Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3846

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
C/08/195261 / HA ZA 16-543
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2:343 BW en artikel 997a Rv. Door samenstel van factoren is eiser als minderheidsaandeelhouder in zijn belang geschaad door de gedragingen van gedaagde als meerderheidsaandeelhouder. Eiser is als minderheidsaandeelhouder in een onderneming met slechts twee aandeelhouders, waarbij de andere aandeelhouder de bestuurder is en waarin hij niet meer werkzaam is, terwijl de andere aandeelhouder door zijn positie de facto eigenmachtig kan beslissen, in een benarde positie als aandeelhouder komen te verkeren. De uitweg die artikel 2: 343 BW onder omstandigheden alsdan aan eiser biedt is, naar de rechtbank oordeelt, op juiste wijze door hem gezocht. Gedaagde is dan ook gehouden om het aandelenpakket van eiser over te nemen. Beroep op artikel 997a Rv afgewezen , omdat niet betekenen aan de vennootschap in casu niet tot consequenties leidt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/195261 / HA ZA 16-543

Vonnis van 27 september 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen [eiser] ,

advocaat: mr. A. Hurenkamp te Enschede,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen [gedaagde] ,

advocaat: mr. J.M. Eringa te Enschede.

1 De procedure

De procesgang blijkt uit de navolgende processtukken:

• de inleidende dagvaarding met producties van 5 december 2016;

• de conclusie van antwoord met producties;

• de conclusie van repliek;

• de conclusie van dupliek.

Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. Het vonnis wordt per heden uitgesproken.

2 De feiten en standpunten van partijen

2.1

[eiser] is op 18 september 2000 als assurantie-adviseur in loondienst getreden bij [A] BV, een onderneming die adviseert en bemiddelt in hypotheken, kredieten en verzekeringen. De onderneming werd in 1996 opgericht door [gedaagde] . Indirect via zijn persoonlijke holding [gedaagde] was hij directeur en enig aandeelhouder van [A] .

2.2

Blijkens notariële akte van 27 januari 2005 heeft [eiser] voor een koopsom van
€ 73.500,- van [gedaagde] gekocht een belang van 30% (van de aandelen) in [A] BV. Na deze transactie behield [gedaagde] derhalve een 70% belang, terwijl zij tevens enig directeur van de vennootschap bleef.

2.3

Voornoemde aandelenverhouding en het enig directeurschap van [gedaagde] heeft sedertdien ongewijzigd voortgeduurd. [eiser] stelt dat hij reeds vanaf de aankoop van zijn belang, mede op advies van de accountant van de vennootschap, telkens heeft aangegeven dat hij zijn aandelenbezit zo spoedig mogelijk wilde uitbreiden naar een 50% belang. [gedaagde] heeft daar nooit aan willen meewerken. Aldus bleef [eiser] jaar in jaar uit een minderheidsaandeelhouder zonder feitelijke zeggenschap. Naar [eiser] stelt, is aan hem, behoudens eenmalig in 2011 en 2012, nooit dividend uitgekeerd. Een verzoek van [eiser] om, ter compensatie daarvan, aan hem een hoger salaris als werknemer toe te kennen of een door hem voorgestelde auto van de zaak ter beschikking te stellen, is door [gedaagde] afgewezen. Uiteindelijk heeft deze gang van zaken, naar [eiser] stelt, tot een vertrouwensbreuk geleid. Naar de mening van [eiser] heeft hij wel een grote bijdrage geleverd aan het uitbouwen van de onderneming zonder dat daar op basis van zijn aandelenbezit een adequate vergoeding tegenover heeft gestaan. Dit heeft ertoe geleid dat partijen medio 2016 in overleg hebben besloten tot beëindiging van het dienstverband van [eiser] . Aan [eiser] is daarbij een transitievergoeding toegekend. Tevoren, bij brief van
11 juli 2016, heeft [eiser] zijn aandelen aan [gedaagde] te koop aangeboden. Daarover is geen overeenstemming bereikt.

2.4

[eiser] vordert thans in deze procedure dat [gedaagde] op de voet van het bepaalde in artikel 2: 343 BW wordt veroordeeld tot overname van de aandelen die [eiser] in [A] BV houdt tegen betaling van de koopprijs als door bij het vonnis te benoemen deskundige(n) te bepalen, dit alles vermeerderd met rente en kosten en op straffe van een dwangsom. [eiser] stelt daartoe dat hij door de gedragingen van [gedaagde] in zijn belangen is geschaad. [gedaagde] heeft immers, tegenover de ontvangst van de koopsom voor de aandelen, geen enkele financieel relevante stap in de richting van [eiser] gezet. [eiser] heeft dusdoende op geen enkele wijze zijn investering in de onderneming terug kunnen verdienen. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een beëindiging van het dienstverband, waardoor [eiser] ook geen betrokkenheid meer bij de gang van zaken binnen de onderneming heeft.

