Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3928

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
C/08/185084 / HA ZA 16-165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De redelijkheid en billijkheid en artikel 150 RV. Andere verdeling van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/185084 / HA ZA 16-165

Vonnis van 11 oktober 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STORK TECHNICAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STORK THERMEQ B.V.,

gevestigd te Hengelo,

eiseressen,

advocaat mr. J. Schulp te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J. Verhoeven te Alphen aan den Rijn,

2. de rechtspersoon naar het recht van Hong Kong RTSN LTD.,

gevestigd te Hengelo,

gedaagde,

advocaat mr. J. Verhoeven te Alphen aan den Rijn,

Eisers zullen verder gezamenlijk Stork worden genoemd, en gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagde 1] c.s..

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,
    - de akte wijziging van eis,

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek, tevens akte vermindering van eis,

  • -

    de conclusie van dupliek en

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende, door de ene partij gestelde en niet door de andere partij betwiste feiten. [gedaagde 1] was op arbeidsovereenkomst als bedrijfsdirecteur in dienst van Stork. Op 18 december 2015 heeft Stork [gedaagde 1] op staande voet ontslagen op grond van door Stork geconstateerde onregelmatigheden in de door [gedaagde 1] verrichte werkzaamheden.

2.2.

Stork heeft naar die onregelmatigheden een onderzoek ingesteld, waaruit is gebleken dat [gedaagde 1] , dan wel de door hem gecontroleerde vennootschap RTSN Ltd, tot een bedrag van € 49.250,- aan zgn. ‘kickbacks’ heeft ontvangen in verband met door Stork via [gedaagde 1] aan de Belgische vennootschap Verlicon opgedragen werkzaamheden, welke ‘kickbacks’ Verlicon ten onrechte had doorberekend aan Stork. [gedaagde 1] heeft dit erkend.

2.3.

Op grond van een in of omstreeks november 2016 tussen Stork en Verlicon gesloten overeenkomst heeft Verlicon (onder meer) dat bedrag aan Stork terugbetaald op
17 januari 2017.

2.4.

STS Energy China Limited (verder: STEC) is een vennootschap, die op grond van een door [gedaagde 1] namens Stork met STEC in oktober 2011 aangegane agentuurovereenkomst tussen 1 januari 2012 en 31 december 2015 heeft gefungeerd als handelsagent van Stork in China. In artikel 4.4 van dat contract heeft Stork zich jegens een derde partij, Hofung, verbonden tot betaling van een ‘Beëindigingsvergoeding’ van
€ 1.125.000,-, in termijnen te voldoen.

2.5.

Stork heeft vervolgens een gedeelte van € 775.000,- van die voor Hofung bestemde ‘Beëindigingsvergoeding’ overgemaakt aan STEC, en dus niet aan Hofung. Deze overmakingen geschiedden door middel van door [gedaagde 1] zelf namens Stork afgetekende (betaalbaar gestelde) facturen.

2.6.

[X] was bestuurder en grootaandeelhouder van STEC. Op 8 april 2013 heeft [X] aan [gedaagde 1] in een e-mail met het onderwerp ‘facturen STEC’ gevraagd ‘naar welke bankrekening die 60k moet worden overgeboekt’. De volgende dag,
9 april 2013, heeft [gedaagde 1] (via RTSN) van STEC een bedrag van € 60.000,- ontvangen.

2.7.

Op 2 mei 2013 heeft [gedaagde 1] door Stork een bedrag van € 187.500,- laten betalen aan STEC.

3 De vordering

3.1.

Stork vordert (na eisvermindering) veroordeling van [gedaagde 1] c.s. tot betaling van
€ 2.700,29 aan wettelijke rente met ingang van 18 januari 2017.

3.2.

Tevens vordert Stork betaling van het hiervoor in r.o. 2.6 genoemde bedrag van
€ 60.000,- op grond, dat sterke aanwijzingen bestaan dat [gedaagde 1] zich dit bedrag heeft laten betalen zonder dat daartegenover enige prestatie bestond.

3.3.

Stork heeft deze post van € 60.000,- verder toegelicht als volgt. Op 2 mei 2013, enkele weken nadat [gedaagde 1] op 9 april 2013 van STEC het bedrag van € 60.000,- had ontvangen, heeft [gedaagde 1] Stork € 187.500,- laten betalen aan STEC.

3.4.

Het ging bij laatstgenoemde betaling om een gedeelte van de hiervoor onder 2.4 genoemde ‘Beëindigingsvergoeding’, die ingevolge voormelde agentuurovereenkomst toekwam aan Hofung. In opdracht van [gedaagde 1] is dat bedrag door Stork echter niet aan Hofung overgemaakt, maar aan STEC.

3.5.

Volgens Stork bestaat er kennelijk verband tussen de twee betalingen van respectievelijk 9 april 2013 en 2 mei 2013, ook uit het hiervoor al geciteerde e-mailbericht van STEC-bestuurder [X] aan [gedaagde 1] , en uit een e-mailbericht van [X] aan [A] , een financieel administrateur) met de volgende inhoud:
“ [A] , graag heden zoals besproken 60.000 euro overmaken naar deze rekening tlv STEC, vooruitlopend op facturen aan STS en betaling daarvan.”

3.6.

Op grond van het voorgaande stelt Stork dat [gedaagde 1] c.s. jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld doordat [gedaagde 1] via RTSN € 60.000,- heeft ontvangen, in ruil voor het bewerkstelligen van een betaling door Stork van € 187.500,- aan STEC, waarbij alles er op wijst dat het hier gaat om een deel van de met Hofung overeengekomen ‘Beëindigingsvergoeding’.

3.7.

[gedaagde 1] heeft aldus € 60.000,- ontvangen zonder dat daartegenover enige prestatie stond, afgezien van de uitbetaling van € 187.500,- aan STEC. In ieder geval had [gedaagde 1] wegens zijn arbeidsrelatie met Stork geen betalingen van STEC mogen aannemen. Het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] kan ook worden toegerekend aan RTSN.

3.8.

Tenslotte vordert Stork € 100.262,01 op grond van artikel 6:96 lid 1 sub b BW. Het gaat hier om de kosten die Stork stelt te hebben gemaakt voor het in haar opdracht door een extern bureau uitgevoerde onderzoek naar de door Stork geconstateerde onregelmatigheden in de werkzaamheden van [gedaagde 1] .

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde 1] heeft de (verminderde) vordering betwist op de volgende gronden.

4.2.

De gevorderde wettelijke rente ad € 2.700,29 is niet voor toewijzing vatbaar, omdat daarvoor geen rechtsgrond bestaat. De gevorderde rente heeft kennelijk betrekking op (kort gezegd) de ‘kickbacks’ tot een bedrag van € 51.000,-. Dat bedrag is echter onjuist; het desbetreffende schadebedrag is slechts € 49.250,-. Het rentebedrag moet daarom in ieder geval worden verminderd met € 144,98.

4.3.

Voor toewijzing van enig bedrag aan wettelijke rente bestaat echter geen rechtsgrond. Stork heeft over het schadebedrag van € 51.000,-, althans € 49.250,-, een regeling getroffen met Verlicon, die laatstgenoemde som ook heeft betaald, zoals ook blijkt uit het feit dat eisers hun tegen [gedaagde 1] c.s. ingestelde vordering tot betaling van het bedrag van € 51.000,- hebben verminderd tot nihil. Er is daarom ook geen rechtsgrond meer voor veroordeling van [gedaagde 1] c.s. tot betaling van wettelijke rente.

4.4.

De eis tot betaling van € 60.000,- is niet volgens de wettelijke eisen onderbouwd. Stork komt niet verder dan de stelling dat er ‘sterke aanwijzingen’ zijn dat [gedaagde 1] zich zonder contraprestatie heeft laten betalen door STEC. De bewijslast van de stelling, dat de betaling van € 60.000,- aan [gedaagde 1] c.s. onrechtmatig was jegens Stork, rust geheel op Stork. Van onrechtmatigheid was geen sprake. Stork had een aantal deelbetalingen aan Hofung per abuis overgemaakt naar STEC in plaats van naar Hofung. Dat moest worden rechtgezet, omdat moest worden voorkomen dat Stork alsnog door Hofung tot betaling zou worden aangesproken. STEC was bereid om Stork daarvoor te vrijwaren en dit is vervolgens vastgelegd in een vrijwaringsovereenkomst.

4.5.

De ontvangst van het bedrag van € 60.000,- geschiedde krachtens een persoonlijke lening. [gedaagde 1] heeft dit bedrag aangevuld met € 40.000,- uit eigen middelen, en het totale bedrag geïnvesteerd in de horecaonderneming ‘Yoca’s’ in Hengelo. [gedaagde 1] biedt bewijs aan van zijn stelling dat hij de € 60.000,- van STEC heeft geleend.

4.6.

De gevorderde onderzoekskosten zijn ten onrechte niet gespecificeerd en de hoogte daarvan staat niet in een redelijke verhouding tot de gevorderde hoofdsom van € 60.000,-, en ook niet tot de door [gedaagde 1] erkende kickbacks van € 49.250,-. Het door Stork opgedragen onderzoek had bovendien een veel breder gebied dan alleen de kickbacks en de ontvangen betaling van € 60.000,-. Er is ook onderzoek gedaan naar (1) een overeenkomst met Ener-Core, (2) het belang van [gedaagde 1] in IGTS en (3) het belang van [gedaagde 1] in STEC. Verder is onderzoek gedaan naar (4) mogelijke betrokkenheid van [gedaagde 1] bij een overtreding van de sanctiewetgeving, waarbij werd gedoeld op een beweerdelijke verkoop van een gasturbine aan een koper in Iran.

4.7.

Echter: geen van die vier onderwerpen zijn onderwerp (geweest) in de onderhavige procedure. Daarom bestaat geen causaal verband tussen de daaraan bestede onderzoeksinspanningen en de in dit geding eventueel toe te wijzen schadebedragen. Stork heeft nog aangevoerd dat de onderzoekskosten onnodig hoog zijn opgelopen omdat [gedaagde 1] niet of onvoldoende aan dat onderzoek heeft meegewerkt, bijvoorbeeld door te weigeren om toegang te verlenen tot de informatie in de hem door Stork als zijn werkgever beschikbaar gestelde iPhone. Dat argument snijdt echter geen hout, omdat de discussie over de gegevens in de bedrijfs-iPhone pas na de dagvaarding ontstond.

