Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3929

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
C/08/190894 / HA ZA 16-385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3:62 lid 2 BW, toe te rekenen schijn van bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5420
NTHR 2018, afl. 1, p. 55
INS-Updates.nl 2017-0327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : C/08/190894 / HA ZA 16-385

Vonnis van 11 oktober 2017

in de zaak van

Mr. Remco Johan Joustra q.q.,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Infra Totaal B.V.,

wonende en kantoorhoudende te Zwolle,

eiser,

hierna te noemen de curator,

advocaat: mr. R.J. Joustra te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Keytech personeelsdiensten B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Almelo,

gedaagde,

hierna te noemen Keytech,

advocaat: mr. R. Kroon te Almelo.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    Het tussenvonnis d.d. 22 februari 2017;

  • -

    Het proces-verbaal van het op 19 juni 2017 gehouden getuigenverhoor van [A] , [B] , [C] , [D] ;

  • -

    Het proces-verbaal van het op 20 juni 2017 gehouden getuigenverhoor van [E] , [F] en [G] ;

  • -

    De conclusie na enquête van de zijde van Keytech d.d. 19 juli 2017, tevens akte houdende in het geding brengen van producties;

  • -

    De conclusie na enquête van de zijde van de curator d.d. 16 augustus 2017, tevens akte houdende in het geding brengen van producties;

  • -

    De akte houdende uitlating producties d.d. 30 augustus 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling van het geschil

2.1.

In haar tussenvonnis d.d. 22 februari 2017 heeft de rechtbank de feiten, de vordering en de standpunten van partijen reeds weergegeven.

De rechtbank herhaalt thans dat als centrale vraag in het onderhavige geschil ten aanzien van het primair gevorderde, moet worden beantwoord of sprake is geweest van een overeenkomst tot verrekening tussen enerzijds Keytech, vertegenwoordigd door de heer [A] , en anderzijds ITP en ITA, volgens Keytech vertegenwoordigd door [F] , waarbij de vorderingen van Keytech op ITA zijn verrekend met de vorderingen van ITP op Keytech.

2.2.

Bij de beantwoording van deze vraag komt het erop aan of [F] , ingeval zijn rol in voornoemde overeenkomst is geweest conform het door Keytech gestelde, bevoegd was ITP en ITA te vertegenwoordigen, en zo niet, of sprake is geweest van een aan ITP en ITA toe te rekenen schijn van bevoegdheid, ontstaan op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde(n) komen en waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (artikel 3:62 lid 2 BW).

2.3.

Bij tussenvonnis van 22 februari 2017 heeft de rechtbank Keytech opgedragen te bewijzen dat:

I. sprake is geweest van een driepartijenovereenkomst tot verrekening tussen enerzijds Keytech, vertegenwoordigd door de heer [A] , en anderzijds ITP en ITA, beide vennootschappen vertegenwoordigd door [F] , waarbij de vorderingen van Keytech op ITA zijn verrekend met de vorderingen van ITP op Keytech

en, ingeval van onbevoegde vertegenwoordiging,

II. dat sprake is geweest van feiten en omstandigheden waaruit schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is afgeleid door Keytech, op grond van welke schijn zij heeft vertrouwd op bevoegdheid bij [F] tot vertegenwoordiging van ITP en ITA in het sluiten van de onder I. genoemde overeenkomst.

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat Keytech in deze opdracht is geslaagd en overweegt daartoe het volgende.

2.5.

Vooropgesteld zij dat tot op heden niet duidelijk is geworden hoe de onderlinge verhouding tussen de vennootschappen Infra Totaal, ITP en ITA moet worden geduid, welke onduidelijkheid niet in de laatste plaats blijkt uit het feit dat de curator in deze procedure optreedt namens Infra Totaal, terwijl de betwiste overeenkomst tot verrekening de verhouding ITA en ITP enerzijds en Keytech anderzijds betreft.

2.6.

Naast het feit dat de wijze van huisvesting van de verschillende vennootschappen, op het hetzelfde adres in een kantoorgebouw zonder (voor derden kenbare) onderscheiden afdelingen per vennootschap, louter bijdraagt aan dit diffuus te noemen beeld, is ook de wijze van vertegenwoordiging van de vennootschap zodanig te kwalificeren dat op zijn minst ruimte is voor toerekening van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van anderen dan de formele bestuurder [D] , aan de (afzonderlijke vennootschappen binnen de) IT-Groep.

2.7.

Uit de getuigenverklaringen is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat [D] slechts formeel bestuurder was van de verschillende vennootschappen. Hij oefende niet de feitelijke leiding uit. [D] : “[K]antoorwerk paste niet bij mij. (…) voor negentig procent werkte ik in de bouw voor ITA. Voor tien procent werkte ik o.a. voor ITP, maar heel veel hoefde ik daarvoor niet te doen. Het meeste werd daar al geregeld (…). [F] deed het commerciële werk. Hij was er het meest geschikt voor vanaf 2013 (…). [E] deed de boekhouding. (…) Maakte [F] daarbij ook de afspraken? Met de opdrachtgevers wel, maar hij hoort dat eerst aan mij te vertellen om een akkoord van mij te krijgen. Werkte het in de praktijk ook zo dat [F] voor elke afspraak eerst bij u kwam vragen om een akkoord? Daar heb ik mijn twijfels over. Kunnen we zeggen dat [F] de contactpersoon was tussen Keytech en de aan IT-groep verbonden bedrijven? Voor wat betreft het commerciële gedeelte wel, voor de boekhouding was dat [E] .”

2.8.

[F] antwoordde op de vraag wie binnen ITA en ITP de dagelijkse leiding had: “ [D] was de eigenaar en ik regelde de gang van zaken op de werkvloer.”

Uit zowel zijn eigen verklaring als die van [C] en [D] volgt dat [F] de commerciële activiteiten op zich nam, de contacten met opdrachtgevers voor ITA en ITP onderhield en afspraken maakte met derden. Hij had geregeld contact met Keytech over financiële zaken. [F] : “De verstandhouding tussen [E] en [A] was niet goed. Ik mocht dan naar de heer [A] toe om hem om een paar centjes te vragen. Van wie mocht of moest u daar naartoe? Van mezelf. De situatie was niet zo denderend bij ITA dus ik probeerde er alles aan te doen om het bedrijf in leven te houden. (…) Ik had wekelijks een soort Excel-bestandjes welke ik van de heer [E] meekreeg en die ik bij de heer [A] afgaf met de vraag of hij dit wilde betalen. (…) Dan stond er een specifiek bedrag bij wat wij wilden ontvangen. (…) [D]an maakte ik een aantekening en gaf ik het staatje weer terug aan de heer [E] . Wat voor soort aantekening? Soms werd er wel eens wat gestreept of “is al verrekend”, of “wordt nog verrekend”, maar dat kon ik niet nazien. Dat was voor de boekhouder. (…) [I]k probeerde het bedrijf te redden.”

2.9.

De feitelijke zeggenschap ten tijde van de in geschil zijnde verrekeningsafspraak lag naar het oordeel van de rechtbank aldus (mede) bij [F] . Wat betreft de in geschil zijnde verrekening kan – bij gebreke van een akkoord van de formeel bestuurder, [D] – op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden dan ook op zijn minst de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [F] worden toegerekend aan ITA en ITP. Met andere woorden, Keytech mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [F] bevoegd was namens ITA en ITP een overeenkomst tot verrekening aan te gaan met Keytech.

2.10.

Dat [A] helder zou hebben dat de IT-Groep uit verschillende vennootschappen bestond en [D] de statutair bevoegde persoon was bij de vennootschappen, kan er niet aan afdoen dat op grond van bovenomschreven feiten en omstandigheden naar objectieve maatstaven sprake is geweest van een zodanig dichte – feitelijke – verwevenheid tussen die vennootschappen onderling, dat daardoor sprake was van een aan ITA en ITP toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van anderen naast de formeel bestuurder, op grond van welke schijn ITA en ITP werden gebonden aan afspraken met derden.

2.11.

Dat de in geschil zijnde overeenkomst tot verrekening is aangegaan en uitgevoerd volgt naar het oordeel van de rechtbank – in adstructie op de verklaring van partij-getuige [A] – ten eerste uit het feit dat de verrekening in de boeken van ITP en ITA is verwerkt.

2.12.

Het door de curator aangedragen argument dat dit is gedaan om de positie van ITP in de boeken van ITP en ITA voorafgaand aan het faillissement van ITA te verfraaien, overtuigt niet, niet in de laatste plaats bezien in het licht van de verklaring van [D] dat hij, ter afwending van aansprakelijkstelling door de curator van [D] uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid, een vordering op Keytech heeft gecedeerd aan de curator in juli 2016. De rechtbank begrijpt dat dit betreft de akte van cessie d.d. 13 juli 2016 inzake de door ITP gestelde vordering op Keytech ten bedrage van € 100.244,50.

2.13.

Voorts is niet gebleken dat van de zijde van enige vennootschap binnen de IT-Groep is gepoogd deze vordering (alsnog) te innen. Het argument dat daartoe geen middelen beschikbaar waren, overtuigt reeds op zichzelf en te meer tegen de achtergrond van bovenstaande, allerminst.

2.14.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verweer van Keytech inhoudende dat de vordering van ITP op Keytech is voldaan door verrekening met vorderingen van Keytech op ITA, slaagt.

2.15.

Voor wat betreft het, eerst bij conclusie na enquête opgeworpen, subsidiaire verweer van de curator dat – gelet op het feit dat door Keytech geen andere staatjes zijn overgelegd waaruit een hoger verrekend bedrag kan blijken – slechts sprake kan zijn van verrekening tot een bedrag van € 68.170,52 en de vordering dus toewijsbaar zou zijn voor € 31.829,48, overweegt de rechtbank allereerst dat vorenbedoelde staatjes zijn ingebracht en opgevat als voorbeelden van de overzichten aan de hand waarvan de openstaande vorderingen werden besproken tussen [F] en [A] . Voorts is met het bestaan van een (verrekende) vordering op Keytech op een datum na juli 2014 niets gezegd over hetgeen er voor de datum van het betreffende staatje is verrekend.

2.16.

Het betreft het tussen partijen niet in geschil staande feit dat de verrekening in de boeken is verwerkt, de omstandigheid dat nimmer aantoonbaar is getracht de vordering te innen, als wel dat mede door [D] is verklaard over een vordering van ongeveer een ton, dat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam is komen vast te staan dat het door de curator gevorderde in zijn geheel reeds is verrekend. De staatjes zijn door de rechtbank zoals gezegd opgevat als voorbeelden, ter adstructie van de stelling dat [F] de stand van de vorderingen besprak met [A] en dat laatstgenoemde gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van eerstgenoemde aangaande financiële afspraken tussen ITA en ITP enerzijds, en Keytech anderzijds.

2.16.

De rechtbank concludeert aldus dat, nu Keytech is geslaagd in het bewijs dat de door de curator gestelde vordering reeds door verrekening is voldaan, de vordering van de curator wordt afgewezen, met veroordeling van de curator als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding.

7 De beslissing

De rechtbank:

Wijst af het gevorderde.

Veroordeelt de curator in de kosten van het geding, aan de zijde van Keytech begroot op € 1929,-- wegens verschotten en op € 7.105,-- (5 punten, tarief V) wegens salaris van haar advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 11 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.