Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:370

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
185803
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebondenheid pseudo-vertegenwoordigde. Schijn van bevoegdheid niet door toedoen pseudo-vertegenwoordigde, maar wederpartij mocht vertrouwen op de bevoegdheid op grond van feiten en omstandigheden die voor risico pseudo-vertegenwoordigde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1753
NTHR 2017, afl. 4, p. 199

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/185803 / HA ZA 16-186

Vonnis van 1 februari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. R.W. Karskens te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

H. [gedaagde],

gevestigd te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. de Man te Bergschenhoek.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 31 augustus 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 december 2016 en de daarin genoemde en daaraan gehechte stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een groothandel in ijzer- en staalschroot, ferrometalen en halffabricaten en houdt zich tevens bezig met het verwerken van metalen.

2.2.

Enig bestuurder van [eiseres] is [A] . Gezamenlijk bevoegd bestuurders van [A] waren vanaf 21 december 2012 Vinco BV en PLT Holding BV. Enig bestuurder van Vinco BV is de heer [B] en enig bestuurder van PLT Holding BV is de heer [C] (hierna: [C] ). [B] en [C] zijn broers.

2.3.

In de historische gegevens van de Kamer van Koophandel is met betrekking tot [A] vermeld dat Vinco BV uit functie is getreden met vermelding van de datum 25-02-2015, terwijl in een “overzicht van opgave” van de Kamer van Koophandel ter zake van die wijziging is vermeld:
Datum gegenereerd 27-02-2015 10:35

2.4.

Furmet B.V. (hierna: Furmet) is een thans in staat van insolventie verkerende vennootschap waarvan [B] middellijk bestuurder was. Furmet hield zich bezig met im- en export van schroot en was op hetzelfde adres gevestigd als [eiseres] .

2.5.

[eiseres] verkocht in 2012 loodaccu’s aan Furmet, die op haar beurt loodaccu’s aan haar afnemers doorverkocht. [eiseres] is vanaf maart 2013 gestart met rechtstreekse verkoop van loodaccu’s aan afnemers.

2.6.

[gedaagde] is een groothandel in ijzer- en staalschroot en oude non-ferrometalen en houdt zich bezig met afvalstoffen en het uitvoeren van sloopwerkzaamheden.

2.7.

Vanaf 2013 heeft [gedaagde] zaken gedaan met [B] . Voor een groot deel bestond die handelsrelatie uit verkopen van metalen en schroot door [gedaagde] aan [B] handelende namens Furmet. Voor een klein deel was sprake van verkoop van loodaccu’s door [B] aan [gedaagde] .

2.8.

[eiseres] heeft in 2014 verkoopfacturen aan [gedaagde] gezonden en [gedaagde] heeft daarmee corresponderende inkoopfacturen gezonden met betrekking tot leveringen van loodaccu’s op 22 januari 2014, 4 maart 2014, 14 april 2014, 11 juni 2014, 28 augustus 2014, 3 oktober 2014 en 12 december 2014.

2.9.

[eiseres] heeft voorts een inkoopfactuur aan [gedaagde] gezonden met betrekking tot een levering van loodaccu’s op 30 juli 2014. [gedaagde] heeft met betrekking tot de levering van loodaccu’s op 30 juli 2014 een inkoopfactuur gezonden aan Furmet. Ook de inkoopfactuur van [gedaagde] met betrekking tot de levering op 22 januari 2014 was aanvankelijk gericht aan Furmet. Per e-mail van 11 februari 2014 heeft [D] van Furmet aan een medewerker van [gedaagde] bericht dat de factuur gericht moet zijn aan [eiseres] . Daarop heeft de medewerker van [gedaagde] op 12 februari bericht:
Bijgevoegd de aangepast factuur.

2.10.

