Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3756

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
C/08/197333 / FT RK 17/144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing toelating-onvoldoende aannemelijk geworden dat de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/197333 / FT RK 17/144

Uitspraakdatum: 28 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna [verzoeker] te noemen.

Het procesverloop

[verzoeker] heeft op 27 januari 2017 een verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 21 maart 2017, waar [verzoeker] is verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling:

De feiten:

[verzoeker] is 38 jaar oud en is alleenstaand. [verzoeker] werkt momenteel bij [B] B.V. Hij heeft in de weken acht en negen van 2017 respectievelijk

€ 368,88 en € 372,72 netto per week verdiend.

De schuldenlast van [verzoeker] bedraagt volgens het verzoekschrift met bijlagen in totaal

€ 16.311,96, waaronder de volgende schulden:

  • -

    UWV, € 254,85 (2014);

  • -

    Belastingdienst, € 258,- (2015);

  • -

    Belastingdienst, € 2.706,- (2015);

  • -

    Direct Pay Services, € 759,59 (2014);

  • -

    Afterpay BV, € 121,20 (2015) + € 144,95 (2015) + € 117,65 (2015) + € 70,54 (2015);

  • -

    Christine le Duc, € 84,93 (2015);

  • -

    Call2collect, € 59,16 (2015);

  • -

    Zalando gmbh, € 106,26 (2015);

  • -

    Bol.com.bv, € 89,40 (2015).

Blijkens het overzicht openstaande zaken van het CJIB van 7 februari 2017 staan er twee WAHV-boetes open voor een totaalbedrag van € 1.818,--.

Blijkens de door de Stadsbank aangeleverde stukken heeft [verzoeker] de volgende schulden aan de belastingdienst:

  • -

    € 140,- betreffende ten onrechte ontvangen huurtoeslag in 2013;

  • -

    € 2.024,- betreffende ten onrechte ontvangen huurtoeslag in 2014;

  • -

    € 1.913,- betreffende ten onrechte ontvangen huurtoeslag in 2015;

  • -

    € 258,- betreffende een aanslag motorrijtuigenbelasting 2015;

  • -

    € 316,- + € 316,- betreffende twee aanslagen motorrijtuigenbelasting 2016;

  • -

    € 218,- betreffende ten onrechte ontvangen zorgtoeslag in 2014;

  • -

    € 399,- betreffende ten onrechte ontvangen zorgtoeslag in 2015.

Daarnaast blijkt uit de door de Stadsbank aangeleverde stukken dat op 30 maart 2016 nog een schuld aan het UWV openstond van € 2.775,02 (oorspronkelijk bedrag € 3.007,25), betreffende een terugvordering van ten onrechte ontvangen WW-uitkering en opgelegde boetes. De schuld is het gevolg van overtreding van de mededelingsverplichting. Op

6 december 2016 stond er nog een bedrag van € 254,85 open.

De toelichting van [verzoeker] :

[verzoeker] heeft ter zitting ten aanzien van de schuld aan het UWV verklaard dat loonbeslag is gelegd en dat de schuld thans is afgelost. Volgens [verzoeker] is de schuld aan het UWV ontstaan omdat hij teveel WW-uitkering had gekregen. Naar zijn zeggen is de afbetaling van de schuld niet goed verlopen. Desgevraagd weet [verzoeker] niet dat de schuld aan het UWV is ontstaan als gevolg van overtreding van de mededelingsplicht.

[verzoeker] heeft ter zitting ten aanzien van de schuld aan de belastingdienst verklaard dat hij in 2013, 2014 en 2015 teveel huur- en zorgtoeslag heeft gekregen. Volgens [verzoeker] is de berekening van het jaarinkomen verkeerd doorgegeven aan de belastingdienst. Wat betreft de aanslagen motorrijtuigenbelasting heeft [verzoeker] verklaard dat hij sinds drie maanden weer werk heeft. Daarvoor werkte [verzoeker] niet en ontving hij een uitkering van € 1.050,- per maand. Volgens [verzoeker] kon toen de motorrijtuigenbelasting niet worden betaald.

[verzoeker] heeft ten aanzien van de schulden aan de webshops verklaard dat hij in 2014 en 2015 werk had. Hij had toen een inkomen van € 1.600,- per maand. [verzoeker] stelt dat hij de bestellingen destijds wel betaalde. [verzoeker] is in 2015 naar de Stadsbank gegaan om ‘alles onder controle te houden’.

Wat betreft de opgelegde boetes heeft [verzoeker] verklaard dat deze zijn opgelegd wegens het rijden in een onverzekerde auto. Volgens [verzoeker] lost hij maandelijks af op de CJIB-schulden.

