Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3807

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
5866935 \ CV EXPL 17-2349
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pgb. Gedaagde erkent een aanvraag voor een persoonsgebonden budget te hebben gedaan, maar betwist stellig daarvan gebruik te hebben gemaakt.

De kantonrechter stelt voorop dat, ondanks haar uitdrukkelijk verzoek, niet een ter zake kundig persoon op het gebied van het Pgb is verschenen. Onduidelijkheden die hierdoor zijn blijven bestaan, dienen derhalve voor rekening en risico van eiseres te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 5866935 \ CV EXPL 17-2349

Vonnis van 10 oktober 2017

in de zaak van

het publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid CAK,
gevestigd te 's-Gravenhage,

eisende partij,

hierna te noemen: CAK,

gemachtigde: GGN Mastering Credit N.V.,

gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

verschenen bij haar echtgenoot [X] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 juli 2017;

- de brief, met als bijlagen productie 4 en 5, van de gemachtigde van CAK;

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

De kantonrechter verwijst naar en handhaaft hetgeen bij tussenvonnis is overwogen.

2.2.

In voormeld vonnis heeft de kantonrechter meegedeeld redenen aanwezig te achten om een comparitie van partijen te gelasten, waarbij uitdrukkelijk is aangegeven dat het CAK vertegenwoordigd dient te worden door een terzake kundig persoon op het gebied van de wettelijke regeling inzake het persoonsgebonden budget (pgb).

Tevens is het CAK opgedragen de informatie die zij van de [gemeente] heeft gekregen en waaruit blijkt dat [gedaagde] een persoonsgebonden budget toekend heeft gekregen, in het geding te brengen.

2.4.

Het CAK heeft een ongedateerd schrijven in het geding gebracht gericht aan [gedaagde] . In deze brief wordt aan [gedaagde] het navolgende medegedeeld, voor zover hier van belang:

[… .]

Op 12 januari 2015 heeft u een aanvraag gedaan voor een voorziening [… .]

Daarom hebben wij besloten om een maatwerkvoorziening toe te kennen. Uw maatwerkvoorziening bestaat uit:

Ondersteuning hulp bij het huishouden basis

Deze voorziening wordt toegekend van 23 februari 2015 tot en met 9 augustus 2015. [… .]

Persoonsgebonden budget

U heeft aangegeven dat u graag een [ …. .] (pgb) wilt hebben. Dit betekent dat u elke 4 weken een bedrag krijgt wat u kunt besteden aan de inkoop van zorg. [… .]

U krijgt:

€ 136,00 per 4 weken.

[… .]

Sociale Verzekerings Bank (SVB)

De uitbetaling van uw pgb vindt plaats via de SVB. In het kort betekent dit voor u:

De gemeente betaalt uw budget uit op een rekening van de SVB.

U sluit een zorgovereenkomst af met uw zorgverlener en stuurt deze naar de SVB.

U stuurt de facturen van de geleverde zorg naar de SVB [… .].

De SVB betaalt iedere maand de facturen uit uw budget aan de zorgverleners(s).

[… .]

Eigen Bijdrage

Voor een maatwerkvoorziening geldt dat u een eigen bijdrage moet betalen.

Het [… .] (CAK)geeft u hier informatie over. U krijgt vanzelf een brief thuis met daarin de hoogte van de eigen bijdrage.

2.5.

Bij brief van 1 juli 2015 is [gedaagde] op de hoogte gesteld van het feit dat op haar verzoek het persoonsgebonden budget voor ondersteuning per 12 juli 2015 is beëindigd.

2.6.

De comparitie van partijen is gehouden waarbij het CAK zich heeft laten vertegenwoordigen door mw. [B] , verbonden aan GGN Mastering Credit N.V. [gedaagde] is verschenen bij haar echtgenoot.

2.7.

Het CAK stelt zich op het standpunt dat de facturen d.d. 29 juni 2015, 23 juli 2015 en 24 augustus 2015 waarbij de eigen bijdragen in rekening zijn gebracht, beschikkingen zijn in de zin van artikel 1:3 lid van de Algemene Wet Bestuursrecht, waartegen binnen zes weken na dagtekening bezwaar openstaat. [gedaagde] heeft alle termijnen voor bezwaar en beroep laten verstrijken. Hiermee staan volgens het CAK de hoogte van eigen bijdrage vast.

2.8.

De kantonrechter constateert dat de eerste factuur waarmee het CAK aan [gedaagde] een eigen bijdrage in rekening heeft gebracht, dateert van 29 juni 2015. Voorts staat vast dat bij brief van 1 juli 2015 op verzoek van [gedaagde] het pgb voor ondersteuning is beëindigd. Dit betekent dat door of namens [gedaagde] op of omstreeks 30 juni 2015 contact is opgenomen met het CAK over de factuur van 29 juni 2015. Gelet op de beëindigingsbrief van 1 juli 2015 en het van de zijde van [gedaagde] bij herhaling gevoerde verweer, had het op de weg van het CAK gelegen de (telefonische) mededeling op of omstreeks 30 juni 2015 aan te merken als bezwaar tegen de factuur van 29 juni 2015. Het door het CAK gedane beroep op de formele rechtskracht kan in deze situatie derhalve niet slagen en dient te worden gepasseerd.

2.9.

Hoewel de kantonrechter zich realiseert dat strikt genomen thans de bestuursrechtelijke rechtsgang dient te worden gevolgd, ziet zij in de omstandigheden van het geval aanleiding het verweer van [gedaagde] inhoudelijk te beoordelen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.10.

Het verweer van [gedaagde] is kort maar krachtig. Zij erkent een persoonsgebonden budget te hebben aangevraagd bij de afdeling Ondersteuning en Zorg van de [gemeente] . Zij betwist echter van dit budget gebruik te hebben gemaakt. Zij heeft geen bijdragen ontvangen, geen zorg ontvangen en geen facturen bij de SVB ingeleverd.

2.11.

Namens CAK heeft mw. [B] ter comparitie van partijen laten weten dat voor de verschuldigdheid van de eigen bijdrage enkel de toekenning van het persoonsgebonden budget relevant is en niet het gebruik van het persoonsgebonden budget. Zij verwijst in dat kader naar artikel 2.1.4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

2.12.

Kennelijk doelt de gemachtigde op het tweede lid, aanhef onder b van genoemd artikel:

In de verordening kan de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen verschillend worden vastgesteld en kan worden bepaald dat:

a. [… .]

b. de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget:

1º verschuldigd is zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt, en

2º afhankelijk is van het inkomen en vermogen van de van de cliënt en zijn echtgenoot.

2.13.

Uit de Memorie van Toelichting (MvT) op de WMO 2015 blijkt dat uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de maatschappelijke ondersteuning beschikbaar is voor degenen die daarop zijn aangewezen, ongeacht de hoogte van het inkomen of vermogen. Met betrekking tot de bijdrage naar draagkracht wordt gesteld dat gemeente bepaalt of cliënten voor ondersteuning van de gemeente een (eigen) bijdrage verschuldigd zijn. Als de gemeente daarvoor kiest, zal dat in de verordening moeten worden bepaald. Het wordt mogelijk om voor alle voorzieningen (dus zowel voor maatwerkvoorzieningen als voor algemene voorzieningen) een bijdrage op te leggen, die verschuldigd is zolang de cliënt gebruik maakt van de voorziening, waarbij het resultaat dat wordt geleverd het uitgangspunt is voor de (eigen bijdrage). Het resultaat dat wordt geleverd kan bijvoorbeeld een schoon huis zijn in plaats van het aantal uren geleverde zorg en ondersteuning.

2.14.

De kantonrechter stelt voorop dat, ondanks haar uitdrukkelijk verzoek, niet een ter zake kundig persoon op het gebied van de wettelijke regeling inzake het pgb ter comparitie van partijen is verschenen. Onduidelijkheden die hierdoor zijn blijven bestaan, dienen derhalve voor rekening en risico van het CAK te komen. Door [gedaagde] is onweersproken gesteld dat zij geen gebruik heeft gemaakt van haar pgb, dat zij van de SVB geen € 136,00 per vier weken heeft ontvangen en dat zij geen facturen voor geleverde zorg aan de SVB heeft gezonden. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dan ook niet gesteld worden dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van de voorziening, laat staan dat er een resultaat is geleverd zoals bedoeld in de MvT.

2.15.

Ten slotte wijst de kantonrechter op hetgeen is vermeld op de in geding zijnde facturen. Hier staat vermeld dat ‘De hoogte van de eigen bijdrage is afhankelijk van de maximale periodebijdrage, de hoeveelheid zorg en/of ondersteuning per periode van 4 weken, en de kosten hiervan’. Het komt de kantonrechter dan ook niet aannemelijk voor dat de enkele toekenning van het pgb relevant is en niet of en in welke mate gebruik is gemaakt van het pgb, zoals van de zijde van het CAK is betoogd. Nu ter zake elke onderbouwing ontbreekt, dient de vordering van CAK afgewezen te worden.

2.16.

CAK zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vordering af.

3.2.

veroordeelt CAK in de kosten van deze procedure tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] gevallen en begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.