesproken over het gooien van de brandende molotovcocktail, maar dat wat nu concreet het plan was, nog niet duidelijk was. Verdachte heeft zich niet beseft wat er zou kunnen gebeuren, dat realiseert hij zich nu pas. Daarnaast was het niet zijn bedoeling om brand te stichten. Verdachte heeft de fles geleverd en had verder geen invloed op waar de fles naartoe zou worden gegooid. Dat levert slechts bewijs voor vernieling op. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het primair of subsidiair tenlastegelegd wel wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, dan is alleen sprake van gevaar voor goederen.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft op 27 oktober 2015 – samen met [medeverdachte 1] – [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ontmoet bij de Jumbo in Groot Driene in Hengelo. Verdachte had een tas bij zich waarin onder meer een glazen fles en een doek zat. Zij hebben met elkaar gesproken over het maken van een molotovcocktail. [medeverdachte 3] is samen met [medeverdachte 1] naar het dichtstbijzijnde tankstation gegaan en samen hebben zij de fles uit de tas van verdachte gevuld met benzine en betaald. Daarna zijn [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte samen naar de voetbalkooi aan de Jan Prinsstraat gelopen. Zij stonden dichtbij de muur van de sporthal waar zich de technische ruimte achter bevond. Daar heeft [medeverdachte 2] de molotovcocktail gemaakt waarna [medeverdachte 1] de lont heeft aangestoken. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] de brandende molotovcocktail naast het ventilatierooster tegen de muur van de sporthal stuk gegooid.

Verdachte heeft zijn aandeel in de hiervoor beschreven gang van zake erkend, maar heeft tevens verklaard dat hij op het moment dat de molotovcocktail gegooid werd op een afstand stond.

De ter plaatse gekomen brandweer heeft geconstateerd dat aan de buitenzijde van de sporthal brand heeft gewoed bij een ventilatierooster van een ruimte waarin de Cv-installatie zich bevind. Achter dat rooster zijn brandsporen aangetroffen. In de ruimte is door de brandweer geconstateerd dat de Cv-installatie van de binnenkant verbrand was.

Opzet

Zoals hiervoor vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [medeverdachte 1] de lont – bestaande uit een stuk doek – van de molotovcocktail die [medeverdachte 2] vasthad, heeft aangestoken, terwijl zij op korte afstand stonden van de muur waarachter zich de Cv-installatie van de sporthal bevond. [medeverdachte 2] heeft deze molotovcocktail brandend tegen de muur van voornoemde ruimte gegooid. Naar het oordeel van de rechtbank is dergelijk handelen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm gericht op en geschikt voor het veroorzaken van een brand en/of ontploffing, een logisch gevolg indien en zodra een met benzine gevulde fles breekt en de brandbare/explosieve benzine(damp) in aanraking komt met een brandende lont. De kans daarop is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Verdachte had dat ook kunnen en moeten begrijpen. Op grond van zijn gedragingen in het kader van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden moet worden geconcludeerd dat verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard. Van een omstandigheid waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachten de werking van de molotovcocktail op een plek zonder risico’s zouden gaan testen, is niet gebleken; zij zijn juist op een plek dichtbij de sporthal gaan staan. Onder deze omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank in voorwaardelijke zin opzet gehad op de brandstichting.

Medeplegen

Verdachte is niet de persoon geweest die de molotovcocktail heeft aangestoken en gegooid. De rechtbank merkt hem, evenals de officier van justitie en de verdediging, echter aan als medepleger, omdat er tussen de verdachten op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

Levensgevaar

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat door de brandstichting levensgevaar voor anderen dan wel zwaar lichamelijk letsel te duchten is, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank acht hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

5.2

De feiten 2, 3 en 4

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten 2 en 3 primair wettig en overtuigend zijn bewezen nu verdachte met betrekking tot deze feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd. Daarnaast is door [aangever 3] namens de gemeente Hengelo (O) respectievelijk [slachtoffer 1] aangifte gedaan van deze feiten.

Met betrekking tot feit 4 heeft verdachte – na confrontatie met de constatering dat er camerabeelden zijn waarop te zien is dat hij een stuk van het reclamebord afbreekt – verklaard dat ‘dat dan wel zo geweest zal zijn’. De rechtbank acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen, op basis van de aangifte van [aangever 2] namens de supermarkt Jumbo, het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de camerabeelden en de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de herkenning van verdachte door de verbalisanten.

5.3

Feit 5

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier drie aangiftes bevat en een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de door verdachte afgelegde route. Gelet daarop ligt het niet voor de hand dat verdachte en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) de eerste auto aan [straat 1] hebben vernield. De verklaring van [medeverdachte 4] is volgens de officier van justitie geloofwaardig en die van verdachte niet. De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van vernieling van de auto’s aan de [straat 2].

