Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:376

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
08/710021-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met drie anderen brand gesticht door een molotovcocktail tegen een sporthal in Hengelo te gooien. Verdachte heeft het risico voor lief genomen dat de brand had kunnen escaleren. Het is niet de verdienste van verdachte geweest dat de gevolgen niet ernstig zijn.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uur. Daarnaast legt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden op, met daarbij een aantal bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/710021-16

Datum vonnis: 31 januari 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

17 januari 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Schotman en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen opzettelijk brand heeft gesticht door een molotovcocktail tegen de muur van een sporthal aan de Jan Prinsstraat in Hengelo (O) te gooien.

Subsidiair is dit tenlastegelegd als een poging daartoe.

Meer subsidiair is dit tenlastegelegd als medeplichtigheid daaraan.

Nog meer subsidiair is dit tenlastegelegd als het medeplegen van een vernieling.

feit 2: samen met anderen opzettelijk een bankje in de brand heeft gestoken.

Subsidiair is dit tenlastegelegd als vernieling van dat bankje.

feit 3: samen met anderen een molotovcocktail voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 27 oktober 2015

te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door een zgn molotov-cocktail althans open

vuur te gooien althans in aanraking te brengen naar/met een gebouw (sporthal)

aan de Jan Prinsstraat, althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan een (deel) van dat gebouw en/of een muur van dat gebouw

en/of luchtverwarmers (in de technische ruitme van dat gebouw) geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor dat gebouw en/of inboedel van dat pand in elk

geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor in dat gebouw

aanwezige sporters en/of personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in dat gebouw

aanwezige sporters en/of personen, in elk geval gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 oktober 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand te stichten aan een gebouw aan de Jan Prinsstraat (sporthal)

met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

zich heeft/hebben begeven naar dat gebouw en/of een zgn molotov-cocktail

heeft/hebben gemaakt en/of aangestoken en/of (vervolgens) dat molotov-cocktail

gegooid naar (een installatieruimte althans een cv hok van) dat gebouw, in elk

geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met gebouw, althans

met een brandbare stof,

en daarvan gemeen gevaar voor dat gebouw en/of inboedel van dat gebouw, in elk

geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor in dat gebouw

aanwezige sporters en/of personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in dat gebouw aanwezige sporters

en/of personen, in elk geval gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of andere personen,

op of omstreeks 27 oktober 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen,

opzettelijk brand heeft/hebben gesticht door een zgn. molotov-cocktail althans

open vuur in aanraking te brengen/te gooien met/naar een gebouw (sporthal)

aan de Jan Prinsstraat, althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan een (deel) van dat gebouw en/of een muur van dat gebouw

en/of luchtverwarmers en/filters (in de technische ruimte en/of cv hok) van/in

dat gebouw geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is

ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor dat gebouw en/of inboedel van dat pand in elk

geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor in dat gebouw

aanwezige sporters en/of personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in dat gebouw

aanwezige sporters en/of personen, in elk geval gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, tot en/of

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 27 oktober 2016 in

de gemeente Hengelo (O) en/of elders in Nederland, opzettelijk gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is

geweest door van te voren afspraak te maken om een molotov-cocktail te maken

en/of zich te begeven naar een tankstation en/of (vervolgens) de fles voorzien

van benzine althans een soortgelijke stof en/of de benzine/stof (voor de

molotov-cocktail) bij de kassa van dat tankstation afgerekend;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 oktober 2015

te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk luchtverwarmers en/of

een CV hok en/of muren van/in een gebouw aan de Jan Prinsstraat, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de gemeente Hengelo (O), in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 23 augustus 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met stof van een

bankje,

althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan de stof en/of kussens van dat bankje en/of dat bankje

geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor dat bankje en/of in de nabijheid van dat bankje

staande pingpong tafel en/of andere goederen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 23 augustus 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en

wederrechtelijk een bankje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [school] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 27 oktober 2015

te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen,

een zgn. molotov-cocktail, zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen

van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van feit 3 en dat hij voor de feiten 1 primair en 2 primair wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd, en een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan die voorwaardelijke gevangenisstraf een meldplicht bij Tactus, een ambulante behandeling bij JusTact en een klinische opname voor maximaal zeven weken, indien de reclassering dat nodig acht, als bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Tot slot heeft de officier van justitie hoofdelijke toewijzing van de gehele civiele vordering van de gemeente Hengelo gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Feit 1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier vastgesteld kan worden dat een brand heeft gewoed in de sporthal aan de Jan Prinsstraat in Hengelo. Op basis van de verklaringen van verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en de camerabeelden van het tankstation kan worden vastgesteld dat [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daarin een aandeel hebben gehad en dat op grond van het complex van de handelingen van de verdachten sprake is van medeplegen van die brandstichting. Gelet op het feit dat de mensen die ten tijde van de brand aanwezig waren in de sporthal nog kans hebben gezien hun spullen uit de kleedkamer te halen en zelf de brand te blussen en dat er voldoende nooduitgangen waren waardoor iedereen het pand tijdig heeft kunnen verlaten, alsmede gelet op de verklaring van de brandweerman, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen levensgevaar voor personen te duchten was, zodat [verdachte] daarvan moet worden vrijgesproken.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de verklaringen die zich in het dossier bevinden niet kan worden aangenomen dat verdachte opzet had – ook niet in voorwaardelijke zin – op het gooien van de molotovcocktail naar de sporthal. Opzettelijke brandstichting is derhalve niet bewezen.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte stond op 27 oktober 2015 samen met [medeverdachte 1] bij de Jumbo in Groot Driene in Hengelo. Daar hebben zij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] getroffen. [medeverdachte 2] had een tas bij zich waarin onder meer een glazen fles en een doek zat. Zij hebben met elkaar gesproken over het maken van een molotovcocktail. Verdachte is samen met [medeverdachte 3] naar het dichtstbijzijnde tankstation gegaan en samen hebben zij de fles uit de tas van [medeverdachte 2] gevuld met benzine en betaald. Daarna zijn verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen naar de voetbalkooi aan de Jan Prinsstraat gelopen. Zij stonden dichtbij de muur van de sporthal waar zich de technische ruimte achter bevond. Daar heeft [medeverdachte 1] de molotovcocktail gemaakt waarna [medeverdachte 3] het lont heeft aangestoken. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] de brandende molotovcocktail naast het ventilatierooster tegen de muur van de sporthal stuk gegooid.

Verdachte heeft dit erkend.

De ter plaatse gekomen brandweer heeft geconstateerd dat aan de buitenzijde van de sporthal brand heeft gewoed bij een ventilatierooster van een ruimte waarin de Cv-installatie zich bevind. Achter dat rooster zijn brandsporen aangetroffen. In de ruimte is door de brandweer geconstateerd dat de Cv-installatie van de binnenkant verbrand was.

Opzet

Zoals hiervoor vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [medeverdachte 3] in het bijzijn van verdachte de lont – bestaande uit een stuk doek – van de molotovcocktail die [medeverdachte 1] vasthad, heeft aangestoken, terwijl zij op korte afstand stonden van de muur waarachter zich de Cv-installatie van de sporthal bevond. [medeverdachte 1] heeft deze molotovcocktail brandend tegen de muur van voornoemde ruimte gegooid. Naar het oordeel van de rechtbank is dergelijk handelen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm gericht op en geschikt voor het veroorzaken van een brand en/of ontploffing, een logisch gevolg indien en zodra een dergelijk voorwerp breekt en de brandbare/explosieve benzine(damp) in aanraking komt met de brandende lont. De kans daarop is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Verdachte had dat ook kunnen en moeten begrijpen en heeft die kans bewust aanvaard. Daar komt nog bij dat niet is gebleken dat de verdachten een plan hebben gemaakt om de werking van de molotovcocktail op een ongevaarlijk plek te testen, en zij juist op een plek dichtbij de sporthal zijn gaan staan. Onder deze omstandigheden heeft [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank in voorwaardelijke zin opzet gehad op de brandstichting.

Medeplegen

Verdachte is niet de persoon geweest die de molotovcocktail heeft aangestoken en gegooid. De rechtbank merkt hem, evenals de officier van justitie en de verdediging, echter aan als medepleger, omdat er tussen de verdachten op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

Levensgevaar

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat door de brandstichting levensgevaar voor anderen dan wel zwaar lichamelijk letsel te duchten is, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank acht hetgeen aan verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

5.2

Feit 2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat vaststaat dat de bank in brand is gestoken en dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is. Het dossier bevat echter onvoldoende aanknopingspunten aan de hand waarvan vastgesteld kan worden dat door de brandstichting gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, terwijl gemeen gevaar voor het in brand gestoken bankje juridisch niet mogelijk is.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 23 augustus 2015 stond er een bankje voor de ingang van basisschool [school] . Dat bankje zou door iemand in de wijk De Kasbah in Hengelo zijn achtergelaten en door vrienden van verdachte voor de ingang van de basisschool zijn gezet.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 23 augustus 2015 met vrienden bij [school] was om te “chillen”. Zij hebben die bank een meter of drie à vier van de pingpongtafel neergezet. Uiteindelijk hebben ze bij de bank met vuur gespeeld waardoor de bank vlam heeft gevat en is afgebrand.

