Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3899

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
08/760050-17 (P) (08/210197-16 t.t.z. gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 27-jarige man tot een gevangenisstraf van 5 jaar voor poging tot doodslag, mishandeling en bedreiging. Daarnaast moet de man een bedrag van 2925 euro aan schadevergoeding aan zijn slachtoffers betalen. In april van dit jaar steekt de man op een parkeerplaats bij een tankstation in Enschede een man met een mes neer nadat deze weigert te betalen voor een afgesproken hoeveelheid te leveren cocaïne. De man liep hierdoor een twee centimeter diepe wond in zijn hals op. In een winkelcentrum in Enschede bedreigt de man vervolgens een tweede slachtoffer, omdat deze op de auto van de man heeft gespuugd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/760050-17 (P) (08/210197-16 t.t.z. gevoegd)

Datum vonnis: 17 oktober 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1990 in [geboorteplaats 1] ( [land 1] ),

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in PI Overijssel, HvB Karelskamp, Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. van der Werff en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

08/760050-17: heeft geprobeerd, al dan niet met voorbedachten rade, de heer [slachtoffer 1] van het leven te beroven dan wel hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

08/210197-16:

feit 1: de heer [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

feit 2: de heer [slachtoffer 2] heeft bedreigd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

08/760050-17

hij op of omstreeks 3 april 2017 te Enschede

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1]

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

van het leven te beroven,

-die [slachtoffer 1] (pardoes en/of onverhoeds) (met kracht) met een mes, althans

een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, in de

hals ((na)bij de halsslagader) heeft gestoken/gesneden/geprikt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 3 april 2017 te Enschede

aan [slachtoffer 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) snijwond (van ongeveer 6 tot 8

centimeter) in de hals(streek), heeft toegebracht door

-die [slachtoffer 1] (pardoes en/of onverhoeds) (met kracht) met een mes, althans

een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, in de

hals ((na)bij de halsslagader) te steken/snijden/prikken;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 3 april 2017 te Enschede

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

-die [slachtoffer 1] (pardoes en/of onverhoeds) (met kracht) met een mes, althans

een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, in de

hals ((na)hij de halsslagader) heeft gestoken/gesneden/geprikt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

08/210297-16

1.

hij op of omstreeks 22 juli 2016 te Enschede

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (met kracht) in/op/tegen

het gezicht en/of het hoofd te slaan en/of te stompen;

2.

hij op of omstreeks 22 juli 2016 te Enschede

[slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden

toegevoegd :“Je gaat nu mijn auto schoonmaken, anders pak ik mijn

ploertendoder uit de auto en sla ik je helemaal kapot”, althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het tenlastegelegde onder parketnummer 08/760050-17

4.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk met een mes [slachtoffer 1] heeft gestoken en daarmee ook het opzet op de dood van [slachtoffer 1] had, nu de hals een kwetsbare plek is. Het primair tenlastegelegde kan aldus op grond van de aangifte, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en het letselinterpretatierapport wettig en overtuigend worden bewezen. Van voorbedachte rade is volgens de officier van justitie geen sprake, zodat verdachte van dit bestanddeel dient te worden vrijgesproken.

