Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3789

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
ak_17 _ 1007
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door inkomsten uit haar arbeid als masseuse niet te melden; aard van relatie tussen eiseres en exploitant van de massagesalon verschilt van de reguliere arbeidsrelatie waarop jurisprudentie van CRvB ziet; kasstortingen vallen wel onder inlichtingenplicht;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1007

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P. Gerritsen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder

gemachtigde: M. Laarhuis.

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres over de periode 1 september 2015 tot en met 30 juni 2016 herzien. Bij dit besluit heeft verweerder van eiseres tevens € 6.816,86 bruto aan bijstand teruggevorderd.

Bij besluit van 14 oktober 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 1180,-.

Bij besluit van 23 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de primaire besluiten in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is als masseuse werkzaam in de massagesalon [naam] . Deze werkzaamheden zijn bij verweerder gemeld. Eiseres meldt haar inkomsten uit de massagewerkzaamheden aan verweerder door inlevering van “loon”strookjes. Eiseres heeft in de maanden oktober, november en december 2015 en de maanden februari en juni 2016 kasstortingen ontvangen.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres vaker

aanwezig was in de massagesalon dan bij verweerder is gemeld en daar ook op geld waardeerbare activiteiten verrichte. Bovendien zijn de gemelde inkomsten relatief laag gelet op de woon-werk afstand van eiseres. Daarnaast heeft eiseres verschillende kasstortingen ontvangen waarvan geen melding is gemaakt, hiermee is de inlichtingenplicht geschonden. Verweerder heeft aan de hand van een schatting van de inkomsten bij de massagesalon en de kasstortingen het recht op bijstand van eiseres geschat en de bijstandsuitkering aan de hand daarvan herzien. Aan de hand van deze inkomsten heeft verweerder tevens de opgelegde boete berekend.

3.1

Eiseres voert aan dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Verweerder was bekend met de opt-in overeenkomst van eiseres en dat zij massages verricht. Eiseres werkt als zelfstandige, zoals ook uit de overeenkomst volgt. Zij maakt gebruik van de faciliteiten die door de massagesalon op locatie worden geboden. Klanten kiezen ter plekke hun masseuse uit. Eiseres staat de helft van de inkomsten van de massage af aan de exploitant van de massagesalon. Uit het een en ander volgt dat eiseres op locatie aanwezig moet zijn, omdat zij anders geen klanten kan ontvangen en dus geen verdiensten heeft. De schoonmaakactiviteiten, het opnemen van de telefoon, het ontvangen van klanten en het geld aannemen zijn inherent en ondergeschikt aan de werkzaamheden die zij als zelfstandige masseuse verricht en zijn geen zelfstandige, op geld waardeerbare activiteiten.

3.2.

Verweerder heeft er ter zitting nog op gewezen dat eiseres haar inkomsten doorgeeft aan de hand van loonstrookjes en niet aan de hand van boekhoudkundige informatie, wat gebruikelijk is voor zelfstandigen. Verweerder wijst er verder op dat de aanwezigheidslijsten van de massagesalon afwijken van de loondagen die op de loonstrookjes van eiseres zijn vermeld. Daarbij blijkt uit het overzicht van verweerder ook dat eiseres in verschillende maanden meer loondagen op de salarisspecificatie heeft staan, dan zij als aanwezig is geregistreerd bij de massagesalon. Verweerder meent dat de vooronderstelling is gerechtvaardigd dat eiseres op geld waardeerbare activiteiten verricht tijdens haar aanwezigheid bij de massagesalon.

