Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3798

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
C/08/206755 / FA RK 17-2103
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderrechter verleent vervangende toestemming aan moeder om met kinderen te verhuizen. De manier waarop een en ander is verlopen betreffende de verhuizing verdient echter niet de schoonheidsprijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/206755 / FA RK 17-2103

beschikking van de rechtbank Overijssel d.d. 5 september 2017

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de vader of de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat: mr. M. Rijs te Enschede,

en

[belanghebbende] ,

verder te noemen: de moeder of de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. T. Hermans te Enschede.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 29 augustus 2017;

- een op 4 september 2017 binnengekomen mail van mr. Rijs van 4 september 2017 met bijlagen.

1.2.

De rechtbank heeft de minderjarigen [A] en [B] uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op 4 september 2017 om hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 04 september 2017. Ter zitting zijn verschenen:
- de ouders, beiden bijgestaan door hun advocaat,
- mevrouw M. Jongman, namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen “de raad”. Vader heeft ter zitting mondeling zelfstandige verzoeken ingediend, welke na de zitting schriftelijk zijn bevestigd.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren:

[A], geboren te [plaats 1] op [2002] ,

[B] , geboren te [plaats 1] op [2004] ,

[C] , geboren te [plaats 2] op [2006] ,

[D] , geboren te [plaats 1] op [2007] .

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 5 september 2012 is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking op 15 oktober 2012 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand. Bij deze beschikking is tevens bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw.

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 5 september 2012 heeft de kinderrechter de vrouw toestemming gegeven om de vier minderjarige kinderen in te schrijven bij [school 1] in [plaats 3] .

2.4.

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 10 oktober 2012 heeft de kinderrechter bepaald dat de minderjarige kinderen voor de tussenschoolse en naschoolse opvang worden ondergebracht bij kinderdagverblijf [Y] te [plaats 3] .

2.5.

Bij beschikking van de rechtbank Oost Nederland van 13 maart 2013 is de navolgende regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:

Onder toezicht c.q. begeleiding van de gezinsvoogden zal de zorg- en contactregeling tussen de vader en de minderjarigen vorm gegeven worden.

2.6.

Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 23 april 2014 is de beschikking van de rechtbank Almelo van 5 september 2012 gewijzigd en is tussen de vader en [B] , [C] en [D] de volgende regeling getroffen:

De kinderen zullen gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot en met maandagochtend bij vader verblijven, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg nader te bepalen. De omgang gedurende een dag en overnachting doordeweeks zal in overleg met de gezinsvoogden nader worden ingevuld. Bij eventuele discussiepunten over de regeling tussen de ouders, zullen zij het advies van de gezinsvoogden volgen.

2.7.

Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 13 augustus 2014 is de vrouw vervangende toestemming verleend om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats 4] . Tevens is de vrouw vervangende toestemming verleend om de minderjarige [A] met ingang van 18 augustus 2014 in te schrijven bij de [school 2]
te [plaats 3] en om de minderjarigen [B] , [C] en [D] met ingang van 18 augustus 2014 in te schrijven bij [school 3] te [plaats 5] .

2.8.

Bij beschikking van de rechtbank van 20 februari 2017 is de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 23 april 2014 en de nadien door de ouders met de gezinsvoogden gemaakte afspraken voor zover deze zien op de minderjarige [B] gewijzigd en is vader het recht op omgang met de minderjarige [B] ontzegd.

3 Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

De hoofdverblijfplaats van [C] en [D] bij hem te bepalen en de vrouw te gebieden actief mee te werken aan de inschrijving van [D] op de [school 4] te [plaats 6] , en het ingeschreven laten van [C] op [school 5] te [plaats 1] en op de voetbalclub [E] te [plaats 3] , waarbij een zorg- en contactregeling tussen [C] en [D] en de vrouw wordt bepaald van een weekend per veertien dagen, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij tevens het halen en brengen bij helfte wordt verdeeld.

Subsidiair

Indien de rechtbank hetgeen onder het primaire is verzocht afwijst en de hoofdverblijfplaats van [C] en [D] niet bij de vader zal zijn, verzoekt de man de vrouw te verbieden om met de kinderen naar [woonplaats 2] te verhuizen en de kinderen daar in de omgeving op school in te schrijven, alsmede de vrouw te gebieden met de kinderen in [plaats 4] dan wel [plaats 3] te blijven/gaan wonen, zodat de kinderen op hun huidige scholen kunnen blijven en bovendien bij de huidige voetbalvereniging te [plaats 3] kunnen blijven voetballen.