4.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte nooit de (voorwaardelijke) opzet had om [slachtoffer 1] met het mes te raken, maar enkel de intentie had om hem te slaan. Dit blijkt uit de verklaring van verdachte, het letselinterpretatierapport, de verklaring van getuige [getuige 3] en de verklaring van getuige [getuige 2] . Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat indien wel voorwaardelijk opzet wordt aangenomen dit ook tot een vrijspraak van het primair tenlastegelegde dient te leiden, nu in het letselinterpretatie rapport staat dat het gaat om een snijwond en niet om een steekwond. De raadsman heeft gesteld dat er geen sprake kan zijn van een levensbedreigende situatie in het geval van een snijwond. Dit zou dan mogelijk een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde opleveren.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Op 3 april 2017 omstreeks 15.55 uur zat de heer [slachtoffer 1] bij verdachte in de auto op de parkeerplaats bij tankstation Deppenbroek, gevestigd aan de IJsselstraat te Enschede. Verdachte zat op de bestuurdersstoel en [slachtoffer 1] zat op de bijrijder stoel. Deze ontmoeting vond plaats, omdat [slachtoffer 1] cocaïne van verdachte wilde kopen. Na onenigheid over de betaling van de cocaïne pakte [slachtoffer 1] cocaïne uit de middenconsole van de auto, waarna hij uitstapte zonder voor de cocaïne te betalen. Direct daarop stapte ook verdachte uit zijn auto en liep om de auto naar [slachtoffer 1] . Na een korte woordenwisseling liep verdachte terug naar de bestuurderskant van zijn auto en pakte uit het portier een mes. Vervolgens is hij met het mes in zijn hand teruggerend, om de auto, naar de plek waar [slachtoffer 1] nog stond. Toen verdachte weer voor [slachtoffer 1] stond, heeft hij hem geslagen in de richting van de hals met het mes in zijn hand. [slachtoffer 1] ging hierdoor naar de grond en bleef daar liggen. [slachtoffer 1] heeft hierdoor een twee centimeter diepe wond in zijn hals opgelopen.

De vraag die voorligt is of uit het handelen van verdachte op de wijze zoals hiervoor is vastgesteld, kan worden afgeleid dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer 1] zou doden.

Verdachte heeft verklaard dat hij het mes vasthield met het lemmet naar zichzelf gericht. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is, gelet op de letselrapportage en de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .

Verdachte heeft door met een mes in zijn hand [slachtoffer 1] te slaan, in de richting van diens hals, zich naar het oordeel van de rechtbank bewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij die [slachtoffer 1] met dat mes zou kunnen doden. De rechtbank is anders dan de raadsman van oordeel dat een snijdende beweging onder genoemde omstandigheden wel degelijk een levensbedreigende situatie kan opleveren. Het risico heeft zich in zoverre daadwerkelijk verwezenlijkt dat [slachtoffer 1] een twee centimeter diepe wond in zijn hals heeft. Verdachte had bijvoorbeeld de halsslagader kunnen raken. Dat [slachtoffer 1] in dit geval nog leeft berust op toeval en is niet aan het gedrag van verdachte te danken.

De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, zodat zij hem van dit bestanddeel zal vrijspreken.

4.2

Het tenlastegelegde onder parketnummer 08/210197-16

4.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde op grond van de aangifte en de verklaringen van getuigen [getuige 4] en [getuige 5] wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten op basis van het dossier wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van bewijsmiddelen, zoals in de bijlage vermeld.

Feit 2

De rechtbank acht op grond van de aangifte van [slachtoffer 2] , de verklaringen van getuigen [getuige 4] en [getuige 5] eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

08/760050-17 primair

hij op 3 april 2017 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met kracht met een mes in de hals heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

08/210297-16

1.

hij op 22 juli 2016 te Enschede [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met kracht in het gezicht te stompen;

2.

hij op 22 juli 2016 te Enschede [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :“Je gaat nu mijn auto schoonmaken, anders pak ik mijn

ploertendoder uit de auto en sla ik je helemaal kapot”.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

08/760050-17 primair

het misdrijf: poging tot doodslag;

08/210197-16

feit 1

het misdrijf: mishandeling;