3.3

De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat het besluit tot herziening van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is. De last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan rust in beginsel op het bijstandverlenende orgaan (ECLI:NL:CRVB:2017:541). Uit de jurisprudentie van de CRvB volgt tevens dat de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek de vooronderstelling rechtvaardigt dat de betreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Het is dan vervolgens aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken (ECLI:NL:CRVB:2016:5004). Niet in geschil is dat verweerder bekend was met de aard van de relatie tussen eiseres en de exploitant van de massagesalon. Uit de opt-in overeenkomst volgt dat eiseres als zelfstandige werkzaam is en tegen betaling gebruik maakt van de faciliteiten van de massagesalon. De prijs die zij hiervoor betaalt is gelijk aan de helft van de inkomsten. Verweerder heeft niet bestreden dat klanten ter plaatse een keuze maken uit de aanwezige masseuses en dat eiseres dus op locatie aanwezig zal moeten zijn, wil zij de mogelijkheid hebben inkomsten te verwerven. De aard van de relatie tussen eiseres en de exploitant van de massagesalon verschilt daarmee van de reguliere arbeidsrelatie waarop de jurisprudentie van de CRvB ziet. Eiseres heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat haar enkele aanwezigheid op de locatie van de massagesalon niet betekent dat zij ook op geld waardeerbare activiteiten verricht. De andere activiteiten die eiseres verricht, zoals het opnemen van de telefoon en het opmaken van bedden, zijn naar het oordeel van de rechtbank inherent aan de werkzaamheden van eiseres en daarom niet als zelfstandige, op geld waardeerbare activiteiten aan te merken. Dat eiseres haar inkomsten doorgeeft aan de hand van “loon”strookjes en niet aan de hand van boekhoudkundige informatie maakt verder niet dat eiseres niet aan haar inlichtingenplicht zou hebben voldaan. Uit de strookjes blijkt welke inkomsten eiseres in een gegeven maand heeft verworven. Dat de op de “loon”stroken vermelde dagen afwijken van de aanwezigheidslijsten van de massagesalon, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres ook inkomsten heeft opgegeven over dagen waarop zij volgens de aanwezigheidslijsten absent was. Ook de relatief grote reisafstand tussen de woonplaats van eiseres en vestigingsplaats van de massagesalon (Rotterdam) doet aan het voorgaande niet af. Het enkele feit dat sprake is van een relatief grote reisafstand in verhouding tot de gemelde inkomsten, maakt niet dat aannemelijk is gemaakt dat eiseres meer inkomsten zou moeten hebben dan zij heeft doorgegeven. Eiseres heeft daarbij in bezwaar en beroep verklaard dat zij soms in Rotterdam logeert, soms met anderen meereist en gebruikmaakt van OV-aanbiedingen.

3.4

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door inkomsten uit haar arbeid als masseuse niet te melden. De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit moet worden vernietigd, voor zover daarbij wegens door verweerder ten onrechte aangenomen inkomsten bij de massagesalon de uitkering is herzien en teruggevorderd en voor zover bij de vaststelling van de boete is uitgegaan van een benadeling door het verzwijgen van de vermeende inkomsten.

4.1

Eiseres voert verder aan dat de kasstortingen die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd slechts incidenteel van aard zijn. Bovendien betreffen het allemaal leningen waaraan een terugbetalingsverplichting is verbonden, zodat van middelen of inkomsten geen sprake kan zijn. Van een schending van de inlichtingenplicht is derhalve geen sprake en verweerder had derhalve niet tot herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering mogen overgaan. Eiseres heeft in beroep ten aanzien van een van de kasstortingen een verklaring van de geldverstrekker overgelegd.

4.2

Volgens de jurisprudentie van de CRvB is er bij kasstortingen sprake van contante bedragen waarvan de herkomst en daarmee de inkomensbron in beginsel onduidelijk is. Indien het bedrag van de kasstorting kan worden aangewend voor de voorziening in het levensonderhoud, moet het bedrag daarom in beginsel worden aangemerkt als inkomen. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. De rechtbank leidt uit de rechtspraak van de CRvB af dat dit ook geldt als het om een eenmalige storting gaat (ECLI:NL:CRVB:2017:1055). Op de rekening van eiseres zijn blijkens het handhavingsrapport de volgende bedragen gestort:

€ 425,- (oktober 2015);

€ 350,- (november 2015);

€ 450,- (december 2015);

€ 300,- (februari 2016);

€ 450,- (juni 2016).

