Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3663

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
08/955002-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 54-jarige man uit Hardenberg is veroordeeld voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval op de weg tussen Sibculo en Kloosterhaar. De rechtbank legt hem een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar op, met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/955002-17 (P)

Datum vonnis: 28 september 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 september 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.C.V. Fellinger en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte schuldig is aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waardoor iemand is gedood en iemand zwaar lichamelijk letsel is toegebracht dan wel dat verdachte het verkeer in gevaar heeft gebracht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 13 december 2015 te Sibculo, in de gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Sibculo en gaande in de richting Kloosterhaar, daarmee rijdende op de ter plaatse uit twee rijstroken, bestaande weg, de Kloosterstraat (N341), zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct

voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die (de Kloosterstraat (N341) en/of het verloop van die (de Kloosterstraat (N341)) en/of

in of nabij een in die weg (de Kloosterstraat (N341)) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting naar rechts verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Kloosterstraat (N341) naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of niet het verloop van die weg/rijstrook heeft gevolgd en/of

vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die (de Kloosterstraat (N341)) naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een/de doorgetrokken streep/strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevond/en, heeft overschreden en/of zich met voormeld motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken streep/strepen, -welke streep/strepen op die weg (de Kloosterstraat (N341)) was aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of

in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Kloosterstraat (N341)) is terecht gekomen en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Kloosterstraat (N3410)) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Kloosterstraat (N341)) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander(genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of een ander (genaamd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 13 december 2015 te Sibculo, in de gemeente Hardenberg, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Sibculo en gaande in de richting Kloosterhaar, daarmee heeft gereden op de ter plaatse uit twee rijstroken, bestaande weg, de Kloosterstraat (N341) en

in of nabij een in die weg (de Kloosterstraat (N341)) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting naar rechts verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Kloosterstraat (N341) naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of niet het verloop van die weg/rijstrook heeft gevolgd en/of

vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die (de Kloosterstraat (N341)) naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een/de doorgetrokken streep/strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevond/en, heeft overschreden en/of zich met voormeld motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken streep/strepen, -welke streep/strepen op die weg (de Kloosterstraat (N341)) was aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of

in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Kloosterstraat (N341)) is terecht gekomen en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Kloosterstraat (N341)) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Kloosterstraat (N341)) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op grond van de bewijsmiddelen1 wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 13 december 2015 reed verdachte als bestuurder van een personenauto, te weten een Opel Vectra, kenteken [kenteken 1] , op de Kloosterstraat N341, gelegen buiten de bebouwde kom van Sibculo in de gemeente Hardenberg. Hij kwam uit de richting van Sibculo en reed in de richting van Kloosterhaar. Gezien zijn rijrichting naderde verdachte een bocht naar rechts. De rijbaan was door middel van twee doorgetrokken as-strepen verdeeld in twee rijstroken.2

In de bocht naar rechts heeft verdachte deze twee doorgetrokken strepen overschreden. Hij is met zijn personenauto gedeeltelijk de linker weghelft opgereden3 en is daar, ter hoogte van hectometerpaal 15,74, met de linker voorzijde van zijn voertuig frontaal op de linkervoorzijde van een hem tegemoetkomende personenauto5, een Volkswagen Golf, kenteken [kenteken 2]6 gebotst.

Door de botsing roteerden beide voertuigen linksom. Om een aanrijding te voorkomen week de bestuurder van een achter de Volkswagen Golf rijdende personenauto Volvo S 70, met kenteken [kenteken 3] , de rechterberm in.7

De bestuurster van de Volkswagen Golf, te weten [slachtoffer 1] is ten gevolge van deze aanrijding ter plaatse aan haar verwondingen overleden.8

De bijrijder van de Volkswagen Golf, te weten [slachtoffer 2] , heeft ten gevolge van deze aanrijding ernstig hersenletsel opgelopen.9

Verdachte heeft ten gevolge van de aanrijding letsel opgelopen.10 Zijn echtgenote [echtgenote] en zijn dochter [dochter] die als respectievelijk bijrijder en passagier in de auto zaten zijn licht gewond geraakt.11

Er kon geen betrouwbare snelheidsberekening worden gedaan.12 Verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer 80 kilometer per uur heeft gereden.13

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe betoogd dat bewezen kan worden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden waardoor het aan zijn schuld te wijten is, dat het ongeval is ontstaan.