2.5

[gedaagde] betwist dat sprake is van de situatie als bedoeld in
artikel 2:343 BW. [eiser] is niet in zijn belangen geschaad door gedragingen van
[gedaagde] . Nooit zijn door haar toezeggingen gedaan aan [eiser] dat hij op enig moment een 50% belang zou kunnen verwerven. Reeds op het moment dat [eiser] mede aandeelhouder werd, is er op zodanige wijze ruimte voor aankoop gecreëerd dat een schuld in rekening courant ontstond van [gedaagde] aan [A] BV. Behoudens in 2011 en 2012 zijn er onvoldoende liquiditeiten geweest om enig dividend uit te keren. [eiser] is als aandeelhouder telkens op de aandeelhoudersvergaderingen aanwezig geweest en in zoverre betrokken bij het beleid van de onderneming. Zoals ook blijkt uit de telkens door [eiser] ondertekende notulen van de vergaderingen, heeft hij steeds ingestemd met de winstbestemming van de vennootschap dan wel met de vaststelling dat geen dividend kon worden uitgekeerd. Nooit is gebleken dat [eiser] niet tevreden was met zijn salaris of dat dit salaris niet marktconform zou zijn. [gedaagde] heeft niet aangedrongen op een beëindiging van het dienstverband. [eiser] zelf deelde in dat kader mede dat hij een eigen onderneming buiten [A] BV wilde gaan starten.

2.6

Geen van de door [eiser] opgevoerde bemerkingen kunnen worden getypeerd als gedragingen van [gedaagde] in de zin van het bepaalde in artikel 2: 343 BW. De vordering tot uittreding van [eiser] vindt dan ook geen wettelijke steun en is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

2.7

Bovendien voert [gedaagde] de navolgende formele verweren. Vooreerst is niet voldaan aan de betekeningseis als omschreven in artikel 997a lid 1 Rv.
verzoekt de rechtbank daaraan de conclusies te verbinden die zij noodzakelijk acht. Bovendien vordert zij dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, omdat dit in strijd zou zijn met het wettelijke systeem van artikel 2: 343 lid 1 en 3 BW in combinatie met artikel 2: 339 lid 1 BW. Subsidiair vordert [gedaagde] dat, indien er toch uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, de rechtbank bepaalt dat zekerheid moet worden gesteld als bedoeld in artikel 233 lid 3 Rv. Ten slotte vordert [gedaagde] dat, indien en voor zover er deskundigen worden benoemd, de kosten daarvan conform de hoofdregel van artikel 195 Rv. door [eiser] als eisende partij moeten worden voorgeschoten.

3 De beoordeling

3.1

Op grond van artikel 2: 343 lid 1 BW is geldend recht dat een aandeelhouder in een besloten vennootschap overname van door hem gehouden aandelen kan vorderen van onder meer zijn mede aandeelhouder indien hij door gedragingen van zijn mede aandeelhouder zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Voor de beoordeling van zodanige vordering moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval. Het artikel stelt niet de voorwaarde dat sprake moet zijn van verwijtbare gedragingen van de mede-aandeelhouder.

3.2

Beoordeeld moet derhalve worden of de positie waarin [eiser] is geraakt (mede) kan worden toegeschreven aan gedragingen van [gedaagde] en zo ja, of [eiser] door die gedragingen zodanig in zijn belangen is geschaad dat voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. De rechtbank beantwoordt die vraagstelling aan de hand van de navolgende feitelijke gegevens zoals die door partijen zijn aangedragen.

3.3

Vooreerst overweegt de rechtbank echter naar aanleiding van het beroep door
[gedaagde] op het bepaalde in artikel 997a Rv dat weliswaar betekening van een afschrift van het exploot van dagvaarding niet aan [A] BV heeft plaatsgevonden, maar dat dit in dit geval niet tot consequenties leidt. Er zijn binnen de onderhavige onderneming slechts twee aandeelhouders die als eiser en gedaagde bij deze procedure betrokken zijn, zodat [A] BV geen niet gedagvaarde aandeelhouders van de dagvaarding in kennis behoeft te stellen. (Zie artikel 997a lid 2 Rv.)

3.4

Bovendien valt het de rechtbank op dat [eiser] [gedaagde] als zijn mede aandeelhouder aanmerkt, terwijl genoemde mede-aandeelhouder in zijn processtukken voortdurend spreekt over [B] . De rechtbank gaat er vanuit dat beide partijen daarbij over dezelfde rechtspersoon spreken. Niet in discussie is immers dat [eiser] zijn aandelen destijds heeft gekocht van [gedaagde] , welke vennootschap blijkens de door partijen overgelegde uittreksels uit het handelsregister wordt aangeduid als personal holding van [gedaagde] . Door geen der partijen is een uittreksel overgelegd waaruit een zelfstandig bestaan van [B] BV zou kunnen worden afgeleid.

3.5

In hoofdlijnen voert [eiser] drie gedragingen van [gedaagde] aan die zijn onderhavige vordering moeten dragen. [gedaagde] heeft consequent geweigerd om mee te werken aan het creëren van een 50% belang van [eiser] . [gedaagde] heeft als meerderheidsaandeelhouder tegengehouden dat aan [eiser] dividend werd uitgekeerd, mede omdat vanaf januari 2005 alleen maar sprake is van een oplopende schuld in rekening-courant van [gedaagde] aan [A] BV en de vennootschap mede daardoor over onvoldoende liquiditeiten beschikt. [gedaagde] heeft ook een andere vorm van financiële genoegdoening van [eiser] door bijvoorbeeld aanpassing van salaris of het ter beschikking stellen van een auto van de zaak geweigerd.

3.6

Hiervoor is al overwogen dat bij het beoordelen van de vorderingen van [eiser] acht moet worden geslagen op alle omstandigheden van het geval. In dat kader acht de rechtbank het navolgende van belang. [eiser] en [gedaagde] zijn familie van elkaar.
[A] BV is een qua personeelsomvang relatief kleine onderneming. Nadat [eiser] was ingetreden als aandeelhouder, ontstond derhalve een quasi – partnerschap tussen de beide heren [eiser] die immers samen als enige aandeelhouders op en buiten de aandeelhoudersvergadering het beleid van de onderneming bespraken. Niettemin ontstond geen feitelijke en geen formele gelijkwaardigheid tussen de aandeelhouders. [eiser] werd geen mede – bestuurder en [gedaagde] behield de absolute zeggenschap. Vanzelfsprekend kende [eiser] ten tijde van de aankoop van zijn aandelenpakket die feitelijke en formele situatie, maar [eiser] mocht wel de gerechtvaardigde verwachting hebben dat tegenover zijn investering van € 73.500,- die aan [gedaagde] ten goede kwam enig rendement zou staan.

3.7

Door [gedaagde] is niet betwist dat dit rendement, op een eenmalige dividendbetaling na, niet is gekomen. Kennelijk heeft [A] BV al vele jaren onvoldoende liquiditeiten om dividend uit te keren. Door [gedaagde] is niet betwist dat zij al vanaf 2005 een schuld in rekening-courant heeft bij [A] BV die in de loop der jaren zelfs fors is toegenomen. Op de schuld in rekening-courant is in al die jaren niet afgelost door [gedaagde] . Niet valt uit te sluiten dat dit op negatieve wijze de mogelijkheden voor het uitkeren van dividend aan [eiser] heeft beïnvloed. En hoewel discussie over salaris of een auto van de zaak vanzelfsprekend niet in directe relatie staan tot het zijn van aandeelhouder, acht de rechtbank niet onaannemelijk dat de verhoudingen tussen partijen in ieder geval nadelig zijn beïnvloed, doordat

[gedaagde] daarover geen overeenstemming met [eiser] tot stand heeft willen brengen. Juist binnen een quasi – partnerschap als de onderhavige, waarin de minderheidsaandeelhouder jaar in jaar uit noch direct (dividend, toename participatie) noch indirect (betere arbeidsvoorwaarden) enig rendement voor zijn investering in de onderneming ontvangt, mag van de meerderheidsaandeelhouder worden verwacht dat hij zich mede bekommert om de belangen van de minderheidsaandeelhouder. De rechtbank kan uit de aan haar door beide partijen gepresenteerde feiten niet afleiden dat

[gedaagde] zich als meerderheidsaandeelhouder als zodanig heeft gedragen.

3.8

Uiteindelijk heeft de situatie, waarin partijen met elkaar verbleven, geleid tot overleg tussen partijen omtrent beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] met de onderneming. In het kader van dat overleg heeft [eiser] zijn aandelen aan
[gedaagde] te koop aangeboden. Bij mail van 14 juli 2016
(productie 4 bij dagvaarding) heeft [gedaagde] daar als volgt op gereageerd:

Ik bevestig de ontvangst van je brief waarin je eenhonderdtwintig (120 oftewel 30%) gewone aandelen in [A] BV aanbiedt.

Je vraagt me in deze brief of ik gebruik wens te maken van het voorkeursrecht om deze aandelen over te nemen. Alvorens ik deze vraag aan je beantwoord wil ik graag je instemming met betrekking tot beëindiging van het dienstverband, zoals voorgesteld in de vaststellingsovereenkomst die ik je op 10 juli per mail heb toegestuurd. Zoals ik je maandag nogmaals mondeling heb toegelicht, respecteer ik je beslissing om uit dienst te treden om een eigen onderneming te starten. Ik heb alle begrip voor je ambitie om zelfstandig ondernemer te worden, en wil je daarin graag de ruimte geven.

Dat betekent echter wel dat jouw focus niet meer bij [A] ligt of zal gaan liggen, en je, al dan niet bewust, je werkzaamheden minder goed kan uitvoeren. Een beëindiging van de arbeidsovereenkomst is daardoor onvermijdelijk. Ik wil daarover graag eerst duidelijkheid hebben voordat we (verder) over een eventuele aandelenoverdracht gaan praten.

De rechtbank stelt vast dat er, nadat voornoemde vaststellingsovereenkomst was ondertekend en de beëindiging van het dienstverband derhalve vaststond, geen succesvol overleg meer heeft plaatsgevonden over de aandelenoverdracht. Daardoor ontstond de situatie waarin [eiser] iedere betrokkenheid bij [A] BV kwijt was, maar niettemin een minderheidspakket aandelen in de onderneming behield, waaraan de facto geen feitelijke zeggenschap verbonden was. Door zijn vertrek kan [eiser] geen invloed van betekenis meer op het beleid van de onderneming uitoefenen en moet hij nog langer lijdzaam afwachten of het aandelenpakket waarvoor hij destijds een volwassen koopsom heeft betaald ooit enig rendement zal opleveren.

3.9

Door bovengenoemd samenstel van factoren oordeelt de rechtbank dat [eiser] in zijn belang is geschaad door de gedragingen van [gedaagde] als meerderheidsaandeelhouder. [eiser] is als minderheidsaandeelhouder in een onderneming met slechts twee aandeelhouders, waarbij de andere aandeelhouder de bestuurder is en waarin hij niet meer werkzaam is, terwijl de andere aandeelhouder door zijn positie de facto eigenmachtig kan beslissen, in een benarde positie als aandeelhouder komen te verkeren. De uitweg die artikel 2: 343 BW onder omstandigheden alsdan aan [eiser] biedt is, naar de rechtbank oordeelt, op juiste wijze door hem gezocht. [gedaagde] is dan ook gehouden om het aandelenpakket van [eiser] in [A] BV over te nemen.

3.10

Conform het bepaalde in artikel 2: 343 lid 2 juncto artikel 2: 339 lid 1 is de rechtbank thans van plan om één deskundige te benoemen die schriftelijk over de prijs van de aandelen moet rapporteren. De rechtbank oordeelt dat beide partijen in gelijke mate de kosten van de deskundige moeten voorschieten. De rechtbank overweegt om tot deskundige te benoemen de heer Mr. H. Bredewoud ( Bredewoud CF BV), kantoorhoudende te 7641 BT Wierden aan het adres Kerkstraat 16 ( www.BredewoudCF.nl, 06-20596868 ). De heer Bredewoud is zowel jurist als accountant en is voorheen werkzaam geweest als accountant bij [C] . De zaak wordt verwezen naar de na te noemen rolzitting, opdat partijen zich bij akte over dit voorstel kunnen uitlaten. Partijen kunnen zich dan tevens uitlaten over de aan te houden peildatum, waarbij overigens uitgangspunt is dat de waardering zoveel mogelijk betrekking moet hebben op de waarde ten tijde van de overdracht. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank op dat partijen uiteraard nog steeds de ruimte hebben om in onderling overleg tot een waardebepaling te komen.

3.11

Vanuit praktisch oogpunt houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan totdat partijen hun akte hebben genomen.

4 De beslissing

I. Verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 25 oktober 2017 opdat beide partijen alsdan desgewenst een akte kunnen nemen als bedoeld in overweging 3.10 van dit vonnis.

II. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen op 27 september 2017 en op die datum in het openbaar uitgesproken in het bijzijn van de griffier.