Een beslissing te geven over de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1

Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak op 4 september 2017 is door en namens de vrouw mondeling verweer gevoerd tegen het verzochte. Haar vorige partner, de heer [G] , is in 2015 overleden. Zij was met de vier kinderen bij hem en zijn dochters ingetrokken. De vrouw stelt dat de kinderen van de heer [G] na zijn overlijden hebben ingestemd met een voortgezet verblijf van de vrouw en de vier kinderen in de woning. Echter, dit bleek voor de kinderen van de heer [G] financieel niet langer haalbaar. Zij hebben de vrouw te kennen gegeven dat zij de woning uiterlijk 31 augustus 2017 moest hebben verlaten. De vrouw was derhalve genoodzaakt te verhuizen. Zij heeft naar eigen zeggen inmiddels ruim een jaar een relatie met de heer [H] uit [plaats 7] , die thans verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure. Omdat moeder vertrouwen heeft in de nieuwe relatie en haar kinderen en zijn kinderen goed met elkaar overweg kunnen, heeft moeder ervoor gekozen om samen met de vier kinderen bij hem in te trekken. Uit haar mailwisseling met de man heeft zij niet begrepen dat hij tegen een verhuizing van de vrouw en de kinderen naar [woonplaats 2] was. Hij is volgens moeder nog in [woonplaats 2] geweest om daar naar een school te kijken. De verhuizing heeft volgens moeder geen gevolgen voor de huidige zorg- en contactregeling van de man en de jongens. De afstand [woonplaats 1] - [plaats 4] is volgens haar min of meer gelijk aan de afstand [woonplaats 1] - [woonplaats 2] . De oudste twee kinderen van partijen, [A] en [B] , hebben geen contact met de man. In verband met de problematiek van [C] is een hulpverlener van Jarabee ingeschakeld. Volgens de vrouw hebben de jongens hem te kennen gegeven dat zij bij haar willen blijven wonen. Zij acht het niet in het belang van [C] en [D] dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben.
Het gezin wordt dan uit elkaar getrokken en bovendien acht zij de woonplek van de man, hij woont in bij zijn ouders, niet geschikt voor hen. De vrouw verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen.

Zij verzoekt mondeling bij zelfstandig verzoek vervangende toestemming te verlenen voor haar verhuizing met de vier kinderen naar [woonplaats 2] en vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [D] op de [school 6] te [woonplaats 2] . De vrouw stemt ermee in dat [C] bij [E] in [plaats 3] blijft voetballen en dat zij hem in de periode dat hij bij haar is, naar de voetbal in [plaats 3] zal brengen. Mocht zij een keer verhinderd zijn dan verzoekt zij om [C] naar de man te brengen en dat hij met hem meegaat naar de voetbal. Door en namens de man is in aanvulling op het verzoekschrift nog naar voren gebracht dat het triest is dat de heer [G] is overleden, maar dat op enig moment zijn overlijden wel voorzienbaar was. De vrouw had op dat moment zaken moeten regelen voor een eventuele verhuizing binnen [plaats 4] of de nabije omgeving.

Dat heeft de vrouw niet gedaan, waardoor zij de man voor een voldongen feit heeft geplaatst. Het had op haar weg gelegen om de man toestemming te vragen voor een verhuizing met de kinderen naar [woonplaats 2] . De kinderen worden met een situatie geconfronteerd waarin zij moeten samenwonen met stiefzusjes en een stiefvader. De man acht het niet in het belang van [D] dat hij weer naar een andere school moet gaan. Voor [C] is er geen schoolwijziging, hij volgt in verband met zijn problematiek speciaal onderwijs op [school 5] in [plaats 1] . De man acht het van belang dat [C] bij [E] in [plaats 3] kan blijven voetballen. Door een voorval op zijn oude school is hij zijn schoolvriendjes kwijtgeraakt. Hij heeft alleen nog een paar vriendjes bij de voetbalvereniging. De man verzoekt de zelfstandige verzoeken van de vrouw af te wijzen.

De hoofdverblijfplaats

In geschil is de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [C] en [D] . Vast staat dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag.

Het wettelijk criterium

Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

  1. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

  2. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

  3. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

  4. e wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

Het oordeel

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem/haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij de beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen.