Verdachte is in een bocht rechtdoor over een dubbele doorgetrokken streep gereden. Hij heeft niet naar rechts gestuurd of geprobeerd te corrigeren. Hierdoor is hij op de weghelft van de tegenliggers tegen de auto van de slachtoffers gebotst, waardoor het slachtoffer
[slachtoffer 1] is overleden en het slachtoffer [slachtoffer 2] hersenletsel heeft opgelopen. Volgens de officier van justitie dient in aanmerking te worden genomen dat verdachte zich blijkens de bewijsmiddelen in de periode voorafgaand aan het ongeval onhebbelijk in het verkeer heeft gedragen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat er geen sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de omstandigheid dat verdachte een dubbele doorgetrokken streep is overgegaan onvoldoende is om dit te kunnen concluderen. Verdachte heeft kennelijk even niet goed opgelet en is in een flauwe bocht van zijn rijbaan afgeweken. Dit enkele moment van onachtzaamheid is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van aanmerkelijke schuld te kunnen komen.

Het verkeersgedrag dat getuigen toeschrijven aan verdachte voorafgaand aan het ongeval kan bij de beoordeling van het ongeval geen rol spelen nu verdachte dit ontkent en niet vaststaat dat zij daadwerkelijk over het verkeergedrag van verdachte verklaren. Ook zijn hun verklaringen gebaseerd op onjuiste interpretaties van de situatie.

De subsidiair ten laste gelegde gevaarzetting kan volgens de raadsman wel bewezen worden.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Provinciale wegen en zeker die waarbij de rijbanen voor elkaar tegemoetkomend verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden, zoals de N341 te hoogte van hectometerpaal 15,7, zijn wegen waarvan algemeen bekend is dat deze uit verkeerstechnisch oogpunt gevaarlijk zijn. Dergelijke wegen vergen daarom in de regel bijzondere oplettendheid/voorzichtigheid van de weggebruikers. Dit geldt in nog sterkere mate ter plaatse van het ongeval, omdat de weg daar een flauwe bocht maakt. Dat de situatie op de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden gevaarlijk is, blijkt uit het feit dat er een dubbele doorgetrokken streep op het midden van de weg is aangebracht.

Verdachte is in de bocht onvoldoende met de bocht meegereden en heeft vervolgens de dubbele doorgetrokken strepen op de as van de weg overschreden en overtrad daarmee artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Uit de verkeersongevalsanalyse (pagina 5) blijkt dat de linker (voor-) zijde van zijn auto zich op het moment van de botsing minimaal 1,25 meter links van de linkerzijde van de linker as-streep bevond en minimaal 1,6 meter links van de denkbeeldige weg-as.

Er is naar het oordeel van de rechtbank dus sprake geweest van een aanzienlijke overschrijding van de twee doorgetrokken as-strepen.

Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij niet heeft ingehaald en niet bewust naar links heeft gestuurd, is verdachte gedurende langere tijd dan een enkel kort moment onoplettend geweest. Aanwijzing hiervoor is ook dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de twee koplampen van de tegemoetkomende auto van de slachtoffers in het geheel niet op zich af heeft zien komen terwijl zijn echtgenote, die ten tijde van het ongeval naast hem zat, deze koplampen wel op zich af heeft zien komen.

Zodanig verkeersgedrag kan, mede gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad, de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 VW 1994 te wijten is. Dat zou slechts anders kunnen zijn indien zich een uitzonderlijke omstandigheid heeft voorgedaan bijvoorbeeld dat verdachte in verontschuldigbare onmacht verkeerde ten tijde van het ongeval. Hiervan is niet gebleken.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen, dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, wat betekent dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW 1994.