feit 2

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht de strafeis van de officier van justitie disproportioneel en heeft de rechtbank verzocht om, indien zij tot een bewezenverklaring komt, een gevangenisstraf gelijk aan de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat daarnaast nog een taakstraf of een voorwaardelijk strafdeel met een reclasseringstoezicht kan worden opgelegd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich op klaarlichte dag in een winkelcentrum schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Er was sprake van een conflict tussen verdachte en [slachtoffer 1] , omdat die laatste cocaïne had meegenomen zonder daarvoor te betalen. Tijdens dit conflict heeft verdachte een mes uit zijn auto gepakt, waarna hij terug is gerend naar [slachtoffer 1] en hij die [slachtoffer 1] heeft geprobeerd om het leven te brengen. Dit dient verdachte ernstig te worden aangerekend. Dat [slachtoffer 1] niet het leven heeft gelaten is niet de verdienste van verdachte geweest. Daarnaast heeft verdachte zich op een ander moment schuldig gemaakt aan een bedreiging en een mishandeling van [slachtoffer 2] , omdat die [slachtoffer 2] op de auto van verdachte had gespuugd. Verdachte heeft tijdens beide incidenten buitensporig agressief en gewelddadig gehandeld. Feiten als de onderhavige dragen in hoge mate bij aan in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid en hebben voor de slachtoffers ervan ingrijpende gevolgen, hetgeen ook blijkt uit de door [slachtoffer 1] ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring.

Op het plegen van dergelijke feiten kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

De rechtbank heeft – in strafverzwarende zin – acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 7 juni 2017. Hieruit blijkt dat verdachte eerder ter zake geweldsmisdrijven is veroordeeld tot een langdurige vrijheidsstraf.

Wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 3 juli 2017, opgemaakt en ondertekend door dhr. [naam] , reclasseringswerker. Uit dit rapport komt naar voren dat verdachte over voldoende sociale vaardigheden, en naar het lijkt ook over de intellectuele mogelijkheden, beschikt om een constructief bestaan op te kunnen bouwen. Dit lijkt telkens niet te lukken, omdat hij verkeerde keuzes maakt, impulsief is en niet nadenkt over de consequenties van zijn acties. In 2015 is door het NIFP geconstateerd dat er bij verdachte geen sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogenens, maar wel van antisociale- en narcistische trekken. Gelet op de houding van verdachte moet er rekening mee worden gehouden dat hij in gesprekken vooral sociaal wenselijke antwoorden geeft. Het recidiverisico wordt ingeschat als matig tot hoog indien hij geen begeleiding krijgt tijdens en/of na detentie. De reclassering adviseert geen toezicht, gelet op het verleden waarin een toezicht werd geretourneerd en de sociaal wenselijke houding van verdachte. De reclassering ziet wel mogelijkheden om tijdens een detentietraject en/of gedurende een vi-periode aan resocialisatie te werken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is en dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar dient te worden opgelegd.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft ter zitting gesteld dat er nog beslag rust op een trui en broek van verdachte. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende vermelde trui en broek, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De schade van benadeelden

8.1.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij in de zaak met parketnummer 08/760050-17 gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.465,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- jas € 79,95;

- spijkerblouse € 69,95;

- T-shirt € 29,95;

- broek € 69,95;

- eigen risico € 296,08;

- huishoudelijke hulp € 520,--.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1.400,-- gevorderd.

8.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.1.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat er sprake is van eigen schuld bij [slachtoffer 1] en subsidiair refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.1.4 Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De onder de post “huishoudelijke hulp” opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De overige opgevoerde materiële schadeposten zijn onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde aan materiële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 545,88, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank overweegt dat gelet op de aard en de ernst van de lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer een vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is. De immateriële schade is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld kan worden op € 1.400,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.1.5 De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

8.2.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij in de zaak met parketnummer 08/210297-16 gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.229,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- plastic bitjes € 251,56;

- verlies aan inkomen € 228,16.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 750,-- gevorderd.

8.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de materiële schade voor wat betreft de “plastic bitjes” niet kan worden toegewezen nu uit het dossier niet volgt dat de schade aan de bitjes door de mishandeling is ontstaan. De materiële schade voor wat betreft het “verlies van inkomen” kan worden toegewezen. De officier van justitie heeft voorts gesteld dat een bedrag van € 500,-- redelijk is om aan immateriële schade toe te wijzen.