Vanaf 2014 is een achterstand van betalingen ontstaan met betrekking tot de door [gedaagde] aan Furmet verzonden facturen. Op 14 januari 2015 zijn de heren [E] en [F] van [gedaagde] op de bedrijfslocatie van [eiseres] en Furmet geweest. Medewerkers van [eiseres] hebben toen de politie gewaarschuwd. In een registratie van de politie is daaromtrent opgenomen:
Melding dat er klanten waren in het bedrijf “ [eiseres] ” die spullen wilden mee nemen omdat zij nog geld te goed hadden. Naar aanleiding van deze melding zijn er verbalisanten ter plaatse gegaan. In het kantoor zaten deze klanten ruzie te maken met [B] . De mannen hadden de hele tijd een soort onderliggende dreigtoon in de richting van [B] . Later vertelde de melder toen deze mannen weg waren dat als hij niet betaalde een kogel door zijn kop kon krijgen.
2.11. [gedaagde] heeft de heer [G] , werkzaam als zelfstandig adviseur, ingeschakeld.
heeft per e-mail van 30 januari 2015 (onder meer) aan [B] en [C] het volgende bericht:
Mijn naam is [G] (51 jaar) en ik werk met een aantal activiteiten vanuit mijn BV, [H] . Groot deel van mijn werk bestaat uit het faciliteren naar concrete oplossingen toe bij conflict situaties. Dat doe ik altijd op vertrouwelijke basis zonder enige vorm van achterliggende emotie omdat ik niet betrokken was bij het begin van het conflict.
In dit verband ben ik verzocht door [gedaagde] , (…) naar de onderliggende discussie tussen Furmet BV en [gedaagde] te kijken om te trachten aan een wederzijds acceptabele oplossing te werken. Ter vermijding van eventuele misverstanden, ik ben geen jurist. (…)
Het is niet mijn doel om de zaak verder op de spits te drijven maar juist om de zaak te normaliseren waarbij partijen een akkoord bereiken om het voorliggende probleem met concrete stappen op te lossen. Ik heb minder interesse in de feiten waarom iets niet kan, maar wil door mijn inzet bereiken dat er een focus komt op hetgeen wel mogelijk is. Daarom zou ik graag een keer met u in gesprek willen treden (…)
Op basis van de aan mij aangeleverde informatie heeft [gedaagde] diverse partijen schroot geleverd aan contractant Furmet B.V. (…) Het totaal bedrag van de vordering per 29 januari 2015 is EUR 474.932,58. (…) Ik heb diverse malen beloftes gezien van betaling die echter (voor een groot deel) zijn uitgebleven. [gedaagde] heeft daarom mij expliciet verzocht deze zaak voor hun verder te begeleiden. Alles wat ik doe om aan een gezamenlijk positief resultaat te werken is derhalve in hun naam en heeft hun goedkeuring. (…)

2.12.

Op diezelfde dag, 30 januari 2015, heeft [B] onder meer als volgt gereageerd:
Voor de duidelijkheid geld dit voor Furmet BV en niet voor de andere genoemde entiteiten. Het klopt dat wij een bedrag open hebben staan die wij aan [gedaagde] over moeten maken en over zullen maken. (…) Zoals al eerder genoemd hebben wij hier te maken met verschillende bedrijven en heeft [eiseres] een vordering op [gedaagde] . Graag ook deze bedrijven buiten bovenstaande zaak houden.

2.13.