Zowel [betrokkene 1] , als [medeverdachte 2] , als [betrokkene 2] zijn over deze brandstichting gehoord. Zij verklaren alle drie afzonderlijk dat zij niet bij de brandstichting aanwezig zijn geweest, zodat zij ook niet kunnen verklaren op welke afstand het bankje zich van de pingpongtafel of andere goederen bevond. Het dossier bevat voor het overige geen aanknopingspunten op grond waarvan de rechtbank kan vaststellen wat de afstand is geweest van de brandende bank tot de pingpongtafel of andere goederen, zodat niet bewezen kan worden verklaard dat gemeen gevaar voor de pingpongtafel en/of andere goederen te duchten was. De enkele verklaring van verdachte is daarvoor onvoldoende. Daarnaast dient het gemene gevaar zich uit te strekken tot andere onroerende of roerende goederen (zaken) dan het goed waarin brand wordt gesticht, zodat niet strafbaar is, zoals wel is tenlastegelegd, dat “gemeen gevaar voor dat bankje” te duchten was.

Aangezien niet kan worden vastgesteld dat het bankje een ander toebehoort, is de rechtbank van mening dat ook de subsidiair tenlastegelegde vernieling niet bewezen kan worden .De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

5.3

Feit 3

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het feit moet worden vrijgesproken, omdat in de tenlastelegging niet staat omschreven tot welke categorie van de Wet wapens en munitie een molotovcocktail behoort en omdat het dossier hieromtrent ook niets bevat.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 5.1 aan feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 27 oktober 2015 een molotovcocktail voorhanden heeft gehad. Een molotovcocktail is een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie II onderdeel 7 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). Naar het oordeel van de rechtbank schrijft geen rechtsregel voor dat in de tenlastelegging benoemd wordt onder welke categorie van de WWM een molotovcocktail valt. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

5.4

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder sub 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het sub 1 primair en sub 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 27 oktober 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht door een zogenaamde molotovcocktail te gooien naar een gebouw (sporthal) aan de Jan Prinsstraat, ten gevolge waarvan een muur van dat gebouw en luchtverwarmers (in de technische ruimte van dat gebouw) geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor dat gebouw en de inboedel van dat pand te duchten was;

3.

hij op 27 oktober 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met een anderen, een zogenaamde molotovcocktail, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder sub 1 primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 47 en 157 Sr en artikel 55 Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten;

feit 3

het misdrijf: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] brand gesticht door een molotovcocktail tegen de muur van een sporthal te gooien naast een ventilatierooster van de technische ruimte van dat pand. Op het moment dat de brandbom door [medeverdachte 1] gegooid werd, is verdachte weggelopen. Van een afstand heeft hij een grote vuurbal gezien. Verdachte heeft geen pogingen gedaan het vuur te blussen en heeft evenmin de hulpdiensten ingeschakeld. Verdachte heeft daarbij het risico voor lief genomen dat de brand had kunnen escaleren. Het is dan ook niet de verdienste van verdachte geweest dat de gevolgen voor de mensen, die in het pand aan het sporten waren, niet ernstig zijn.

Een dergelijke brandstichting is een delict met een groot gevaarzettend karakter en dient als een zeer ernstig strafbaar feit te worden gekwalificeerd. Naast gevoelens van onrust en onveiligheid bij betrokkenen veroorzaakt brandstichting doorgaans ernstige schade. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte rapport van de reclassering van 12 januari 2017. Hieruit blijkt dat verdachte een jongen is die impulsief handelt en die erg beïnvloedbaar is waardoor hij in problematische situaties terecht kan komen. Verdachte woont beschermd binnen het RIBW en heeft een goede band met zijn ouders. Zijn alcohol- en drugsgebruik – dat voorheen veel was – heeft hij weten te verminderen, hetgeen hem zwaar valt. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting, ook als dat inhoudt een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken als de reclassering dat noodzakelijk acht.

De rechtbank heeft daarnaast rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 6 december 2016 waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren moet worden opgelegd. De rechtbank zal aan die voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden koppelen zoals door de reclassering geadviseerd, met dien verstande dat de rechtbank van oordeel is dat er onvoldoende aanleiding is voor de noodzaak van een eventuele klinische opname, zodat zij niet zal beslissen dat de reclassering kan bevelen dat verdachte zich klinisch laat behandelen, als de reclassering dat nodig acht.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

De gemeente Hengelo, in deze vertegenwoordigd door [aangever] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 2.945,71 (tweeduizend negenhonderdvijfenveertig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    twee luchtverwarmers (eigen risico) € 2.500,--

  • -

    schoonmaakkosten € 105,71

  • -

    “proceskosten” € 340,--.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn onvoldoende gemotiveerd betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 2.945,71, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 primair is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57 en 91 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het sub 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1 primair en sub 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder sub 1 primair en sub 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: medeplegen van opzettelijk brand stichten;

feit 3: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de veroordeelde zich na uitnodiging melden bij Tactus Reclassering op het adres Raiffeissenstraat 75, 7514 AM Enschede. Hierna moet de veroordeelde zich gedurende door Tactus Reclassering bepaalde periode blijven melden zo frequent als Tactus Reclassering dat nodig acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet laten behandelen voor zijn middelengebruik en zijn psychische problematiek in relatie tot delictgedrag bij JusTact, de forensische poli van Tactus Verslavingszorg, of bij soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 (honderdtwintig) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot hoofdelijke betaling aan de benadeelde partij gemeente Hengelo van een bedrag van € 2.945,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2015, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.945,71 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 39 (negenendertig) dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. H. Stam en mr. F.H.W. Teekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2017.

Buiten staat

Mr. G.J. Stoové is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2016101377. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van feit 1 en feit 3

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 januari 2017, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

Het klopt dat ik op 27 oktober 2015 bij het Texaco tankstation in Groot Driene de benzine heb afgerekend. Ik stond samen met [medeverdachte 1] bij de Jumbo in Groot Driene. [medeverdachte 3] kwam daar samen met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] had een tas bij zich waar een fles en een doek inzaten. Toen kwamen we op het idee om een molotovcocktail te maken. Daar hebben wij toen met elkaar over gesproken. [medeverdachte 3] en ik kwamen op het idee om de fles uit de tas van [medeverdachte 2] te vullen met benzine. Daarna zijn wij met zijn vieren naar de voetbalkooi bij de sporthal gelopen. Daar waren nog meer mensen. [medeverdachte 1] bood aan de molotovcocktail te maken. Op een gegeven moment stonden we achter de voetbalkooi. Daar heeft [medeverdachte 3] het lont aangestoken en heeft [medeverdachte 1] de brandende molotovcocktail weggegooid. Op het moment dat hij werd aangestoken, ben ik weggelopen. Ik heb gezien dat hij gegooid werd en dat er daarna een grote vuurbal kwam.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 13 november 2015, pagina’s 114 en 115, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik ben namens de gemeente gerechtigd om aangifte te doen. Op dinsdag 27 oktober 2015 werd ik gebeld door een collega die vertelde dat er brand was geweest bij de sporthal aan de Jan Prinsstraat 1 in Hengelo. Een collega, de heer [collega] , is naar de sporthal gegaan. Samen met de brandweer is hij de technische ruimte binnengegaan. De vlammen zijn naar binnengezogen in de technische ruimte. Hierdoor zijn twee luchtverwarmers beschadigd.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 28 januari 2016, pagina’s 131 en 132, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

Op 27 oktober 2015 omstreeks 20.00 uur kregen wij een melding van een buitenbrand aan de Jan Prinsstraat in Hengelo. De aanvalsploeg van de brandweer constateerde dat er brand was geweest aan de buitenzijde van het pand. De plaats waar de brand had plaatsgevonden was bij een rooster van een ruimte naast de sporthal waar de Cv-installatie inzit. We hebben toen dat rooster er af gehaald en hebben brandsporen aangetroffen. Waarschijnlijk heeft de luchtstroom van de Cv-installatie ervoor gezorgd dat de brand is overgeslagen naar de binnenzijde van de installatie. Toen de sleutelhouder ter plaatse kwam, zijn wij van de brandweer bij het Cv-hok naar binnen gegaan. De sleutelhouder haalde een dekplaat van de bekisting van de installatie af en ik zag toen dat de installatie aan de binnenkant verbrand was. Ik zag dat de filters uit de installatie volledig waren weggebrand. Over de brandhaard aan de buitenzijde van de sporthal kan ik verklaren dat ik op de plek van de brand glasscherven heb aangetroffen. De glasscherven bestonden samen uit bijna een hele glazen fles. De scherven lagen dicht bij elkaar en zij lagen midden in een vloeistof die kennelijk gebrand heeft. De geur die ik op de plek rook, bevestigde mijn gevoel dat de vloeistof op de grond een benzine is geweest. Behalve hetgeen ik op de grond aantrof, zag ik ook twee zwarte vlekken op de muur van de sporthal. De vlekken zaten op ongeveer anderhalve meter hoogte.