Deze bedragen hadden in de genoemde maanden kunnen worden aangewend voor het levensonderhoud van eiseres. De kasstortingen vielen derhalve onder inlichtingenplicht. Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de kasstortingen zijn verricht met geleend geld. De overgelegde verklaring van de geldverstrekker is eerst achteraf opgesteld en wordt niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. Verweerder was derhalve gerechtigd de kasstortingen op de bijstandsuitkering van eiseres in mindering te brengen. De beroepsgrond faalt. Verweerder heeft bij het bestreden besluit op goede gronden de uitkering van eiseres herzien en teruggevorderd, voor zover de herziening en terugvordering zijn gebaseerd op meergenoemde kasstortingen.

4.3

Eiseres stelt zich tenslotte op het standpunt dat voor verweerder voor het opleggen van een boete een zwaardere bewijslast geldt. Aangetoond moet worden dat de schending van de inlichtingenplicht tot gevolg heeft dat verweerder tot het door hem genoemde bedrag is benadeeld. Hieraan is in het bestreden besluit niet voldaan.

4.4

Naar vaste rechtspraak van de CRvB bevat artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de waarborg dat een ieder aan wie een boete wordt opgelegd voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. Deze waarborg brengt mee dat verweerder feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet bewijzen dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting bijstand tot het benadelingsbedrag onverschuldigd is betaald. In geval van twijfel dient aan de uitkeringsontvanger het voordeel van de twijfel te worden gegund (ECLI:CRVB:2016:3024). De kasstortingen worden door eiseres niet betwist. Dat het hier zou gaan om geleende bedragen, waartegenover een terugbetalingsverplichting bestaat, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verweerder heeft derhalve aangetoond dat hij in ieder geval is benadeeld tot een bedrag ter hoogte van deze kasstortingen. Hij heeft dus een boete kunnen opleggen, maar het benadelingsbedrag waarvan daarbij is uitgegaan is, gelet op hetgeen onder 3.4 is overwogen, te hoog. De beroepsgrond slaagt.

5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd omdat het berust op een onjuiste feitelijke grondslag. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door, doende hetgeen verweerder had behoren te doen, de primaire besluiten van 23 september 2016 en 14 oktober 2016 te herroepen en, beslissend op het bezwaar, te bepalen dat de kasstortingen in de maanden oktober, november en december 2015 en de maanden februari en juni 2016 in mindering worden gebracht op de bijstandsuitkering in deze maanden, het bedrag van de terugvordering te bepalen op € 1.975,- en het bedrag van de boete op € 987,50. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake zou zijn van het ontbreken van, of een verminderde verwijtbaarheid.

6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De te vergoeden kosten zijn overeenkomstig artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vastgesteld op € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, beiden t.w.v. € 495,-) en voor de kosten in bezwaar op € 990,- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, beiden t.w.v. € 495,-). Eiseres heeft aanspraak gemaakt op een vergoeding van de reiskosten voor het openbaar vervoer tussen Enschede en Almelo, ter hoogte van € 9,40. De rechtbank ziet aanleiding verweerder overeenkomstig artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in deze kosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept de primaire besluiten;

  • -

    verlaagt de aan eiseres toegekende bijstandsuitkering over de maanden oktober, november en december 2015 en de maanden februari en juni 2016 met de in die maanden ontvangen kasstortingen als weergegeven onder 4.2, stelt vast dat eiseres aan verweerder een bedrag van € 1.975,- bruto aan te veel betaalde bijstand dient terug te betalen en legt aan eiseres wegens het schenden van de inlichtingenplicht een boete op van € 987,50;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar en in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.989,40.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings, rechter, in aanwezigheid van G. Ballast, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.