Op 11 februari 2015 heeft [G] met [B] en diens echtgenote [I] , die zowel de administratie voor Furmet als [eiseres] deed, een gesprek gevoerd. [G] heeft van deze bespreking verslag gemaakt in zijn e-mail van 11 februari 2015, waarop [I] op 12 februari door middel van het doorstrepen van teksten en toevoegen van een roodgedrukte tekst heeft gereageerd, onder meer als volgt:
1) er is een vordering van [gedaagde] (…) op Furmet B.V. (…) van in totaal EUR 474.932,56. Daarvan moet volgens jullie worden afgetrokken twee facturen (…) ad EUR 80.947 en (…) ad EUR 15.212,70 zodat [gedaagde] volgens jullie informatie nog te vorderen heeft EUR 378.772,86. Zoals door mij aangegeven zal [gedaagde] daar haar akkoord op moeten geven wat ik zal vragen (…)
2) er is een vordering vanuit [eiseres] op [gedaagde] voor een bedrag van EUR 64.767. Ook hier zal ik [gedaagde] verzoeken om dit te bevestigen en of men een probleem heeft met het feit dat dit bedrag van de vordering ad 1) kan worden afgetrokken. Jullie zullen navragen of deze vordering / schuld compensatie intern akkoord is. Aangezien er hier sprake is van een andere juridische entiteit, zullen wij dit aan de directie van [eiseres] moeten voorleggen om een akkoord te krijgen deze posten met elkaar te verrekenen. Gevolg hiervan zal zijn dat [eiseres] een vordering krijgt op Furmet B.V., waar wij een getekende verklaring voor dienen te ontvangen.
3) Ervan uitgaande dat dit voor beide partijen akkoord is, blijft er een hoofdsom vordering over van netto EUR 474.932,56 -/- EUR 80.947 -/- EUR 15.212,70 -/- EUR 64.767 = EUR 314.005,86
Gaarne jullie akkoord op dit bedrag wat dan de hoofdsom netto vordering is zodat ik dit met [gedaagde] kan bespreken om daar ook akkoord op te krijgen. Wij geven akkoord op het openstaande bedrag ad. EUR 378.772,86 D t.a.v. Furmet B.V. en tevens een akkoord op het bedrag ad. EUR 64.767C openstaand bij [eiseres] (…)
4) Er is tussen [gedaagde] en Furmet een afspraak gemaakt dat er een additionele vergoeding van 15% is op het bedrag wat al langere tijd open staat. (…)
[B] heeft aangegeven eventueel een additionele vergoeding van tussen de 10% - 15% te willen voldoen, aangezien de posten al langere tijd openstaan. (…) Een wettelijke vergoeding kan uiteraard altijd gevorderd worden, maar dit zal dan tevens voor alle vorderingen gelden, ook voor die openstaan bij [eiseres]

2.14.

Op 25 februari 2015 heeft [G] in de ochtend een gesprek gehad met [B] . [G] heeft diezelfde dag onder meer het volgende aan [B] bericht:
Conform hetgeen wij hebben besproken is het verzoek om jouw akkoord met retour mail op de volgende overeengekomen punten:

1) (…)
2) (…)
3) vordering van [eiseres] op [gedaagde] ad EUR 64.767,= wordt van de hoofdsom afgetrokken. Furmet BV regelt dit verder met [eiseres] Een kopie van de overeenkomst tussen [eiseres] en Furmet BV wordt op prijs gesteld.
De hoofdsom is vastgesteld door partijen op EUR 474.932,56 -/- EUR 80.947 (= dispuut factuur) -/- EUR 15.212,70 -/- EUR 64.767 = EUR 314.005,86 (…)
4) (…)
Graag per retour mail je formele akkoord op bovenstaande punten (…).

2.15.

[B] heeft hierop per mail van eveneens 25 februari 2015 gereageerd door de e-mail van [G] te ondertekenen en het volgende per e-mail aan [G] te berichten:
1. Akkoord
2. Akkoord
3. Akkoord
4. Akkoord (…)

2.16.

In mei 2015 is Furmet in staat van faillissement komen te verkeren.

2.17.

Op 11 februari 2016 heeft [C] namens [eiseres] [gedaagde] verzocht om betaling van het bedrag van € 64.767,-.

2.18.

Bij brief van 26 februari 2016 heeft de advocaat van [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiseres] bericht.
[gedaagde] heeft alle zaken met uw broer de heer [B] gedaan. (…) [B] heeft in het kader van de discussies die ontstonden over aanzienlijke betalingsachterstanden van Furmet op enig moment een overzicht van enkele interne boekingen van de inkoop door [gedaagde] aan [gedaagde] doen toekomen. Deze interne boekingen waren opgenomen in de administratie van [eiseres] . Daarvoor had [B] niet aan [gedaagde] meegedeeld dat het hier om inkopen door [gedaagde] van [eiseres] zou gaan. [B] heeft evenmin uitgelegd waarom in afwijking van alle verkopen door [gedaagde] deze inkopen door [gedaagde] binnen [eiseres] zijn geadministreerd. Later bleek dat Furmet een insolvente vennootschap was die uiteindelijk in mei 2015 failleerde met [gedaagde] als grote schuldeiser.
Nu eist u voor het eerst – terwijl het hier transacties vanaf begin 2014 betreft – namens [eiseres] betaling van