4.2

De rechtbank overweegt als volgt. De vier kinderen van partijen hebben sinds de echtscheiding van ouders in 2012 hun hoofdverblijf bij moeder. Als vaders verzoek om de hoofdverblijfplaats van [C] en [D] bij hem in [woonplaats 1] te bepalen zou worden toegewezen, zou dit betekenen dat het hele gezin wordt ontwricht. De meisjes en de jongens die hun hele leven bij elkaar hebben gewoond zouden dan van elkaar worden gescheiden en het onderlinge contact zou aanzienlijk verminderd worden, aangezien [A] en [B] geen contact hebben met de man. De rechtbank acht dat een onwenselijke situatie. Bovendien heeft moeder onweersproken gesteld dat volgens de hulpverlening de jongens bij haar willen blijven wonen. De rechtbank zal derhalve vaders verzoek om de hoofdverblijfplaats van [C] en [D] bij hem te bepalen, afwijzen.

4.3

Aangezien [C] en [D] hun hoofdverblijfplaats bij moeder houden, betekent dit dat vaders verzoeken om de vrouw te gebieden actief mee te werken aan de inschrijving van [D] op de [school 4] te [woonplaats 1] en vaststelling van een zorg- en contactregeling tussen [C] en [D] en de vrouw, geen nadere bespreking meer behoeven.

De rechtbank dient voorts te beslissen op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tot verlening van vervangende toestemming om met de kinderen te mogen verhuizen naar [woonplaats 2] en het verlenen van vervangende toestemming voor inschrijving van [D] op [school 6] in [woonplaats 2] .

De rechtbank stelt voorop dat de gezamenlijke gezagsuitoefening door partijen met zich brengt dat de vrouw voor het wijzigen van de woonplaats van de minderjarigen in beginsel toestemming van de andere met het gezag belaste ouder behoeft.

Het wettelijk criterium

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. In overeenstemming met vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen.

Het oordeel

In overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad mag uit voornoemd artikel niet worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen wat er ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind (zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008).

De navolgende omstandigheden en belangen kunnen een rol spelen en dienen vervolgens te worden meegewogen:

  1. het recht en belang voor de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;

  2. de noodzaak om te verhuizen;

  3. de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  4. e door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

  5. de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  6. de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

  7. de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  8. de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;

  9. de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin zij geworteld zijn in hun omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;

  10. of de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing geheel of deels worden gecompenseerd door de verhuizende ouder.

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de kinderen en een nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. In dit geval hebben de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij moeder.

4.4

De raad is van mening dat de situatie niet had mogen lopen zoals die is gelopen. Moeder is ondanks haar toezegging in 2014 om niet meer te verhuizen, toch met de kinderen verhuisd naar [woonplaats 2] . Daarbij heeft moeder volgens de raad haar eigen belang laten prevaleren boven dat van de kinderen. Echter de verhuizing heeft geen nadelige gevolgen voor de zorg- en contactregeling van de man met [C] en [D] . De raad acht het niet mogelijk om de situatie weer terug te draaien in die zin dat moeder en de kinderen weer terug gaan naar [plaats 4] of de nabije omgeving. De raad heeft geen concreet advies gegeven.

4.5

De rechtbank overweegt als volgt. Moeder heeft al ruim een jaar een relatie met de heer [H] in [woonplaats 2] . Moeder en de kinderen verblijven daar ook regelmatig tijdens de weekenden. Haar kinderen en die van hem kunnen goed met elkaar overweg. Moeder en haar vriend hebben vertrouwen in hun relatie en de afgelopen maanden is de boerderij van moeders vriend gereed gemaakt voor een definitief verblijf van moeder en haar kinderen. Moeder heeft bevestigd dat haar vriend nog in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld, maar dat wel duidelijk is dat zij samen met hun kinderen in de boerderij kunnen blijven wonen. De verhuizing is door moeder goed doordacht en voorbereid, getuige de mailwisseling tussen ouders in de periode juni/juli 2017. Echter, doordat moeder in augustus jongstleden van de kinderen van haar vorige -overleden- partner te horen kreeg dat zij de woning in [plaats 4] vóór 31 augustus 2017 moest hebben verlaten, is de zaak in een stroomversnelling terecht gekomen. Moeder werd opeens genoodzaakt om te verhuizen en wel op de kortst mogelijke termijn, waardoor vader voor een voldongen feit werd gesteld. Moeder heeft vertrouwen in haar relatie met de heer [H] en is daarom met de kinderen naar hem in [woonplaats 2] verhuisd. De rechtbank vindt het niet onbegrijpelijk dat moeder in [woonplaats 2] haar leven weer wil oppakken, maar de manier waarop een en ander is verlopen verdient niet de schoonheidsprijs. Moeder wist op enig moment dat haar voormalige partner de heer [G] ongeneeslijk ziek was. Reeds vóór zijn overlijden in 2015 had zij op een mogelijk toekomstig vertrek uit zijn woning kunnen anticiperen en had zij zich kunnen oriënteren op alternatieve woonruimte binnen [plaats 4] of nabije omgeving. Bij een eventuele verhuizing zouden de kinderen dan wellicht in hun sociale omgeving kunnen blijven. Helaas heeft moeder daartoe geen initiatieven ontplooid. Vervolgens heeft moeder in de afgelopen maanden in de mailwisseling met vader laten weten dat zij voornemens was naar haar vriend in [woonplaats 2] te verhuizen. Omdat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, had het op de weg van moeder gelegen om vader toestemming te vragen voor die verhuizing, maar dat heeft zij nagelaten. Zoals gezegd had de situatie op een andere wijze behoren te verlopen, maar alternatieven zijn er op dit moment niet.

Een -onmiddellijke- terugkeer van de moeder en de kinderen naar [plaats 4] is niet mogelijk en het wonen van de jongens bij vader is, zoals hiervoor reeds overwogen, niet in hun belang te achten. De rechtbank zal derhalve moeder vervangende toestemming verlenen voor een verhuizing van haar samen met de kinderen naar [woonplaats 2] .

Vast staat dat de verhuizing van moeder met de kinderen naar [woonplaats 2] niet van invloed is op de zorg- en contactregeling van de vader met [C] en [D] . De afstand [woonplaats 1] - [plaats 4] is min of meer gelijk aan de afstand [woonplaats 1] - [woonplaats 2] . Beide ouders hebben ter zitting ook verklaard dat de huidige zorg- en contactregeling in stand kan blijven. Dit betekent dat [C] de ene week bij moeder verblijft en de andere week bij vader. [D] verblijft eens per veertien dagen een weekend bij vader en, in de week dat [C] bij moeder is, op de donderdag.

Daarnaast zijn ouders tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat [C] bij zijn huidige voetbalvereniging [E] in [plaats 3] blijft voetballen. Hij heeft daar een paar voetbalvriendjes en voor hem is het van belang dat hij die contacten niet kwijtraakt. Een en ander houdt wel in dat in de week dat [C] bij moeder is, zij hem vanuit [woonplaats 2] naar de voetbal in [plaats 3] zal moeten brengen. Moeder heeft zich daartoe bereid verklaard. Mocht zij een keer verhinderd zijn om met [C] naar de voetbal te gaan, dan brengt zij hem naar vader en gaat hij met [C] naar de voetbal. De rechtbank zal derhalve in de beschikking vastleggen dat [C] bij [E] blijft voetballen.

4.6

Voor de schoolgang van [C] heeft de verhuizing naar [woonplaats 2] geen gevolgen. Ouders hebben afgesproken dat hij ingeschreven blijft op [school 5] in [plaats 1] . Voor [D] is dat een ander verhaal. Hij zal door de verhuizing met moeder naar [woonplaats 2] niet meer op zijn huidige school [school 3] in [plaats 5] kunnen blijven. Aangezien hij nu in [woonplaats 2] woont kan hij daar op een basisschool worden ingeschreven. Uit de mailwisseling tussen ouders blijkt dat moeder en vader afzonderlijk [school 6] in [woonplaats 2] hebben bezocht. Vader heeft zich niet negatief uitgelaten over die school, maar hij vond het destijds nog te vroeg om [D] zonder meer op die school in te schrijven. Moeder verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek, bij gebreke van toestemming van de vader, vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [D] op [school 6] in [woonplaats 2] . Het nieuwe schooljaar is reeds begonnen en [D] is nog niet naar school geweest, omdat hij nog niet op een basisschool is ingeschreven. De rechtbank acht het van belang dat [D] vanaf het begin van het schooljaar onderwijs kan volgen in zijn huidige woonplaats [woonplaats 2] . De rechtbank zal derhalve aan moeder vervangende toestemming verlenen voor de inschrijving van [D] op [school 6] in [woonplaats 2] .

De proceskosten

4.7

Omdat de vader en de moeder gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van ouders de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

I. wijst af de (primaire en subsidiaire) verzoeken van de man;

II. verleent vervangende toestemming in de plaats van de toestemming van de vader voor de verhuizing van moeder en de kinderen naar [woonplaats 2] ;

III verleent vervangende toestemming in de plaats van de toestemming van de vader voor inschrijving van de minderjarige [D] op [school 6] in [woonplaats 2] ;

IV verstaat dat de minderjarige [C] ingeschreven blijft op [school 5] in [plaats 1] ;

V. verstaat dat de minderjarige [C] lid blijft van voetbalvereniging [E] te [plaats 3] .

VI. verklaart de onderdelen II. en III van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

VII. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt;

VIII. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. W.M.B. Elferink, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017 in tegenwoordigheid van H.-J. van der Woude, griffier.