Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3930

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
20-10-2017
Zaaknummer
C/08/206827 / KG ZA 17-288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt gedaagde tot het verlaten van de leefgemeenschap, ontruiming van de gebruikte kamer(s) en afgifte van de sleutels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/206827 / KG ZA 17-288

Vonnis in kort geding van 20 oktober 2017

in de zaak van

de vereniging

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.J. Ellenbroek te Deventer,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.H.A. Vennegoor te Enschede.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 27 september 2017,

  • -

    producties 21, 22 en 23 aan de zijde van [eiseres] ,

  • -

    de eis in reconventie en twee producties aan de zijde van [gedaagde] ,

  • -

    de mondelinge behandeling op 10 oktober 2017,

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een vereniging die ten doel heeft onderdak te bieden aan mensen in knelsituaties, zoals (ex)psychiatrische patiënten, vluchtelingen, uitgeprocedeerde asielzoekers en mishandelde vrouwen of anderen die niet binnen de reguliere opvang vallen.

Deze mensen worden opgevangen en begeleid door de vaste bewoners van de woongemeenschap waarbij zelfhulp vooropstaat en het primaire doel is een huiselijke sfeer voor hen te creëren.

2.2.

In 2011 is [gedaagde] bij [eiseres] gekomen. Hij was op dat moment dakloos en onder behandeling bij [instelling 1] . Voor zijn verblijf bij [eiseres] moet [gedaagde] een bedrag van € 380,00 per maand betalen.

2.3.

Bij brief van 11 juni 2015 heeft [eiseres] aan [gedaagde] medegedeeld de gast-overeenkomst per 31 juli 2015 te beëindigen. Bij brief van 20 juli 2015 heeft [gedaagde] zich hiertegen verweerd. Bij brief van 14 augustus 2015 heeft [eiseres] hierop gereageerd en aan [gedaagde] de hoop uitgesproken binnenkort met een goed gevoel afscheid te zullen gaan nemen van [gedaagde] .

2.4.

Bij brief van 13 oktober 2016 heeft [eiseres] aan [gedaagde] gevraagd voor 1 november 2016 duidelijkheid te geven over de wijze waarop en binnen welke termijn [gedaagde] woonruimte buiten [eiseres] denkt te gaan realiseren en hoe hij de achterstand in de betalingsverplichting als bijdrage in zijn verblijf denkt te gaan inlopen.

2.5.

Bij brief van 14 april 2017 heeft [eiseres] aan [gedaagde] medegedeeld dat de einddatum van het verblijf van [gedaagde] in [eiseres] is vastgesteld op 1 mei 2017. Hierbij heeft [eiseres] aan [gedaagde] een drietal opties voorgelegd.

2.6.

[gedaagde] heeft [eiseres] niet verlaten en verblijft thans nog in [eiseres] .

2.7.

[gedaagde] is gediagnosticeerd met ADD. Hiervoor krijgt hij begeleiding van zijn coach, [begeleider] van [instelling 2] .

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de leefgemeenschap [eiseres] , gevestigd te [adres] te hebben verlaten en de door hem gebruikte kamer(s) aldaar te hebben ontruimd, met al hetgeen van [gedaagde] is en ieder die eventueel bij [gedaagde] in de leefgemeenschap en/of de kamer(s) verblijft, onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking te stellen aan [eiseres] ;

II. [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 4.144,40, te vermeerderen met de sinds 1 september 2017 openstaande termijnen tot aan de datum van ontruiming en met de wettelijke rente vanaf de verschillende vervaldata, althans vanaf de dagvaarding;

III. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, alsmede de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis indien en voor zover deze kosten niet binnen deze termijn zijn voldaan.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiseres] met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van [eiseres] te vernietigen wegens het niet acht nemen van de (statutaire) vereisten die de totstandkoming van een besluit regelen en om die reden [eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar vordering te ontzeggen. Tevens vordert [gedaagde] [eiseres] te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

[eiseres] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en reconventie

5.1.

Gelet op de verwevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor een gezamenlijke beoordeling.

Ontvankelijkheid

5.2.

Allereerst zal de voorzieningenrechter ingaan op de vraag of [eiseres] ontvankelijk is in haar vorderingen (in conventie).

5.3.