€ 64.767. (…)
Het heeft er alle schijn van dat uw broer, in de wetenschap dat Furmet de aanzienlijke vorderingen van [gedaagde] niet zou kunnen voldoen, de verkopen aan [gedaagde] heeft geadministreerd binnen [eiseres] om aldus wat in wezen een door [gedaagde] te verrekenen schuld aan Furmet was om te zetten in een door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen bedrag dat [gedaagde] niet zou kunnen verrekenen met haar aanzienlijke vorderingen op Furmet. (…) Verder is mij opgevallen dat [B] bij e-mail van 25 februari 2015 heeft ingestemd met een afspraak onder meer inhoudende dat de schuld van [gedaagde] ad € 64.767 – die volgens [B] jegens [eiseres] zou bestaan – in mindering wordt gebracht op de vordering van [gedaagde] op Furmet. [gedaagde] mocht ervan uitgaan dat [B] hier [eiseres] kon binden.
Immers, daarvoor had [B] tegenover [gedaagde] gepretendeerd dat hij de aan [gedaagde] verkochte voorraden namens [eiseres] had verkocht. (…)

2.19.

[eiseres] heeft daarop bij brief van 4 maart 2016 gereageerd, onder meer als volgt:
heeft een vordering ad € 64.767,- uit hoofde van leveringen van accu’s aan [gedaagde] . Deze leveringen zijn gefactureerd door middel van een inkoopfactuur door [gedaagde] aan [eiseres] , waarna [eiseres] ter bevestiging een verkoopfactuur zond aan [gedaagde] . (…)
Een enkele keer werd per abuis door [gedaagde] een inkoopfactuur gericht aan Furmet B.V. [eiseres] heeft hierop [gedaagde] verzocht de factuur te corrigeren naar de juiste tenaamstelling: [eiseres] (…) Kortom, anders dan u stelt is van het ‘intern boeken’ van inkopen door [gedaagde] binnen [eiseres] geen sprake. (…)
U stelt vervolgens dat [B] bij e-mail zou hebben ingestemd met het ‘in mindering brengen’ van de schuld van [gedaagde] aan [eiseres] op de vordering van [gedaagde] op Furmet B.V. De betreffende e-mail legt u echter niet over en de vermeende instemming c.q. afspraak betwist ik dan ook. Daarbij geldt bovendien dat [B] per 25 februari 2015 [eiseres] niet meer kon binden, en voordien slechts gezamenlijk bevoegd was met de andere bestuurders. (…)

2.20.

Bij brief van 20 juli 2016 heeft de advocaat van [gedaagde] aan [eiseres] en Furmet bericht de (gestelde) afspraak dat de verkoop en levering van metalen aan [gedaagde] niet meer door Furmet maar door [eiseres] zou geschieden als paulianeus te vernietigen.

2.21.

Bij brief van 23 november 2016 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] bericht de op 25 februari 2015 (beweerdelijk) gemaakte “verrekenafspraak” te vernietigen omdat deze tot stand zou zijn gekomen als gevolg van door [gedaagde] geuite bedreigingen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, samengevat
primair
- te verklaren voor recht dat, indien en voor zover de rechtbank zou oordelen dat op 25 februari 2015 rechtsgeldig door [eiseres] een rechtshandeling tot afstand van recht c.q. verrekening is verricht, die rechtshandeling rechtsgeldig bij brief van 23 november 2016 buitengerechtelijk is vernietigd;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 64.767,-, te vermeerderen met (handels)rente en kosten

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] legt aan haar vordering tot betaling van haar facturen ten grondslag dat zij loodaccu’s aan [gedaagde] heeft verkocht en geleverd. Zij vordert nakoming van de overeengekomen betalingsverplichting van [gedaagde] .

4.2.

[gedaagde] heeft ter comparitie naar voren gebracht dat [gedaagde] zowel voor wat betreft haar verkopen als wat betreft haar inkopen altijd zaken heeft gedaan met [B] handelende namens Furmet. [gedaagde] wist niet beter dan dat er altijd is gehandeld met Furmet. Op enig moment heeft [eiseres] op administratief niveau gevraagd de facturen op naam van [eiseres] te zetten en dat verzoek is ingewilligd. Omdat hier geen vertegenwoordigingsbevoegd persoon bij betrokken is geweest kan er niet van worden uitgegaan dat [gedaagde] heeft ingestemd met het overzetten van de facturen van Furmet naar [eiseres] , aldus [gedaagde] .