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij en [medeverdachte 4] op de fiets waren, terwijl een getuige de daders weg heeft zien rennen. Verder bevat het dossier alleen de verklaring van [medeverdachte 4] met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte, zodat het feit niet bewezen kan worden verklaard.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting staat vast dat in de nacht van 6 op 7 november 2015 aan de [straat 2] van een blauwe en een grijze auto en aan de [straat 1] van een rode auto de buitenspiegel is afgetrapt. De man van aangeefster [slachtoffer 2], die woonachtig is aan de [straat 2] werd die nacht wakker van een hard geluid dat leek op iets dat afbrak en hij hoorde enkele personen wegrennen in de richting van het winkelcentrum Groot Driene.

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij in de nacht van 6 op 7 november 2015 samen met [verdachte] van club discotheek [club] in het centrum van Hengelo naar huis is gefietst. Onderweg zijn ze bij de Jumbo in het winkelcentrum Groot Driene gestopt om een sigaret te roken. Vervolgens zijn ze verder richting huis gefietst. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij in de [straat 2] de spiegel van een zilverkleurige of een blauwe auto af heeft getrapt. Hij zegt gezien te hebben dat verdachte een spiegel van een – volgens [medeverdachte 4] – zwarte auto heeft afgetrapt.

Verdachte heeft het feit ontkend.

De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar buitenspiegels van auto’s zijn afgetrapt op een route van het centrum van Hengelo naar de woning van verdachte, maar niet dat op grond van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Aangeefster, [slachtoffer 2], heeft de dader(s) niet gezien evenmin als haar man. Laatstgenoemde verklaart tevens te hebben gehoord dat de dader(s) wegrenden in de richting van het winkelcentrum Groot Driene, terwijl verdachte en [medeverdachte 4] juist uit die richting kwamen fietsen. De enkele verklaring van [medeverdachte 4] over de betrokkenheid van verdachte is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank zal verdachte dan ook integraal van dit feit vrijspreken.

5.4

Feit 6

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het feit moet worden vrijgesproken, omdat in de tenlastelegging niet staat omschreven tot welke categorie van de Wet wapens en munitie een molotovcocktail behoort en omdat het dossier hieromtrent ook niets bevat.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is wat voor nader strafbaar feit het onder feit 6 tenlastegelegde op moet leveren gelet op hetgeen reeds onder feit 1 is tenlastegelegd, zodat vrijspraak dient te volgen.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 5.1 aan feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 27 oktober 2015 een molotovcocktail voorhanden heeft gehad. Een molotovcocktail is een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie II onderdeel 7 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). Naar het oordeel van de rechtbank schrijft geen rechtsregel voor dat in de tenlastelegging benoemd wordt onder welke categorie van de WWM een molotovcocktail valt.

Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw overweegt de rechtbank dat het rechtsbelang dat artikel 157 Sr beoogd te beschermen in hoge mate onvergelijkbaar is met het rechtsbelang dat artikel 26 van de Wet wapens en munitie beoogd te beschermen, zodat het verweer moet worden verworpen. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

5.5

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 5 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder feit 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 oktober 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht door een molotovcocktail naar een gebouw (sporthal) aan de Jan Prinsstraat te gooien, ten gevolge waarvan een muur van dat gebouw

en luchtverwarmers (in de technische ruimte van dat gebouw) geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat gebouw en de inboedel van dat pand te duchten was;

2.

hij op 30 oktober 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een prullenbak toebehorende aan de gemeente Hengelo (O) onbruikbaar heeft gemaakt;

3.

hij in de periode van 18 november 2015 tot en met 10 december 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), meermalen telkens openlijk, te weten op of aan de openbare weg, 't Swafert, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een aldaar geparkeerd staande auto, welk geweld bestond uit het stuk gooien van ruiten van die auto en het met verf bespuiten en/of besmeuren van die auto, terwijl dit door hem gepleegde geweld vernieling ten gevolge heeft gehad;

4.

hij op 07 november 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), opzettelijk en wederrechtelijk een reclamebord (aan de Willem de Merodestraat), toebehorende aan Jumbo heeft vernield;

6.

hij op 27 oktober 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met anderen, een zogenaamde molotovcocktail, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen

van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 47, 141, 157 en 350 Sr en bij artikel 55 WWM. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort onbruikbaar maken;

feit 3 primair: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, meermalen gepleegd;

feit 4: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen

feit 6: het misdrijf: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft samen met [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] brand gesticht door een molotovcocktail tegen de muur van een sporthal te gooien naast een ventilatierooster van de technische ruimte van dat pand. Op het moment dat de brandbom door [medeverdachte 2] gegooid werd, stond verdachte op en heeft hij een grote vuurbal gezien. Verdachte heeft geen pogingen gedaan het vuur te blussen en heeft evenmin de hulpdiensten ingeschakeld. Het is niet de verdienste van verdachte geweest dat de gevolgen voor de mensen, die in het pand aan het sporten waren, niet ernstig zijn.