8.2.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen inhoudelijk standpunt ingenomen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.4 Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De opgevoerde schadepost “verlies van inkomen” en de immateriële schade zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde voor verlies van inkomen daarom toewijzen tot een bedrag van € 228,16, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de lichamelijke gevolgen voor [slachtoffer 2] , de omvang van de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld kan worden op € 750,--.

De onder de post “plastic bitjes” opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.2.5 De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde onder parketnummer 08/760050-17 en feit 1 en feit 2 tenlastegelegd onder parketnummer 08/210297-16 heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 08/760050-17 primair en onder parketnummer 08/210297-16 feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

08/760050-17 primair

het misdrijf: poging tot doodslag;

08/210197-16

feit 1

het misdrijf: mishandeling;

feit 2

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair onder parketnummer 08/760050-17 en feit 1 en feit 2 onder parketnummer 08/210197-16 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.945,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 april 2017;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.945,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 april 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 29 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 1] , voor een deel van € 520,-- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 978,16 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2016;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 978,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 19 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2] , voor een deel van € 261,56 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van een trui en een broek aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. E.J.M. Bos en mr. A.M. den Dulk, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

Buiten staat

Mr. Den Dulk is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

parketnummer 08/760050-17

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer [nummer 1] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 4 april 2017, pagina’s 32 en 33, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik doe aangifte van poging doodslag dan wel zware mishandeling. Ik heb aan niemand het recht of de toestemming gegeven om mij met een mes te steken of met dat mes te snijden. Op dinsdag 4 april 2017 omstreeks 13:00 uur werd ik gebeld door mijn dealer, omdat hij drugs wilde verkopen. Wij hebben toen een afspraak gemaakt bij Tankstation Deppenbroek in Enschede. Ik ben van de fiets gestapt en naar de Golf van hem gelopen en aan de passagierskant ingestapt. We hebben toen even gepraat. Ik wilde een zakje cocaïne bij hem kopen. Dat lag in de middenconsole. Ik heb gezegd: “ik heb even niets, ik betaal woensdag”. Ik koop niet vaker iets op de pof bij hem. Ik wilde toen een zakje pakken maar pakte kennelijk twee zakjes uit de middenconsole. Hij werd boos omdat ik twee zakjes pakte wat ik niet in de gaten had. Ik had die zakjes in mijn jaszak gestopt. Hij had het idee dat ik hem wilde naaien. Toen stapte hij uit. Wij zijn toen naar elkaar toegelopen en stonden ongeveer tegenover elkaar met onze hoofden vlak voor elkaar. Het werd toen een beetje grimmig. Ik zag dat hij naar zijn auto liep, naar de bestuurderskant. Hij deed de deur open en pakte iets uit zijn auto. Volgens mij pakte hij iets uit de deur van zijn auto. Het volgende moment weet ik eigenlijk niets meer.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 7 april 2017, pagina 56, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant:

Op dinsdag 4 april 2017 is van onderstaande aangever een aangifte opgenomen. Bij deze aangifte staat abusievelijk tot twee keer toe vermeld dat aangever op dinsdag 4 april door de dealer werd gebeld. Echter werd deze dag en datum niet goed in de aangifte vermeld. De dealer belde aangever namelijk op maandag 3 april 2017 te 13:00 uur en niet op dinsdag 4 april zoals in de aangifte vermeld staat.

Aangever: [slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum 2] 1986 te [geboorteplaats 2] in [land 2] .