De rechtbank overweegt verder dat het verkeersgedrag van verdachte in de periode voorafgaand aan het ongeval, voor zover dit al aan verdachte zou kunnen worden toegeschreven, niet bij voorgaande beoordeling is betrokken. Niet kan worden vastgesteld dat dit vermeende gedrag aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

Primair:

hij op 13 december 2015 te Sibculo, in de gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Sibculo en gaande in de richting Kloosterhaar, daarmee rijdende op de ter plaatse uit twee rijstroken bestaande weg, de Kloosterstraat (N341), aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte niet of in onvoldoende mate heeft gelet en is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg en het verloop van die weg en in of nabij een in die weg gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting naar rechts verlopende bocht, vanaf de door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg naar links is gegaan en niet het verloop van die rijstrook heeft gevolgd en in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevonden, heeft overschreden en zich met voormeld motorrijtuig (personenauto) gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, heeft bevonden en in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is gebotst tegen een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg rijdend ander motorrijtuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 175 van de WVW 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van wat zij bewezen heeft geacht gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd:

- een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis;

- een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de door verdachte in verzekering doorgebrachte tijd;

- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van
één jaar met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingehouden is geweest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de omstandigheden dat het ongeluk voor verdachte psychische en fysieke gevolgen heeft gehad, dat hij twee nachten op het politiebureau heeft doorgebracht en dat zijn rijbewijs zes maanden ingevorderd is geweest.

De verdediging acht een geldboete een passende sanctie. Mocht de rechtbank een werkstraf overwegen dan verzoekt de verdediging deze in verband met het werk van verdachte in duur te beperken. Verder heeft de verdediging verzocht om een eventuele rijontzegging niet langer te laten zijn dan de tijd dat het rijbewijs reeds ingehouden is geweest omdat een verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte is in een flauwe bocht over een dubbele doorgetrokken streep gereden waardoor hij een zeer ernstig ongeluk heeft veroorzaakt waarbij iemand om het leven is gekomen en een ander ernstig hersenletsel heeft opgelopen.

Dit heeft onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden, zoals ook blijkt uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht.

Een strafrechtelijke reactie in welke vorm dan ook zal het door het verlies veroorzaakte intense leed nooit ongedaan kunnen maken.

Verdachte heeft weliswaar schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, maar het gaat hier naar het oordeel van de rechtbank om de, binnen de kaders van de geschonden norm, minst zware vorm van schuld. Dit dient ook tot uitdrukking te komen in de strafmaat.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht). Als uitgangspunt wordt voor een aanmerkelijke verkeersfout waardoor een ander is gedood genomen dat een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van één jaar wordt opgelegd.

De rechtbank ziet in dit geval echter aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank houdt in dit verband rekening met het zeer ruime tijdsverloop tussen de dag van het ongeval en het wijzen van dit vonnis.

Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte – naar hij heeft verklaard – ten gevolge van het ongeval geestelijke en lichamelijke gevolgen heeft ondervonden en dat hij verder zal moeten leven met het gegeven dat door zijn toedoen iemand om het leven is gekomen en iemand zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank ziet in al deze omstandigheden aanleiding om te volstaan met een werkstraf voor de duur van 200 uren in combinatie met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 WVW 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor in verzekering doorgebrachte dagen, twee uren per dag aftrek plaatsvindt;

  • -

    ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van één jaar met aftrek;

  • -

    bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en
mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, die behoren tot het opsporingsonderzoek van de politie eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, basisteam Vechtdal registratienummer PL0600-2015608713.

2 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 6

3 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 33

4 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 7

5 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 35

6 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 4

7 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 5

8 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 5 en proces-verbaal lijkschouw en confrontatie d.d. 24 januari 2017. Verslag gemeentelijke lijkschouwer d.d. 23 april 2013

9 Letselrapportage d.d. 9 februari 2016 opgesteld door S.J.Th. van Kuijk, forensisch arts, dossierpagina’s 60 en 61.

10 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 september 2017, inhoudende de verklaring van verdachte; ik heb acht weken in de Ziektewet gezeten vanwege dit ongeval. Ik ben weer aan het werk maar heb nog last van mijn heup en rug.

11 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 5

12 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 33

13 dossierpagina 74