Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3747

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-09-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
C/08/207241 / KG ZA 17-296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, opheffing derdenbeslag (eindvonnis na eerder tussenvonnis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/207241 / KG ZA 17-296

Vonnis in kort geding van 29 september 2017

in de zaak van

1. vennootschap onder firma

[eiseres 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

2. [eiser 1], vennoot van eiseres sub 1,

wonende te [plaats 1] ,

3. [eiseres 2], vennoot van eiseres sub 1,

wonende te [plaats 1] ,

4. [eiser 2], vennoot van eiseres sub 1,

wonende te [plaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. J. de Ruiter te Kampen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. D.F. Fransen te Hattem.

Partijen zullen hierna [eiseres c.s.] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis (tevens eindvonnis ten aanzien van de reeds daarin genomen beslissing) gewezen dat op 15 september 2017 is uitgesproken. In dat vonnis zijn de door [gedaagde] ten laste van [eiseres c.s.] gelegde conservatoire derdenbeslagen onder Rabobank opgeheven. Daarbij is overwogen dat bij (het onderhavige) (eind)vonnis de gronden waarop de beslissing in het tussenvonnis rust, zullen worden gegeven.

2 De feiten

2.1.

[eiseres c.s.] heeft in maart 2015 een Claas Xerion tractor, bouwjaar 2011 (verder: de tractor) met een Chippo 500 houtversnipperaar (verder: de houtversnipperaar) gekocht van [gedaagde] . Op 21 maart 2015 heeft [gedaagde] aan [eiseres c.s.] een factuur verzonden ten bedrage van € 60.500,00 inclusief BTW voor de houtversnipperaar en op 30 november 2015 ten bedrage van € 102.850,00 inclusief BTW voor de tractor. De factuur voor de houtversnipperaar heeft [eiseres c.s.] voldaan. Nadat [eiseres c.s.] de machines in gebruik had genomen, zijn verschillende gebreken aan de tractor ontstaan.

2.2.

In december 2015 heeft [eiseres c.s.] de betaling van de factuur voor de tractor opgeschort, omdat zij meent dat de tractor niet aan de overeenkomst voldoet. Bij brief van 19 augustus 2016 is namens [eiseres c.s.] de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst ingeroepen wegens een tekortkoming in de nakoming. Subsidiair heeft [eiseres c.s.] de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen vanwege dwaling. [gedaagde] heeft [eiseres c.s.] laten weten dat volgens hem geen sprake is van non-conformiteit en dat [eiseres c.s.] de op haar rustende betalingsverplichtingen dient na te komen.

2.3.

Partijen hebben hun geschil in een bodemprocedure voorgelegd aan deze rechtbank, waarbij [eiseres c.s.] in conventie van [gedaagde] - onder meer - de terugbetaling van € 60.500,00 vordert en waarbij [gedaagde] in reconventie de betaling van € 102.850,00 vordert.

2.4.

Bij tussenvonnis van 23 augustus 2017 heeft de rechtbank bepaald dat met betrekking tot de vraag of ten aanzien van de tractor sprake is van non-conformiteit een deskundige zal worden geraadpleegd.

2.5.

Op 29 augustus 2017 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht hem verlof te verlenen voor het leggen van conservatoire beslagen ter verzekering van verhaal van zijn (gepretendeerde) vordering in verband met de niet door [eiseres c.s.] betaalde factuur voor de tractor, begroot op € 133.705,00. Diezelfde datum is het verlof verleend, waarna door [gedaagde] beslag is gelegd op een aantal landbouwmachines en onroerende zaken van [eiseres c.s.] en tevens conservatoir derdenbeslag is gelegd onder de Coöperatieve Rabobank U.A., statutair gevestigd te Utrecht (verder: de Rabobank).

3 Het geschil

3.1.

[eiseres c.s.] vordert samengevat - de opheffing van de door [gedaagde] gelegde beslagen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.2.

Door [eiseres c.s.] is niet gesteld dat bij de beslaglegging op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd.

4.3.

Evenmin is summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] , nu de rechtbank in de bodemprocedure aanleiding heeft gezien een deskundige te raadplegen met betrekking tot de vraag of ten aanzien van de tractor sprake is van non-conformiteit. Hierdoor kan thans niet met voldoende waarschijnlijkheid worden uitgemaakt wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft.