Een dergelijke brandstichting is een delict met een groot gevaarzettend karakter en dient als een zeer ernstig strafbaar feit te worden gekwalificeerd. Naast gevoelens van onrust en onveiligheid bij betrokkenen veroorzaakt brandstichting doorgaans ernstige schade. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een tweetal vernielingen en heeft verdachte tot tweemaal toe samen met [medeverdachte 4] de auto van de voormalige buren van [medeverdachte 4] beklad met verf en de ruiten ingegooid. Dit zijn ergerlijke feiten die aan de gedupeerden schade berokkenen. Door aldus te handelen toont verdachte aan geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 12 januari 2017. Uit dit rapport komt naar voren dat verdachte een achttienjarige, kwetsbare jongen is met een zeer belaste voorgeschiedenis. Het afgelopen jaar heeft hij een vooruitgang laten zien wat betreft zijn ontwikkeling. Positief is dat hij zijn woonplek bij Stichting Wbjv als een prettige plek ervaart en zich openstelt voor behandeling en begeleiding. Verdachte is in het verleden voornamelijk bij groepsdelicten betrokken geraakt, hetgeen volgens de rapporteur voornamelijk voortkomt uit zijn beïnvloedbaarheid en traumatische gebeurtenissen in het verleden. Inmiddels heeft verdachte afstand genomen van de jongeren met risicovol gedrag. De Raad voor de Kinderbescherming vindt het positief te noemen dat verdachte het ondanks zijn belaste voorgeschiedenis op de verschillende leefgebieden goed doet. Om deze lijn voort te kunnen zetten, heeft verdachte nog wel begeleiding nodig. Om de kans op recidive blijvend te verminderen is de Raad voor de Kinderbescherming van mening dat begeleiding door de jeugdreclassering gecontinueerd dient te worden. Daarnaast adviseert de Raad voor de Kinderbescherming aan verdachte een werkstraf op te leggen, zodat verdachte ook ervaart dat zijn gedrag consequenties heeft.

De rechtbank heeft daarnaast rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 6 december 2016 waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende jeugddetentie, en een jeugddetentie voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren moet worden opgelegd. De rechtbank zal aan die voorwaardelijke jeugddetentie de bijzondere voorwaarden koppelen, zoals door de Raad van de Kinderbescherming is geadviseerd.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

De gemeente Hengelo, in deze vertegenwoordigd door [aangever 1], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 2.945,71 (tweeduizend negenhonderdvijfenveertig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    twee luchtverwarmers (eigen risico) € 2.500,--

  • -

    schoonmaakkosten € 105,71

  • -

    “proceskosten” € 340,--.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn onvoldoende gemotiveerd betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 2.945,71, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

[slachtoffer 2] heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 258,68 (tweehonderdachtenvijftig euro en achtenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de post “vervangen rechter buitenspiegel”.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu verdachte van het feit waar de vordering op ziet wordt vrijgesproken.

[slachtoffer 3] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 150,-- (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de post “linker buitenspiegel Opel Zafira”.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu verdachte van het feit waar de vordering op ziet wordt vrijgesproken.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 primair is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en

91 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder sub 5 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1 primair, sub 2, sub 3 primair, sub 4 en sub 6 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort onbruikbaar maken;

feit 3 primair: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, meermalen gepleegd;

feit 4: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

feit 6: het misdrijf: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel voor een door de Jeugdreclassering te bepalen periode die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op de door de Jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde deelneemt aan de gesprekken met Jeugdbescherming Overijssel zo frequent als deze dat noodzakelijk acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde meewerkt aan andere door Jeugdbescherming Overijssel noodzakelijk geachte ondersteuning of verwijzing naar andere hulpverleningsinstanties;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde naar school gaat of een andere zinvolle dagbesteding heeft die door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel wordt bepaald;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde een vorm van behandeling volgt die door Jeugdbescherming Overijssel noodzakelijk wordt geacht;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot hoofdelijke betaling aan de benadeelde partij gemeente Hengelo van een bedrag van € 2.945,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2015, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.945,71 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende jeugddetentie voor de tijd van 39 (negenendertig) dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2] in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 3] in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H. Stam en mr. F.H.W. Teekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2017.