De overwegingen van de rechtbank:

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[verzoeker] heeft volgens zijn verzoekschrift een schuld aan de belastingdienst van in totaal

€ 2.964,- (€ 258,- + € 2.706,-). Uit de door de Stadsbank aangeleverde specificatie van de belastingschulden blijkt echter dat [verzoeker] een schuld aan de belastingdienst heeft van in totaal € 5.584,-, betreffende in 2013, 2014 en 2015 ten onrechte ontvangen huurtoeslag, drie aanslagen motorrijtuigenbelasting in 2015 en 2016 en in 2014 en 2015 ten onrechte ontvangen zorgtoeslag. Dienaangaande heeft [verzoeker] verklaard dat hij teveel huur- en zorgtoeslag heeft gekregen, omdat de berekening van het jaarinkomen verkeerd is doorgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] door middel van de aangeleverde stukken en de behandeling ter zitting niet afdoende duidelijkheid kunnen verstrekken over de hoogte en de reden van het ontstaan van de belastingschulden. Afgezien van het feit dat het aan [verzoeker] is om de belastingdienst van de juiste inkomensgegevens te voorzien, is het niet erg aannemelijk dat drie jaar achter elkaar een verkeerde berekening van het jaarinkomen is doorgegeven. Het is wel aan [verzoeker] om aannemelijk te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de belastingschulden te goeder trouw is geweest, hetgeen niet is gebeurd. De schuld aan de belastingdienst ter zake motorrijtuigenbelasting 2015 en 2016 is naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw ontstaan. Blijkens de stukken en de behandeling ter zitting was [verzoeker] toen hij niet werkte en een uitkering ontving niet meer in staat om de motorrijtuigenbelasting te betalen. Desondanks heeft hij er niet voor gekozen om zijn auto toen van de hand te doen, terwijl dat wel voor de hand had gelegen. Dat [verzoeker] momenteel de auto nodig heeft voor zijn werkzaamheden, maakt dit oordeel niet anders.

Daarnaast heeft [verzoeker] volgens de verklaring schuldsanering een schuld aan het UWV van € 254,85. Blijkens de opgaven restantvordering van het UWV bedroeg deze schuld op

30 maart 2016 nog € 2.775,02. Op 6 december 2016 resteerde nog een schuld van € 254,85. Uit de opgave van het UWV blijkt dat deze schuld het gevolg is van het overtreden van de inlichtingenplicht waardoor het UWV de door [verzoeker] teveel ontvangen WW-uitkering heeft teruggevorderd en tevens boetes heeft opgelegd. [verzoeker] heeft ter zitting gesteld dat de schuld door middel van loonbeslag inmiddels is afgelost. Door aflossen van deze schuld door middel van loonbeslag heeft [verzoeker] echter andere schulden onbetaald moeten laten. Derhalve is het niet aannemelijk geworden dat [verzoeker] ten aanzien van het onbetaald laten van deze schulden te goeder trouw is geweest.

Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat [verzoeker] met name in de jaren 2014 en 2015 veel bestellingen bij webshops heeft gedaan, waarvan hij wist dan wel kon weten dat hij deze niet kon betalen. [verzoeker] heeft ter zitting weliswaar verklaard dat hij toen werk had en € 1.600,- per maand verdiende, maar gelet op de ontstaansdata van de overige schulden bevond hij zich toen al in een problematische schuldensituatie. Ter zitting heeft [verzoeker] ook zelf verklaard dat hij zich in 2015 tot de Stadsbank heeft gewend om ‘alles onder controle te houden’. De schulden aan onder meer Direct Pay Services, Afterpay BV, Christine le Duc, Call2collect, Zalando gmbh en Bol.com.bv zijn dan ook het gevolg van een consumptieve overbesteding door [verzoeker] . Als gevolg hiervan is de schuldenlast van [verzoeker] steeds verder opgelopen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze consumptieve schulden van [verzoeker] niet te goeder trouw zijn ontstaan.

Tot slot dienen de schulden aan het CJIB naar hun aard te worden aangemerkt als niet te goeder trouw ontstaan.

Gelet op het vorenstaande dient het verzoek van [verzoeker] te worden afgewezen. De overige schuldenlast behoeft verder geen bespreking meer.

Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw).

Voor zover een beroep is gedaan op het bepaalde in artikel 288, derde lid, Fw, faalt dit beroep. Omstandigheden als bedoeld in dat artikel zijn niet aannemelijk geworden, zodat het verzoek ook op deze grond niet kan worden toegewezen.

De beslissing:

de rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. M.C. Bosch, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 [-]