[gedaagde] stelt in reconventie dat [eiseres] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen. [gedaagde] stelt zich daartoe -kort gezegd- primair op het standpunt dat er aan de zijde van [eiseres] geen bestuursbesluit tot het voeren van een procedure is genomen en subsidiair dat als er al een bestuursbesluit zou zijn genomen, de schriftelijke instemming van de algemene vergadering ontbreekt. De wijze van totstandkoming van de besluitvorming binnen de vereniging is derhalve niet gegaan zoals is voorgeschreven in de statuten, aldus [gedaagde] .

5.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 12.A lid 7 van de statuten van [eiseres] blijkt dat [eiseres] wordt vertegenwoordigd door het gehele bestuur of door twee gezamenlijk handelende bestuursleden, welke bestaan uit voorzitter, secretaris en penningmeester. In artikel 12.A lid 6 van de statuten is bepaald dat het bestuur goedkeuring van de algemene vergadering behoeft voor besluiten tot het optreden in rechte.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2:45 lid 3 BW gelden statutaire beperkingen of voorwaarden -voor zover deze niet uit de wet voortvloeien- in beginsel slechts als interne aanwijzingen en werken deze niet tegenover derden. Dit betekent dat derden daar ook geen beroep op kunnen doen. Overigens is in de statuten zelf onder artikel 12.A. lid 6 ook opgenomen dat op het ontbreken van de goedkeuring van de algemene vergadering (op de in dat artikel genoemde besluiten) door en tegen derden geen beroep kan worden gedaan. Reeds gelet hierop faalt het betoog van [gedaagde] en is [eiseres] ontvankelijk in haar vorderingen. De vordering in reconventie van [gedaagde] zal derhalve worden afgewezen.

Vordering tot ontruiming

5.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering zoals hiervoor onder I. is geformuleerd.

Gelet op de ernst van de door [eiseres] gestelde gedragingen van [gedaagde] binnen [eiseres] , kan van [eiseres] niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

5.6.

Vast staat dat [gedaagde] sinds 2011 in [eiseres] woont en dat [eiseres] sinds 2015 aandringt op vertrek van [gedaagde] . Hoewel [eiseres] bij brief d.d. 11 juni 2015 de bestaande overeenkomst tussen partijen heeft beëindigd, is [gedaagde] in [eiseres] blijven wonen. De voorzieningenrechter acht -mede gelet op de verstreken tijd sinds 2015 en de bijdrage die [eiseres] maandelijks in rekening is blijven brengen aan [gedaagde] - voldoende aannemelijk dat thans een rechtsverhouding tussen partijen bestaat. Het gaat het beperkte kader van dit kort geding te buiten hoe deze rechtsverhouding (gastovereenkomst zoals [eiseres] heeft betoogd danwel huurovereenkomst zoals [gedaagde] heeft betoogd) precies moet worden geduid. Kern van dit geschil is terug te voeren op de vraag of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de bestaande overeenkomst tussen partijen zal ontbinden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat het geval.

5.7.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] veelvuldig overlast heeft veroorzaakt in [eiseres] . Ondanks dat [gedaagde] hierop meerdere keren is aangesproken door [eiseres] en [eiseres] heeft geprobeerd in overleg met [gedaagde] tot een woonruimte buiten [eiseres] te komen, verblijft [gedaagde] thans nog steeds in [eiseres] en blijft hij doorgaan met het veroorzaken van overlast. Zo heeft [gedaagde] begin 2017 zonder toestemming van [eiseres] een andere kamer binnen [eiseres] betrokken omdat hij niet goed zou kunnen slapen in zijn eigen kamer. Ook heeft [gedaagde] in juli 2017 op het krijtbord in de gemeenschappelijke ruimte onder meer de woorden “een schijnheilige teringbende” geschreven. Daarnaast heeft [eiseres] onweersproken gesteld dat [gedaagde] de notulen van de huiskamervergadering, die hangen bij de bar in de huiskamer, en het mededelingenbord in de keuken/gang heeft beklad.

5.8.

Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] zich -tot nog zeer recent- bedreigend en agressief heeft gedragen richting andere gasten van [eiseres] . Zo schrijft [naam 1] , gast bij [eiseres] , bij e-mail d.d. 1 juni 2017 aan wijkcoach [wijkcoach] onder meer het volgende: “Hans wordt met de dag agressiever. (…) Hij neemt steeds meer ruimte in, intimideert en manipuleert huisgenoten en mensen van de kerngroep, die hier niet tegen opgewassen zijn. Nieuwe bewoners weten niet hoe ze hier mee om moeten gaan.” Voorts blijkt uit de e-mail d.d. 20 september 2017 van [naam 2] , bestuurslid en bewoner van [eiseres] , dat [gedaagde] bij een incident medio september 2017 de woorden “Jij leeft niet lang meer” tegen een gast heeft gebruikt. Een paar dagen later vond een ander incident plaats, waarbij [gedaagde] erg hard en lang op de deur van een kamer van een andere gast heeft gebonsd. Nadat [gedaagde] op zijn gedrag is aangesproken, heeft hij op de gang een uitdagende pas in de richting van de betreffende gast gemaakt.

5.9.

Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken dat [gedaagde] e-mails met bedreigende en intimiderende opmerkingen heeft gestuurd aan de kerngroepleden van [eiseres] . Zo schrijft [gedaagde] in zijn e-mail d.d. 11 april 2017 aan [naam 2] onder meer: “Dat je geen compassie heb met een man die fysiek en psychisch leed door geluidsoverlast en zendmaststraling zegt veel over je. Ik ervaar dit alles als een voortgang van het mijn leven zuur proberen te maken (pesten) en ik zal dit ook melden bij justitie”.

Een ander voorbeeld betreft de e-mail van [gedaagde] d.d. 24 juli 2017 aan de heer [naam 3] , voorzitter van [eiseres] , met als onderwerp: “Game over, [naam 3] ”, waarin [gedaagde] onder meer schrijft: “Want hoe denk je dat je kinderen en Co hierop zullen reageren? Is toch niet iets om trots op te zijn hoe je gehandeld hebt t.o.v. mij. Denk goed na [naam 3] , heb je echt niet door dat je ‘fout’ zit. Je tijd raakt op!”

5.10.

Ten slotte acht de voorzieningenrechter relevant dat niet in geschil is dat [gedaagde] een betalingsachterstand bij [eiseres] heeft. Partijen verschillen enkel van mening over de hoogte van deze achterstand. De voorzieningenrechter gaat hierbij voorbij aan het betoog van [gedaagde] dat hij de betaling heeft opgeschort omdat hij last heeft van geluidsoverlast op zijn kamer en de kamer geen of een slecht wifi-signaal heeft. [gedaagde] heeft immers zijn beroep op opschorting -wat daar ook van zij- op geen enkele wijze onderbouwd.

5.11.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat het gedrag van [gedaagde] overlast bij [eiseres] veroorzaakt en dat die overlast een structureel en ernstig karakter heeft. Dit betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat met een grote mate van waarschijnlijkheid in een bodemprocedure de ontbinding van de overeenkomst zal worden uitgesproken. De vordering tot ontruiming zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal eveneens worden toegewezen nu het belang van [eiseres] bij een spoedige ontruiming -mede gelet op voornoemde feiten en omstandigheden- zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de bestaande toestand totdat op een eventueel rechtsmiddel is beslist.

Vordering tot betaling geldsom

5.12.

Ten aanzien van de vordering van [eiseres] zoals hiervoor onder II. is geformuleerd overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar -kort gezegd- het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.13.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn in het onderhavige geval onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken om te kunnen concluderen dat [eiseres] bij haar vordering (thans) een spoedeisend belang heeft in de hiervoor bedoelde zin. Ter zitting heeft de heer [naam 3] hierover enkel verklaard dat het bedrag van ruim € 4.000,00 een substantiële betalingsachterstand is, maar dat [eiseres] beperkte last ondervindt van het feit dat zij thans niet over dat bedrag beschikt. Dat dit bedrag nodig is om [eiseres] te kunnen voortzetten, zoals ter zitting door mr. Ellenbroek is betoogd, acht de voorzieningenrechter zonder onderbouwing en gelet op voornoemde verklaring van de heer [naam 3] thans niet aannemelijk.

5.14.

Het voorgaande brengt mee dat reeds vanwege het ontbreken van voldoende spoedeisend belang niet is voldaan aan het strikte criterium als vermeld onder r.o. 5.12. voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

5.15.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten zowel in conventie als reconventie worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de leefgemeenschap [eiseres] , gevestigd te [adres] te hebben verlaten en de gebruikte kamer(s) aldaar te hebben ontruimd met al hetgeen van [gedaagde] is en ieder die eventueel bij [gedaagde] in de leefgemeenschap en/of de kamer(s) verbijft, onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking te stellen aan [eiseres] ;

6.2.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.5.

wijst de vorderingen af,

6.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017.1

1 type: coll: