Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3797

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
Awb 15/2376
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Toekenning tegemoetkoming i.v.m. planschade als gevolg van Provinciaal Inpassingsplan (PIP). Beroep gegrond. De overgangsbepalingen bij een inpassingsplan zijn in zoverre van een andere orde dan de voorschriften betreffende bestemmingen, omdat de overgangsbepalingen naar hun aard slechts ten doel hebben om een overgangssituatie tijdelijk te regelen. Om deze reden dienen de mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen bij een inpassingsplan buiten beschouwing te worden gelaten bij de planologische vergelijking. Dat de politieke inzichten over de wenselijkheid van de verbreding van de N340 ter hoogte van de woning van eiser nadien gewijzigd zijn, maakt niet dat in dit geval niet behoort te worden uitgegaan van de bestemmingsregeling in het PIP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0231
AR 2017/5241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2376

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. E. Wijnne-Oosterhoff, te Zwolle,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bedrag van € 126.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 februari 2014, als tegemoetkoming voor geleden planschade als gevolg van de vaststelling van het inpassingsplan “N340/N48 Zwolle-Ommen” vergoed. Deze vergoeding vindt niet plaats in geld, maar door aanpassing van het inpassingsplan “N340/N48 Zwolle-Ommen” binnen drie jaar na dit besluit. Indien binnen deze termijn geen ontwerp-inpassingsplan ter inzage is gelegd dat de schade geheel of gedeeltelijk opheft, zal het bedrag inclusief de dan verschuldigde wettelijke rente alsnog in geld worden vergoed, met een eventuele korting in verband met planschade die wel is gecompenseerd. Tevens wordt een bedrag van € 640,-- wegens gemaakte kosten voor bijstand van een deskundige vergoed.

Bij besluit van 8 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en aan eiseres een bedrag van € 126.000,-- als tegemoetkoming in geleden planschade toegekend. Aan eiseres is wegens gemaakte kosten voor bijstand van een deskundige een bedrag van € 1.072,--, vermeerderd met BTW, toegekend en een proceskostenvergoeding van

€ 980,--. Voor het overige heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. E. Wijnne-Oosterhoff, vergezeld door B.J. Kootstra, deskundige. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Smeenk en H.J. Uiterwijk.

Bij brief van 25 februari 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

Bij brief van 30 maart 2016 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft bij rapportage van 14 september 2016 de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren op de rapportage van de deskundige.

Naar aanleiding van de reacties van partijen heeft de rechtbank op 30 maart 2017 aanleiding gezien om de deskundige nadere vragen te stellen. De deskundige heeft bij rapportage van

24 mei 2017 de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren op de rapportage van de deskundige.

Bij brief van 19 juli 2017 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat een nadere zitting achterwege zal worden gelaten, tenzij een van de partijen binnen vier weken te kennen geeft op een zitting te willen worden gehoord. Naar aanleiding van deze brief is geen reactie van partijen ontvangen.

Op 28 augustus 2017 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiseres is sinds 2001 eigenaar van het perceel [adres] te [woonplaats] , waar zij ook woont.

1.2

Omdat de provincie Overijssel voornemens was om de provinciale verbindingswegen N340 en N48 tussen Zwolle en Ommen te verbreden is een provinciaal inpassingsplan (PIP) gemaakt. Het PIP is op 12 juli 2012 vastgesteld en is op 31 augustus 2012 in werking getreden. Met ingang van 26 juni 2013 is het PIP onherroepelijk. Aan een deel van de gronden waarvan eiseres eigenaar is, is bij het PIP de bestemming ‘verkeer’ toegekend.

1.3

In december 2013 hebben Provinciale Staten van Overijssel ingestemd met een motie om de financiering van het project tot verbreding van de N340 en de N48 deels te schrappen en om dit project versoberd uit te voeren. De plannen ter hoogte van de woning van eiseres zullen voorlopig geen doorgang vinden. De bij het PIP aan de gronden waarvan eiseres eigenaar is toegekende bestemming ‘verkeer’ is gehandhaafd.

1.4

Op 17 februari 2014 heeft eiseres een verzoek gedaan om een tegemoetkoming in geleden planschade. Verweerder heeft als deskundige mr. ing. A.C.M.M. van Heesbeen van bureau Gloudemans B.V. (Gloudemans) ingeschakeld. Op 17 december 2014 heeft mr. ing. Van Heesbeen advies uitgebracht. Vervolgens heeft verweerder op 10 februari 2015 het primaire besluit genomen.

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij mocht afgaan op het advies van de door hem ingeschakelde deskundige. Dit advies is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en bevat geen onvolkomenheden. Er bestaat geen aanleiding om de taxatie, waarvan de deskundige is uitgegaan, voor onjuist te houden. Bij de bepaling van het planologisch nadeel mocht rekening worden gehouden met het feit dat het bestaande gebruik onder het overgangsrecht mag worden voortgezet.

2.2

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder niet heeft mogen afgaan op het advies van de door hem ingeschakelde deskundige. De door de deskundige gehanteerde methode van planvergelijking had hier niet mogen worden toegepast. Zoals de door eiseres ingeschakelde deskundige B.J. Kootstra (hierna: Kootstra) heeft geconcludeerd, is ten onrechte een meer dan symbolische restwaarde aangenomen voor gronden waaraan een verkeersbestemming is toegekend. Ook de indirecte schade aan gronden en gebouwen waaraan geen verkeersbestemming is toegekend, is te laag bepaald.

3. Uit het bepaalde in artikel 6.6, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gelezen in samenhang met artikel 6.1, eerste lid, van de Wro, volgt dat degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een inpassingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming kan worden toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

4.1

Het aan eiseres toebehorende terrein was voorafgaand aan de inwerkingtreding van het PIP gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied, inclusief artikel 30 herziening”, van de gemeente [woonplaats] . Aan het terrein was deels de bestemming ‘woondoeleinden’ en deels de bestemming ‘agrarisch cultuurgebied’ toegekend. Op het terrein bevindt zich een woning.

4.2

Bij het PIP is aan een deel van het terrein van eiseres over een oppervlakte van

2.866 m² de bestemming ‘verkeer’ toegekend. Op grond van het bepaalde in artikel 7.1, onder a, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor wegen, met niet meer dan 2 x 2 doorgaande rijstroken, met uitzondering van het gedeelte van het tracé gelegen tussen Koesteeg en de N48, waar niet meer dan 2 x 1 doorgaande rijstroken zijn toegestaan, waarbij het midden van de weg gelegen is ter plaatse van de aanduiding ‘as van de weg’. Op grond van het bepaalde in artikel 7.1, onder b tot en met m, van de planregels zijn deze gronden mede bestemd voor de aldaar genoemde functies, waaronder parallelwegen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken en de daarbij behorende bermen en taluds. Artikel 19 van de planregels bij het PIP bevat overgangsrecht voor bouwwerken. Artikel 20 van de planregels bij het PIP bevat overgangsrecht voor het gebruik van gronden.

5.1

Verweerder mag in beginsel afgaan op een door een deskundige opgesteld advies. Wel dient verweerder zich er, conform het bepaalde in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van te vergewissen dat het door de deskundige verrichte onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechter kan een door een bestuursorgaan aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd deskundigenoordeel slechts terughoudend toetsen.

5.2

De rechtbank overweegt voorts dat de waarde van een object in het kader van een planologische vergelijking niet exact kan worden vastgesteld, maar dat deze bepaald wordt door vraag en aanbod. De vaststelling van de waarde van een object, in het kader van een planologische vergelijking, berust op een schatting hiervan op basis van geobjectiveerde gegevens, uitgaande van wat een redelijk denkende koper, uitgaande van een maximale invulling van de beschikbare planologische mogelijkheden, bereid zou zijn om voor het object te betalen.

5.3

Gezien de geconstateerde discrepanties tussen de adviezen van de deskundige van verweerder en de door eiseres ingeschakelde deskundige, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de StAB als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek en uitbrengen van advies.

5.4

De StAB heeft in haar advies geconcludeerd dat sprake is van een directe schade van

€ 416.000,--, ten gevolge van waardevermindering van de woning aan de [adres] en de daarbij behorende gronden door toedoen van de planologische wijziging. De StAB heeft geadviseerd om in dit geval voor wat betreft de directe schade uit te gaan van een normaal maatschappelijk risico van 2% van de oorspronkelijke waarde, dat is € 9.000,--. Geadviseerd is daarom om eiseres een tegemoetkoming in geleden planschade van € 407.000,-- wegens planschade toe te kennen.

5.5

Partijen hebben gereageerd op het advies van de StAB. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in het advies van de StAB ten onrechte wordt aangenomen dat sprake is van een normaal maatschappelijk risico. Tevens is bij de waardebepaling ten onrechte geen rekening gehouden met de kosten die gemoeid zijn met de sloop van de bestaande bebouwing. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het advies van de StAB het overgangsrecht bij het PIP ten onrechte buiten beschouwing is gelaten.

5.6

De rechtbank stelt voorop dat de StAB is te beschouwen als een deskundige. De rechtbank mag dan ook in beginsel op het uitgebrachte advies afgaan. Dat is slechts anders indien het advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

5.7

De rechtbank is van oordeel dat het door de StAB verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is. Voorts zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het door de StAB uitgebrachte rapport onjuistheden bevat en dat de conclusies van deze door de rechtbank ingeschakelde deskundige inhoudelijk niet concludent zijn.

5.8

De rechtbank is van oordeel dat in het advies van de StAB bij het bepalen van de marktwaarde, met inachtneming van de planologische mutatie, de mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen bij het PIP bij de planologische vergelijking terecht buiten beschouwing zijn gelaten. De omstandigheid dat de bestaande situatie niet past binnen de bestemmingsregeling in het PIP, betekent dat beoogd wordt om aan deze situatie een einde te maken binnen de planperiode. De overgangsbepalingen bij een inpassingsplan zijn in zoverre dan ook van een andere orde dan de voorschriften betreffende bestemmingen, omdat de overgangsbepalingen naar hun aard slechts ten doel hebben om een overgangssituatie tijdelijk te regelen. Voor de voorschriften betreffende bestemmingen geldt dat niet. Om deze reden dienen de mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen bij een inpassingsplan buiten beschouwing te worden gelaten bij de planologische vergelijking. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:BV1192) en 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:143).

Dat de politieke inzichten over de wenselijkheid van de verbreding van de N340 ter hoogte van de woning van eiseres nadien gewijzigd zijn, maakt niet dat in dit geval niet behoort te worden uitgegaan van de bestemmingsregeling in het PIP. Welke politieke inzichten op een bepaald moment vigeren, speelt bij het maken van een planologische vergelijking geen rol.

5.9

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de StAB kunnen aannemen dat de vergelijkende methode van waardebepaling in dit geval niet toereikend is, omdat er geen vergelijkingstransacties zijn waarbij de bestemming bijna volledig in strijd is met het feitelijk gebruik. De in dit geval door de StAB gehanteerde combinatie van methodes van waardebepaling, te weten:

- intuïtie;

- vergelijking met andere transacties ten behoeve van wegverbreding rondom Zwolle waarbij de waarde van de opstallen is weggedacht; en

- de inkomstenbenadering, gebaseerd op een kortlopende huurperiode,

acht de rechtbank onder deze omstandigheden niet onjuist. De getaxeerde waarde van het terrein onder het nieuwe planologische regime is daarmee voldoende onderbouwd. De sloopkosten behoefden in de berekening niet te worden gecorrigeerd, aangezien op basis van het PIP geen verplichting bestaat om over te gaan tot sloop van bestaande bebouwing.

5.10

Met betrekking tot het door verweerder naar aanleiding van het advies van de StAB naar voren gebrachte standpunt, stelt de rechtbank vast dat eiseres in het aanvullend beroepschrift van 1 december 2015 geen gronden heeft aangevoerd die gericht zijn tegen het door verweerder gehanteerde normaal maatschappelijk risico. Eerst in haar reactie van 17 oktober 2016 op het advies van de StAB van 14 september 2016 heeft eiseres hiertegen gronden aangevoerd.

De rechtbank hanteert, in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1889), als algemeen uitgangspunt dat in zaken waarin de rechtbank de StAB heeft verzocht een deskundigenbericht uit te brengen, het indienen van nieuwe beroepsgronden later dan drie weken nadat dit verzoek is verzonden in strijd is met de goede procesorde, tenzij het om louter procedurele gronden gaat. Dit uitgangspunt wordt gehanteerd om te verzekeren dat beroepsgronden die aanleiding geven om de StAB in te schakelen tijdig bekend zijn, zodat de StAB zich daarover in haar deskundigenbericht kan uitlaten.

In dit geval zijn niet binnen drie weken nadat de rechtbank de StAB op 30 maart 2016 had verzocht om een deskundigenbericht uit te brengen nadere beroepsgronden, gericht tegen het hanteren van een normaal maatschappelijk risico, aangevoerd. Van louter procedurele beroepsgronden, waarop het hiervoor omschreven uitgangspunt blijkens de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2017 niet van toepassing is, is geen sprake. Het indienen van nieuwe beroepsgronden, gericht tegen het hanteren van een normaal maatschappelijk risico dat in mindering wordt gebracht op het te vergoeden bedrag, moet dan ook in strijd met de goede procesorde worden geacht.

De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom niet inhoudelijk bespreken.

5.11

De rechtbank volgt het advies van de StAB, dat afwijkt van het advies dat verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, te worden vernietigd.

6. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, het primaire besluit te herroepen en om te bepalen dat aan eiseres een bedrag van € 407.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 februari 2014, als tegemoetkoming voor geleden planschade als gevolg van de vaststelling van het PIP wordt toegekend.

7.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank, onder toekenning van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie naar aanleiding van het advies van de StAB, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1237,50.,--. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet daarop bestaat er geen aanleiding voor het toekennen van een hogere vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Tevens dient verweerder de kosten voor het inschakelen van een deskundige aan eiseres te vergoeden. De namens eiseres in verband hiermee overgelegde declaratie van € 3.125,-- bevat onder meer een bedrag van € 925,--, met als datum 4 juni 2015. Deze kosten zijn niet in de beroepsfase gemaakt. In de bezwaarfase zijn reeds kosten voor deskundigenbijstand vergoed. Dit bedrag komt naar het oordeel van de rechtbank dan ook thans niet voor vergoeding in aanmerking. De overige kosten, zijnde € 2.200,-- (€ 3.125,00 - € 925,--) zijn naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk hoog.

Verweerder dient derhalve in totaal € 3.437,50 aan gemaakte proceskosten aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat aan eiseres een bedrag van € 407.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 februari 2014, wordt toegekend, als tegemoetkoming in de geleden planschade;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,-- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.437,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter, en mr. J.W.M. Bunt en

mr. D. Hardonk-Prins, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.