3.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 3 april 2017, pagina 67, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

Vanmiddag 3 april 2017, omstreeks 16:00 uur was ik klaar met mijn stage bij de Albert Heijn aan de Rijnstraat in Enschede. Ik zag dat er op de parkeerplaats twee mannen ruzie hadden met elkaar. De mannen stonden op de parkeerplaats aan de kant van het tankstation. Ik denk dat ik ongeveer vier meter van de twee mannen stond. Door de houding en stem kon ik zien dat er ruzie was. De man die later met het mes stak was boos en maakte zich breed. Ik hoorde dat deze man iets zei van: “jij gaat zien, jij gaat zien wat er gaat gebeuren”. Ondertussen liep deze man naar de auto. De man liep naar zijn auto, deed de deur open en pakte iets. De auto stond geparkeerd met de voorzijde richting de IJsselstraat, dus de man moest om de auto lopen om de deur van de auto te openen. Hij pakte kennelijk iets uit zijn auto. Hij liep weer terug naar het latere slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer achteruit liep. Ik zag dat de dader uithaalde met zijn arm. Ik weet niet welke arm, maar ik dacht dat hij ging slaan. Ik zag toen achter dat hij een mes in zijn handen had en deze stak in de keel van het slachtoffer. Het slachtoffer lag meteen op de grond.

4.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 7 april 2017, pagina’s 75 en 76, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

Ik ben getuige geweest van een steekpartij afgelopen maandagmiddag 3 april 2017 bij het winkelcentrum Deppenbroek in Enschede. [getuige 2] zag dat er twee mannen ruzie hadden. Ik zag het ook toen hij dat zei. We stopten om te kijken naar wat er gebeurde. Ik zag twee buitenlandse mannen, wat oudere mannen, degene die neergestoken werd, was ouder dan degene die stak. Ze stonden allebei nog overeind, ze stonden heel dicht bij elkaar en ze waren een beetje aan het worstelen en trekken. Er was ook een auto bij. Deze hoorde bij de man die de andere man neerstak. De auto stond gewoon naast de mannen. Ik zag dat de man die neergestoken werd, iets naar achteren liep en hierna liep de man die heeft gestoken naar zijn auto. Hij pakte iets uit de auto, aan de kant van de bestuurder, in de deur. Ik heb niet meteen gezien wat het was, hij liep meteen weer naar de man toe op een snelle manier. Ik zag dat hij een slaande beweging maakte met zijn rechterhand naar de andere man. Ik dacht eerst dat hij alleen sloeg. De klap kwam in de nek terecht van het slachtoffer. Ik zag dat de man die neergeslagen was op de grond viel. Ik liep ernaartoe, omdat ik dacht dat hij de man had neergeslagen. Ik zag toen dat de man die op de grond lag hevig bloedde, er spoot bloed uit zijn nek. Ik zag ook dat de andere man, die gestoken had, in zijn rechterhand een mes vasthad. Er kwam van dat mes nog bloed af. Ik zag dat het een scherp mes was, met één scherpe rand, het metalen gedeelte was ongeveer zo groot als deze pen. (opmerking: de pen die op tafel ligt is ongeveer twintig centimeter)

5.

Het geschrift, te weten de letselrapportage van drs. A.A. van der Spaa, forensische arts, werkzaam bij GGD Twente, betreffende letselbeschrijving van [slachtoffer 1] , van 6 juli 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Lichaamsdeel: hals

Beschrijving: Aan de linkerzijde van de hals, halverwege tussen sleutelbeen en onderkaak bevindt zich een gehechte scherpe verwonding, vanaf de voorste middellijn gemeten 4,5 cm. Schuin omhoog in een helling van 30 graden en vervolgens 2 cm. Naar beneden, ook in een helling van 30 graden.

Interpretatie: in dit gebied van de hals lopen belangrijke bloedvaten en zenuwen. Indien de snede dieper was doorgedrongen in de hals, dan was het zeer goed mogelijk geweest dat structuren als de halsslagader, de halsader en/ of de zenuw die naar de stemband verloopt doorgesneden of beschadigd waren. Dit zou in principe, door heftige bloeding, tot een levensbedreigende situatie hebben kunnen geleid, waarbij medisch ingrijpen op korte termijn noodzakelijk zou zijn om het leven te redden.

Soort: snijwond.

Het geconstateerde letsel kan goed passen bij de door de onderzochte persoon aangegeven toedracht.

parketnummer 08/210197-16

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer [nummer 2] Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1

  1. het proces-verbaal ter terechtzitting van 3 oktober 2017 met de bekennende verklaring van verdachte;

  2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 25 juli 2016, pagina’s 3 en 4

Feit 2

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 25 juli 2016, pagina’s 3 en 4, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik doe aangifte van mishandeling en bedreiging tegen mij gepleegd. Deze mishandeling is bij de ingang van het winkelcentrum Stroinkslanden aan de Veldhoflanden gepleegd. Op vrijdag 22 juli 2016 omstreeks 20:15 uur ben ik samen met mijn zusje [getuige 4] en mijn vriendin [getuige 5] naar het winkelcentrum Stroinkslanden gegaan. Toen wij allen uit de auto stapten kwam er een grijze Volkswagen Golf aanrijden. Ik hoorde dat er gefloten werd uit de auto en ik zag de inzittenden van de Volkswagen Golf naar mijn zusje [getuige 4] kijken. Ook hoorde ik dat de inzittenden van de Volkswagen Golf aan het schreeuwen waren. We liepen in de richting van het winkelcentrum en wilden naar de Albert Heijn toe. Toen de Volkswagen Golf ons passeerde heb ik in een opwelling richting de auto gespuugd, richting de achterzijde. Wij hebben vervolgens ijs gekocht bij de Albert Heijn en toen wij naar buiten kwamen zag ik de bestuurder van de Volkswagen Golf bij de ingang van het winkelcentrum staan. De jongen kwam dreigend op mij af, ik bedoel hiermee dat hij gebalde vuisten had en hij kwam breed op mij aflopen. Ik zag dus dat de jongen dreigend op mij af kwam lopen en ik hoorde dat hij mij aansprak met de woorden: “Je gaat nu me auto schoonmaken, anders pak ik mijn ploertendoder uit de auto en sla ik je helemaal kapot”.

2.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] van 27 juli 2016, pagina’s 15 en 16, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

Ik zat op vrijdag 22 juli 2016 omstreeks 20:15 uur samen met mijn vriend [slachtoffer 2] en zijn zus [getuige 4] in de auto. Wij parkeerden de auto op de parkeerplaats van het winkelcentrum Stroinkslanden aan de zijde van de apotheek. Wij stapten uit en liepen richting de toegangsdeur van het winkelcentrum om ijsjes te halen bij Albert Heijn. [getuige 4] liep voorop en ik zag dat ons een grijze Volkswagen Golf passeerde. Ik zag dat in de auto vijf jonge mannen zaten. Ik zag dat deze auto langzamer ging rijden vlak naast [getuige 4] en ik hoorde dat er rare geluiden uit de auto kwamen. Ook hoorde ik dat er werd gefloten vanuit de auto, ik zag dat de portierramen van de auto open stonden. Ik zag dat de mannen allen naar [getuige 4] keken toen de auto haar passeerde. Ik zag dat [slachtoffer 2] spuugde in de richting van de auto. Wij hebben ijsjes gehaald bij Albert Heijn en toen wij de kassa waren gepasseerd zag ik dat de bestuurder op de inpaktafel zat. Voor de toegangsdeur werden wij tegengehouden door de bestuurder en ik hoorde dat hij tegen [slachtoffer 2] zei: “jij gaat nu mijn auto schoonmaken anders kom je in de problemen, ik haal mijn ploertendoder en ik sla je helemaal kapot”. Ik hoorde dat de man meerdere malen zei dat hij zijn ploertendoder zou ophalen.

3.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] van 27 juli 2016, pagina’s 12 en 13, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

Toen wij bij de toegangsdeur kwamen van het winkelcentrum zag ik dat de andere

jongens uit de auto buiten de toegangsdeur stonden te wachten.

Op dat moment werden wij tegengehouden door de bestuurder van de auto en ik hoorde

dat hij tegen [slachtoffer 2] zei dat [slachtoffer 2] de auto moest schoonmaken en anders kwam hij met een

ploertendoder en taser eraan.