4.4.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of op grond van een belangenafweging de beslagen toch moeten worden opgeheven. Door [eiseres c.s.] is in dit verband gesteld dat het derdenbeslag onder de Rabobank zeer bezwarend voor haar is en haar bedrijfsvoering ernstig in gevaar brengt. [eiseres c.s.] kan door dit beslag niet beschikken over een groot deel van haar banksaldo, terwijl zij dat nodig heeft voor werkzaamheden die op korte termijn moeten worden aangevangen en voor andere betalingsverplichtingen, zoals leasetermijnen en salarisbetalingen. [gedaagde] stelt daar tegenover dat hij belang heeft bij het beslag onder de Rabobank, omdat een bankbeslag meer zekerheid voor verhaal biedt en gemakkelijker en goedkoper kan worden uitgewonnen dan de beslagen op (on)roerende zaken.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [eiseres c.s.] bij opheffing van het conservatoire derdenbeslag onder de Rabobank in dit geval dient te prevaleren boven het belang van [gedaagde] . Daarvoor is redengevend dat niet in geschil is dat de bedrijfsvoering van [eiseres c.s.] ernstig wordt gehinderd door dit derdenbeslag, terwijl aannemelijk is dat de beslagen (on)roerende zaken [gedaagde] voldoende zekerheid voor verhaal bieden. [gedaagde] heeft immers beslag doen leggen op aan eiseres sub 3 toebehorende onroerende zaken (kadastraal aangeduid [nummer] ), die onbezwaard zijn en die naar onweersproken stelling van [eiseres c.s.] samen een bouwperceel (nieuwbouw-wonen) in de kern van [plaats 1] vormen. Daarnaast heeft [gedaagde] ook beslag doen leggen op een DAF-trekker en mestoplegger, die volgens de door [eiseres c.s.] overgelegde taxatie van Roordink Bedrijfswagens B.V. van 5 september 2017 een waarde hebben van in totaal € 140.000,00. Dit betreft weliswaar geen officiële taxatie, maar door [gedaagde] is niet bestreden dat deze landbouwmachines op dit moment een aanzienlijke waarde hebben. De vrees van [gedaagde] dat de landbouwmachines op termijn mogelijk niet meer kunnen worden uitgewonnen, omdat deze hun waarde hebben verloren of kunnen zijn verduisterd, maakt de belangafweging niet anders. Hierbij is in aanmerking genomen dat door [eiseres c.s.] onweersproken is gesteld dat zij geen belang heeft bij verduistering van de landbouwmachines, omdat zij deze nodig heeft voor haar bedrijfsvoering. Ook is het gelet op de stand van de bodemprocedure niet aannemelijk dat het, zoals [gedaagde] stelt, nog jaren zal duren voordat in de bodemprocedure eindvonnis zal zijn gewezen en [gedaagde] - bij toewijzing van zijn vordering - tot uitwinning kan overgaan.

4.6.

Gezien het voorgaande bestaat aanleiding het door [gedaagde] ten laste van [eiseres c.s.] gelegde conservatoire derdenbeslag onder de Rabobank op te heffen.

4.7.

Het gevorderde verbod om nadere beslagverloven ter zake van dezelfde rechtsverhouding te verzoeken is volgens vaste jurisprudentie slechts in uitzonderlijke gevallen op zijn plaats. Het staat immers in beginsel een ieder vrij om van de door de wet geboden middelen tot bewaring van zijn recht gebruik te maken. De aanwezigheid van een zodanig uitzonderlijke situatie is gesteld noch gebleken, zodat die vordering zal worden afgewezen.

4.8.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres c.s.] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,21

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.519,21

4.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

4.10.

De door [eiseres c.s.] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres c.s.] tot op heden begroot op € 1.519,21, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, aan de zijde van [eiseres c.s.] begroot op € 131,00 zonder dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgehad, vermeerderd met een bedrag van € 68,00 indien en voor zover [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling heeft voldaan en het vonnis om die reden is betekend en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten van € 131,00 vanaf de vijftiende dag na aanschrijving van [gedaagde] alsmede ingeval van betekening van dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten van € 68,00 vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, telkens tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens - de Mug en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.