5 De beoordeling

5.1.

Het gevorderde bedrag aan wettelijke rente is te hoog, omdat dit is berekend op basis van een te hoog bedrag, namelijk € 51.000,-. [gedaagde 1] c.s. heeft de schade betreffende de kickbacks slechts erkend tot een bedrag van € 49.250,- zodat slechts, zoals [gedaagde 1] terecht heeft aangevoerd, € 2.555,31 kan worden toegewezen.
5.2. De rechtsgrond voor toewijzing van dat bedrag is de erkenning door [gedaagde 1] van de mede door zijn toedoen onrechtmatig door hem ontvangen kickbacks tot een bedrag van
€ 49.250,-. Vertraging in de terugbetaling van die vergoeding komt daarom (ook) voor zijn rekening. Dat ook Verlicon voor die rente aansprakelijk is doet niet terzake.

5.3.

Ingevolge artikel 150 Rv. rust in beginsel op Stork de bewijslast van haar stelling, dat [gedaagde 1] , door onder de gegeven omstandigheden van STEC het bedrag van
€ 60.000,- aan te nemen, jegens Stork onrechtmatig heeft gehandeld. Stork heeft dat bewijs nog niet, althans niet volledig geleverd (zelf spreekt zij in dit verband slechts van ‘sterke aanwijzingen’), zodat in beginsel een bewijsopdracht aan Stork voor de hand ligt.

5.4.

In dit geval vloeit echter uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voort. Aan de hiervoor in de rechtsoverwegingen 2.4 tot en met 2.7 als vaststaand aangenomen feiten ontleent de rechtbank het vermoeden dat [gedaagde 1] c.s. inderdaad, zoals Stork heeft gesteld, met het in ontvangst nemen van de onderhavige betaling onrechtmatig jegens Stork heeft gehandeld.

5.5.

De rechtbank neemt daarbij met name in aanmerking dat, gezien die feiten, zeer aannemelijk lijkt dat, zoals Stork ook heeft benadrukt, er verband bestaat tussen de betaling aan [gedaagde 1] (via RTSN) van € 60.000,- door STEC op 9 april 2013 en de door (onder meer) [gedaagde 1] afgetekende betaling door Stork aan STEC van € 187.500,- op 2 mei 2013.

5.6.

Dat hier sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde 1] jegens Stork lijkt des te meer aannemelijk, omdat anders niet te verklaren valt hoe hij het met zijn functie van bedrijfsdirecteur in dienst van Stork te goeder trouw kon verenigen om persoonlijk een fors bedrag aan te nemen van een zakelijke contractspartij (STEC) van zijn werkgever.

5.7.

Voormeld vermoeden wordt bepaald niet ontzenuwd door de niet of nauwelijks onderbouwde en niet gedocumenteerde stelling van [gedaagde 1] , dat hij het geld van [X] dan wel STEC heeft geleend. De inhoud en de strekking van de e-mailberichten van [X] over deze betaling (r.o. 2.6 en 3.5) bieden voor die stelling geen enkele steun.

5.8.

Evenmin heeft [gedaagde 1] uitgelegd waarom [X] hem een dergelijk bedrag persoonlijk zou willen lenen, en hoe STEC het verstrekken van die lening in haar boekhouding heeft verwerkt. Ook heeft [gedaagde 1] niet toegelicht waarom die persoonlijke lening werd betaald aan RTSN en dus niet aan [gedaagde 1] zelf, en hoe deze lening is verwerkt in de administratie van RTSN. Ook ontbreekt iedere toelichting op (het ontbreken van) gebruikelijke leningsvoorwaarden, zoals rentebetaling en aflossing.

5.9.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank [gedaagde 1] c.s. belasten met bewijslevering zoals hieronder vermeld. Over de hoogte van de toe te wijzen vergoeding wegens onderzoekskosten zal de rechtbank beslissen na beoordeling van het te leveren bewijs, omdat de hoogte van het toewijsbare bedrag aan onderzoekskosten afhankelijk is van de toewijsbaarheid van de gevorderde hoofdsom.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1.

draagt [gedaagde 1] c.s. op te bewijzen, dat het door [gedaagde 1] in april 2013 ontvangen bedrag van € 60.000,- via RTSN aan hem is betaald uit hoofde van een hem door STEC verstrekte persoonlijke lening,

6.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 oktober 2017 voor uitlating over bewijslevering door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

6.3.

bepaalt dat indien [gedaagde 1] c.s. geen bewijs door getuigen wenst te leveren maar wel bewijstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding dient te brengen,

6.4.

bepaalt dat [gedaagde 1] c.s., indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november en december 2017 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

6.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting in het gerechtsgebouw te Almelo aan Egbert Gorterstraat 5,

6.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek en in het openbaar uitgesproken op

11 oktober 2017