Buiten staat

Mr. G.J. Stoové is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2016101377. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van feit 1 en feit 6

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 januari 2017, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

Ik ben op 27 oktober 2015 zeker betrokken geweest bij de brandstichting bij de sportschool aan de Jan Prinsstraat in Hengelo. Ik heb de fles geleverd, die had ik bij mij. Een molotovcocktail is een brandbom. Daar moet een brandbare vloeistof in, zoals benzine of lampolie. Dat steek je aan door middel van een lont en dan komt de vlam bij de vloeistof. De fles moet wel breken om het beoogde effect te krijgen. Het was inderdaad de bedoeling dat we een molotovcocktail gingen maken met de jongens van de “Jumbo-groep”. De kans dat het die avond plaats zou vinden, was ontzettend groot omdat alle attributen aanwezig waren. Het doek voor het lont kwam ook bij mij vandaan. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben de benzine gehaald bij het Texaco tankstation in Groot Driene. Toen zijn wij met zijn allen naar de kooi gelopen. [medeverdachte 2] heeft toen de molotovcocktail gemaakt.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 13 november 2015, pagina’s 114 en 115, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik ben namens de gemeente gerechtigd om aangifte te doen. Op dinsdag 27 oktober 2015 werd ik gebeld door een collega die vertelde dat er brand was geweest bij de sporthal aan de Jan Prinsstraat 1 in Hengelo. Een collega, de heer [collega], is naar de sporthal gegaan. Samen met de brandweer is hij de technische ruimte binnengegaan. De vlammen zijn naar binnengezogen in de technische ruimte. Hierdoor zijn twee luchtverwarmers beschadigd.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] van 28 januari 2016, pagina’s 131 en 132, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

Op 27 oktober 2015 omstreeks 20.00 uur kregen wij een melding van een buitenbrand aan de Jan Prinsstraat in Hengelo. De aanvalsploeg van de brandweer constateerde dat er brand was geweest aan de buitenzijde van het pand. De plaats waar de brand had plaatsgevonden was bij een rooster van een ruimte naast de sporthal waar de Cv-installatie inzit. We hebben toen dat rooster er af gehaald en hebben brandsporen aangetroffen. Waarschijnlijk heeft de luchtstroom van de Cv-installatie ervoor gezorgd dat de brand is overgeslagen naar de binnenzijde van de installatie. Toen de sleutelhouder ter plaatse kwam, zijn wij van de brandweer bij het Cv-hok naar binnen gegaan. De sleutelhouder haalde een dekplaat van de bekisting van de installatie af en ik zag toen dat de installatie van de binnenkant verbrand was. Ik zag dat de filters uit de installatie volledig waren weggebrand. Over de brandhaard aan de buitenzijde van de sporthal kan ik verklaren dat ik op de plek van de brand glasscherven heb aangetroffen. De glasscherven bestonden samen uit bijna een hele glazen fles. De scherven lagen dicht bij elkaar en zij lagen midden in een vloeistof die kennelijk gebrand heeft. De geur die ik op de plek rook, bevestigde mijn gevoel dat de vloeistof op de grond een benzine is geweest. Behalve hetgeen ik op de grond aantrof, zag ik ook twee zwarte vlekken op de muur van de sporthal. De vlekken zaten op ongeveer anderhalve meter hoogte.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3

Nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 januari 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv);

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 29 januari 2016, pagina’s 184 en 185, voor zover van belang;

3.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 19 november 2015, pagina 252, voor zover van belang;

4.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 10 december 2015, pagina 262 en 263, voor zover van belang.

Ten aanzien van feit 4

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 7 november 2015, pagina 229, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik ben namens de winkel, de Jumbo, bevoegd om aangifte te doen van vernieling van een reclamebord. Dit bord stond in de nacht van vrijdag 6 november 2015 op zaterdag 7 november 2015 buiten voor de winkel op de openbare weg. Hierop ben ik de beelden gaan bekijken van de camerabewaking rond de winkel en zag hierop enkele jongeren het reclamebord vernielen.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 november 2015, pagina’s 232 en 233, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Ik heb camerabeelden bekeken van benadeelde Jumbo, Willem de Merodestraat 40 te Hengelo, opgenomen met een buitencamera, gericht op de ingang en de parkeerplaats van het winkelcentrum Groot Driene in Hengelo. Ik zag op de beelden drie jongens staan, hierna te noemen: verdachte 1, verdachte 2 en verdachte 3. Ik zag op de camerabeelden verdachte 3 naar het reclamebord van de Jumbo lopen en daar een stuk afbreken van de bovenkant.

3.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 12 november 2015, pagina 235, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Ik ben werkzaam als jeugdagent. Ik bekeek de beelden en herkende ambtshalve de drie personen in beeld. Deze personen zijn door collega [verbalisant 1] verdachte 1, 2 en 3 genoemd in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. Verdachte 3 herken ik als de mij ambtshalve bekende:

Naam : [verdachte]

Voornaam : [verdachte]

Geboren : [geboortedag] 1998

Adres : [adres] te [geboorteplaats].

Ik herken [verdachte] aan zijn gezicht, haar en bril.