4.3.

[eiseres] heeft verwezen naar de tenaamstellingen op zowel de in- als de verkoopfacturen en heeft aangevoerd dat de facturen zijn afgetekend. Voorts heeft [eiseres] naar voren gebracht dat [G] , die had aangegeven bevoegd te handelen namens [gedaagde] , in zijn mails de vordering van [eiseres] op [gedaagde] heeft erkend.

4.4.

De rechtbank stelt vast, dat [gedaagde] in haar conclusie van antwoord het (aanvankelijke) bestaan van de vordering [eiseres] op [gedaagde] niet (uitdrukkelijk) heeft betwist. [gedaagde] heeft immers sub 3 van haar conclusie van antwoord gesteld dat aan het verzoek van [eiseres] om de transacties op naam van [eiseres] te zetten gevolg is gegeven, terwijl sub 16 van de conclusie van antwoord is gesteld dat [B] namens [eiseres] een reeks van verkooptransacties met [gedaagde] heeft gesloten. In de e-mailwisseling tussen [B] en [G] is voorts uitgegaan van het bestaan van voormelde vordering van [eiseres] op [gedaagde] . Tegen deze achtergrond heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd het (aanvankelijke) bestaan van de vordering van [eiseres] op [gedaagde] betwist.

4.5.

[gedaagde] heeft verder als verweer naar voren gebracht dat [eiseres] afstand heeft gedaan van haar vordering op [gedaagde] . Ter onderbouwing van dit verweer heeft [gedaagde] bij conclusie van antwoord e-mailcorrespondentie tussen [G] en [B] , zoals hiervoor weergegeven sub 2.11 tot en met 2.15, in het geding gebracht. De strekking van de tussen [B] en [G] (namens [gedaagde] ) op 25 februari 2015 gemaakte afspraak was volgens [gedaagde] dat [eiseres] haar vordering op [gedaagde] niet meer kon verhalen als gevolg van het in mindering brengen van deze vordering op de schulden van Furmet aan [gedaagde] (tussen partijen ook wel de “verrekenafspraak” genoemd). Op grond van artikel 6:160 BW gaat een verbintenis teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. Ter comparitie heeft [eiseres] niet meer het bestaan van voormelde “verrekenafspraak” noch de strekking daarvan betwist. Volgens [eiseres] was [B] echter niet bevoegd om [eiseres] te binden. [eiseres] heeft daartoe aangevoerd dat [B] op 25 februari 2015 geen bevoegd (middellijk) bestuurder (meer) was van [eiseres] , terwijl [B] voorts niet zelfstandig bevoegd (middellijk) bestuurder is geweest.

4.6.

De rechtbank stelt - gelet op r.o. 2.3 - vast dat [B] op 25 februari 2015 niet (meer) (zelfstandig) bevoegd was om [eiseres] te vertegenwoordigen.

4.7.

[gedaagde] heeft een beroep gedaan op artikel 3:61 lid 2 BW. Daarin is bepaald dat wanneer een rechtshandeling in naam van een ander is verricht, tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep mag worden gedaan. Voor een beroep op artikel 3:61 lid 2 BW moet in beginsel de schijn van volmachtverlening zijn gewekt door een toedoen van de vertegenwoordigde, in dit geval [eiseres] . Voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde kan echter ook plaats zijn wanneer de wederpartij (hier: [gedaagde] ) gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de vertegenwoordiger (hier: [B] ) op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde (hier: [eiseres] ) komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Dit betekent dat een toedoen van de vertegenwoordigde (hier: [eiseres] ) onder bepaalde omstandigheden geen vereiste is.

4.8.

Vast staat, dat [gedaagde] gedurende de periode van 2012 tot en met 2014 slechts zaken heeft gedaan met [B] . [B] is aanvankelijk steeds opgetreden als bestuurder van Furmet. In de regel werden de bedragen die [gedaagde] verschuldigd was voor inkopen bij Furmet verrekend met de veel hoger openstaande bedragen in verband met verkopen door [gedaagde] aan Furmet. Vanaf 2014 heeft [gedaagde] , terwijl de verkopen aan Furmet continueerden, inkopen gedaan bij [eiseres] (in plaats van Furmet). [C] heeft daaromtrent ter comparitie naar voren gebracht dat hij niet weet hoe dat is besproken met [gedaagde] . [C] heeft verder naar voren gebracht dat [B] destijds de gesprekken voerde met [gedaagde] . Voorts heeft [C] verklaard eerst in 2015 op de hoogte te zijn geraakt van de vordering van [eiseres] op [gedaagde] . De rechtbank begrijpt daaruit aldus dat [eiseres] thans betaling verlangd van facturen die betrekking hebben op overeenkomsten die [B] zelfstandig met [gedaagde] is aangegaan.

4.9.

De rechtbank constateert verder dat [G] zich per e-mail van 30 januari 2015 tot beide bestuurders van [eiseres] heeft gericht, te weten [B] en zijn broer [C] . Op die mail heeft slechts [B] gereageerd, stellende dat een en ander slechts Furmet zou betreffen. In de e-mail van 11 februari 2015 van [G] aan [B] en diens vrouw [I] heeft [G] zijn gesprek van die dag met hen bevestigd. Blijkens die e-mail is in het gesprek naar voren gekomen dat sprake zou zijn van een vordering van [eiseres] op [gedaagde] . Voorts zou de mogelijkheid zijn besproken om deze vordering af te trekken van de vordering van [gedaagde] op Furmet. Van de zijde van [B] en [I] is daarop gereageerd met de tekst “Aangezien er hier sprake is van een andere juridische entiteit, zullen wij dit aan de directie van [eiseres] moeten voorleggen om een akkoord te krijgen deze posten met elkaar te verrekenen.“ Voorts is van de zijde van [B] en [I] in die mail een “akkoord gegeven” op enerzijds het van de zijde van Furmet bij [gedaagde] openstaande bedrag ad € 378.772,86 alsook op het bedrag van € 64.767 als openstaand van [gedaagde] bij [eiseres] . Daarnaast is van de zijde van [B] en [I] naar voren gebracht dat [B] een additionele vergoeding met betrekking tot de openstaande posten [de rechtbank begrijpt: van Furmet bij [gedaagde] ] wil voldoen, maar “dat dit dan tevens voor alle vorderingen zal gelden, ook die openstaan bij [eiseres] ”. Per mail van 25 februari 2015 heeft [G] vervolgens aan [B] verzocht te bevestigen dat de vordering van [eiseres] van EUR 64.767,- op [gedaagde] wordt afgetrokken van de hoofdsom [de rechtbank begrijpt: de vordering] van [gedaagde] op Furmet. [B] heeft de e-mail dezelfde dag geaccordeerd en de afspraken ondertekend.

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [B] zich daarmee, juist ook nu van zijn zijde met betrekking tot de “verrekenafspraak” op 12 februari 2015 naar voren is gebracht dat “wij dit aan de directie van [eiseres] moeten voorleggen”, terwijl die directie toen bestond uit hemzelf en zijn broer [C] , en hij vervolgens ongeclausuleerd een akkoord heeft gegeven op de gemaakte afspraken, gepresenteerd als gevolmachtigde van [eiseres] . De rechtbank neemt daarbij voorts in overweging dat in de e-mail van 11/12 februari 2015 sprake is geweest van uitlatingen van de zijde van [B] en [I] ten aanzien van andere aan [eiseres] gerelateerde onderwerpen te weten het accorderen van de hoogte van de vordering van [eiseres] op Regeling en het bedingen van een additionele vergoeding over die openstaande posten. In de gegeven omstandigheden dient de schijn van volmachtverlening voor risico van [eiseres] te komen. De rechtbank acht van belang, dat [gedaagde] gedurende de gehele handelsrelatie nimmer contact heeft gehad met [C] , [C] niet heeft gereageerd op de mail van 30 januari 2015 van [G] , alle transacties van [gedaagde] steeds hebben plaatsgevonden middels contacten met uitsluitend [B] , dat aanvankelijk steeds sprake is geweest van inkopen bij [B] namens Furmet en vervolgens bij [B] namens [eiseres] en dat er sprake is geweest van verwevenheid. Dat [B] met ingang van 25 februari 2015, te weten de datum waarop [B] de betreffende “verrekenafspraak” heeft gemaakt, door het uittreden van Vinco B.V. als bestuurder van [A] , op die datum in het geheel geen bestuurder meer van [eiseres] was, maakt het voorgaande niet anders. De uittreding is eerst op 27 februari 2015 in de kamer van koophandel gegenereerd en het had op de weg van [B] gelegen mededeling van zijn uittreding te doen. Dat [B] dat heeft nagelaten moet voor risico van [eiseres] komen.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] redelijkerwijze mocht vertrouwen op de aanwezigheid van een toereikende volmacht van [B] met betrekking tot het maken van de “verrekenafspraak” strekkende tot het doen van afstand van het vorderingsrecht van [eiseres] op [gedaagde] .

4.12.

Voor zover de rechtbank zou oordelen dat op 25 februari 2015 door [eiseres] een rechtshandeling tot afstand van recht is verricht, heeft [eiseres] zich beroepen op de vernietiging van die rechtshandeling bij brief van 23 november 2016 wegens bedreiging. [eiseres] heeft in dat verband aangevoerd dat er op 14 januari 2015 een incident heeft plaatsgevonden waarbij de heren [E] en [F] van [gedaagde] de bedrijfslocatie van [eiseres] hebben betreden en dreigende teksten richting [B] hebben geuit. De bedreigingen van [gedaagde] aan het adres van [B] hielden in januari en februari 2015 aan en [B] heeft onder invloed van die druk de “verrekenafspraak” gemaakt, aldus [eiseres] .

4.13.

De heer [E] heeft ter comparitie erkend dat hij op 14 januari 2015 naar de zaak van [eiseres] /Furmet is gegaan omdat er niet werd gereageerd op verzoeken en afspraken niet werden nagekomen. Hij verklaarde dat zijn bedrijf bijna failliet ging door [B] . Hij was heel boos en heeft voorts verklaard: “natuurlijk schiet je dan een keer uit je slof”. Dat er op 14 januari 2015 een dreigende situatie heeft plaatsgevonden richting (onder meer) [B] acht de rechtbank, mede ook gelet op de overgelegde politieregistratie en verklaringen van medewerkers van [eiseres] , voldoende onderbouwd. De heer [E] heeft echter voorts verklaard dat hij [G] nu juist heeft ingeschakeld omdat hij teveel emotioneel betrokken waren bij de kwestie.

[G] is ingeschakeld om de verstoorde verhoudingen tussen partijen te de-escaleren en [gedaagde] heeft betwist dat op 25 februari 2015 nog sprake is geweest van druk of bedreiging, aldus [gedaagde] .

4.14.

De rechtbank constateert, dat dit strookt met de tekst van de mail van [G] van 30 januari 2015, waarin [G] onder meer weergeeft als zelfstandige te zijn ingeschakeld door [gedaagde] , dat hij concrete oplossingen wil zoeken in conflictsituaties, dat hij dat zonder enige vorm van achterliggende emotie doet en dat zijn doel niet is om de zaak verder op de spits te drijven maar juist om de zaak te normaliseren. De rechtbank constateert verder, dat uit de daaropvolgende contacten van [B] met [G] niet blijkt van enige druk of dreiging. Ook in de door [eiseres] overgelegde verklaringen van medewerkers van [eiseres] komt niet naar voren dat sprake is geweest van bedreigingen na 14 januari 2015. Tegen die achtergrond heeft [eiseres] , mede ook gelet op het tijdsverloop van 14 januari 2015 tot 25 februari 2015, onvoldoende onderbouwd dat de op 25 februari 2015 door [B] verrichte rechtshandeling onder invloed van bedreiging tot stand is gekomen. Van een rechtsgeldige vernietiging van de rechtshandeling is aldus geen sprake geweest.

4.15.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen.

4.16.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 1.929,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.717,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.717,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2017.1

1 type: coll: