Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3621

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-09-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
6229617 \ EJ VERZ 17-269 en 6274386 \ EJ VERZ 17-289
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vernietiging ontslag op staande voet. Verweerster laat in eerste instantie de dringendheid van de dringende reden los, op welke zij later niet nog eens kan terugkomen door het alsnog geven van een ontslag op staande voet.Toekenning van zowel transitie- als billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1188

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummers : 6229617 \ EJ VERZ 17-269 en 6274386 \ EJ VERZ 17-289

Beschikking van de kantonrechter van 18 september 2017

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. E. van der Teems,

verbonden aan ARAG SE Nederland, kantoorhoudende te Leusden,

tegen

de besloten vennootschap BIZERBA B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

verwerende partij,

hierna te noemen Bizerba,

gemachtigde: mr. H. Dijks,

advocaat te Enschede.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft een verzoek ingediend onder meer tot vernietiging van het hem door werkgever gegeven ontslag op staande voet alsmede om Bizerba te veroordelen hem toe te laten tot het verrichten van de gebruikelijke werkzaamheden en tot doorbetaling van het salaris. Bizerba heeft een verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, ingediend.

1.2.

Op maandag 4 september 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Teems. Bizerba is verschenen bij de heren [A] , directeur, [B] , servicemanager en mw. [C] ,

HR-manager, bijgestaan door mr. Dijks.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren [1977] , is op 16 augustus 1998 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Bizerba. De laatste functie die [verzoeker] vervulde, is die van senior service technicus & product support Weighing & Labeling/productspecialist industrie, met een salaris van € 3.800,00 bruto per maand. De gemiddelde overwerkvergoeding bedraagt € 449,00 bruto per maand.

2.2.

Bij brief van 18 april 2017, is [verzoeker] officieel gewaarschuwd vanwege het feit dat hij zonder toestemming een externe harde schijf met grote hoeveelheden bedrijfsinformatie gedurende lange tijd aan een derde, zijn partner, had uitgeleend zonder zelf zicht te hebben op de gevolgen. In deze brief is onder meer het navolgende opgenomen, voor zover hier van belang:

[… .] deze brief (ktr.:ontvang je) als officiële waarschuwing [… .]. Als je aan deze waarschuwing geen gevolg geeft, zijn wij genoodzaakt over te gaan tot zwaardere maatregelen en zullen wij bij volgende misdragingen overgaan tot sancties welke kunnen leiden tot een schorsing met inhouding van loon of zelfs een ontslag op staande voet al naar gelang de ernst van de gedraging. [… .]

2.3.

Op 4 juli 2017 deed [verzoeker] vanuit zijn huis helpdeskwerkzaamheden. Deze dienst draaide [verzoeker] vanuit een consignatiedienst, die duurde van maandag 3 juli 2017 08:00 uur tot maandag 10 juli 2017 08:00 uur. Rond 09:45 uur werd [verzoeker] door zijn leidinggevende, [B] , gebeld met de opdracht een storing bij A-ware, een van de grootste klanten van Bizerba, te verhelpen. Kortgezegd heeft [verzoeker] , ondanks uitdrukkelijk verzoek van [B] , geweigerd die opdracht uit te voeren.

2.4.

Op 4 juli 2017 te 14:05 uur stuurt [B] , met een kopie aan [A] en [C] , een email met de navolgende inhoud, voor zover hier van belang:

[verzoeker] ,

Vanmorgen heb ik je gevraagd om naar A-ware te gaan.

Hier gaf je in eerste instantie van aan dat de tijd te kort is omdat je consignatiedienst hebt. In het tweede telefoongesprek heb ik je ontheven van de consignatiedienst en gemeld dat je zou gaan. Daarvan gaf je aan dat je op dinsdag bij calamiteiten op tijd thuis zou moeten zijn. [… .]

Alleen met twee politieagenten zou het mogelijk zijn geweest om je naar A-ware te krijgen volgens eigen zeggen, maar je dacht er ook over om je ziek te melden en drie maanden afwezig te blijven.

Je hebt het gevoel dat alle last van Bizerba op jou schouders komt.

Op dit moment hebben we twee zieken en 1 man heeft sinds kort ontslag genomen. De situatie kan momenteel soms zeer hectisch zijn en dit moeten we met z’n allen oppakken om de vele issues wijzigingen het hoofd te bieden. [… .]

Ook vind ik het spijtig dat je aangeeft niet in Enschede te willen werken op moment dat je helpdesk hebt. Ik heb een tijdje aangekeken maar ik zou toch graag zien dat je de ook helpdesk activiteiten op kantoor in Enschede verricht.

[… .]

Daarom wil ik je vragen om minimaal 3 dagen per week op kantoor je werkzaamheden te verrichten tenzij de externe servicewerkzaamheden bij klanten dit niet toelaten.

[… .].

2.5.

Na ontvangst van de e-mail neemt [verzoeker] telefonisch contact met [B] op.

2.6.

Op 5 juli 2017 verricht [verzoeker] tot 10:20 uur zijn gebruikelijke werkzaamheden, waarna hij zich bij Bizerba en de arbo-arts ziek heeft gemeld.

2.7.

Op 5 juli 2017 te 14:55 uur wordt [verzoeker] , in opdracht van Bizerba, bezocht door een verzuimrapporteur. De navolgende afspraak is door de verzuimrapporteur in zijn rapportage vastgelegd:

Geen werkhervattingsafspraak kunnen maken. Betrokkene neemt op donderdag

06-07-2017 tussen 09.00 en 10.00 uur contact op met casemanager Mw. [D] .

2.8.

Op 5 juli 2017 te 16:01 uur stuurt [C] aan [verzoeker] een e-mail met de navolgende inhoud, voor zover hier van belang:

Hallo [verzoeker] ,

Zoals vanmiddag telefonisch besproken hierbij de bevestiging dat wij je ziekmelding accepteren ‘onder voorbehoud’. Wij hebben namelijk twijfels over deze ziekmelding vanwege het feit dat je gisteren tijdens een flinke discussie met je leidinggevende al gedreigd hebt je te gaan ziekmelden.

Aangezien het aan de bedrijfsarts is of er sprake is van een ziekte of gebrek, hebben wij de Arbodienst gevraagd om op korte termijn een afspraak bij de bedrijfsarts in plannen. Deze kun je dus binnenkort tegemoetzien.

[… .]

2.9.

Op 5 juli 2017 te 16:20 uur stuurt [verzoeker] aan [C] een email met de navolgende inhoud, voor zover hier van belang:

[… .]

Ik heb gisteren niet gedreigd met ziekmelden, ik heb alleen gezegd dat als de huidige manier van inzetten plannen niet verandert, ik dat misschien niet meer trek en me ziekmeldt. [… .]

De arbo controleur is inmiddels aan huis geweest.

[… .]

2.10.

Bij brief van 6 juli 2017 wordt [verzoeker] door Bizerba op staande voet ontslagen. Bizerba schrijft het navolgende, voor zover hier van belang:

[…. .]

Hiermee refereren wij aan de gebeurtenissen van 4 juli en verwijzen daarbij naar het e-mailbericht dat je leidinggevende, de heer [B] , je die dag om 14:05 uur heeft gestuurd.

Tot twee keer toe heeft je leidinggevende je een dringende instructie gegeven om bepaalde arbeid uit te voeren, te weten een storing op te lossen bij klant A-Ware omdat daar een zeer dringende situatie was ontstaan die niet door collega technici kon worden opgelost vanwege het feit dat deze reeds ingepland stonden bij andere klanten en het weekeinde en de maandag daaraan voorafgaande een collega technicus niet in staat bleek de storing op te lossen. Beide keren heb je deze instructie hardnekkig geweigerd en daarbij zelfs gezegd “alleen als je me met 2 politieagenten komt ophalen en me naar A-ware heen sleept”. De aan jou gegeven werkinstructie was een redelijke opdracht, welke jij als werknemer verplicht bent om uit te voeren.

Bij de eerste weigering gaf je als reden dat je consignatiedienst hebt en dus slechts 6 uur hoeft te werken en het volgens jou dan geen zin had om uit te rukken. Daarop heeft je leidinggevende je van deze taak ontheven om zodoende alsnog de werkinstructie op te kunnen volgen. Echter ook bij het tweede verzoek weigerde je hieraan uitvoering te geven omdat in geval van calamiteiten je op dinsdags eerder thuis wilt zijn i.v.m. je kinderen. Echter in geval van calamiteiten dien je dit te melden aan werkgever. Dit is niet door jou gemeld en wordt pas als argument aangevoerd tijdens de tweede instructie om uit te rukken. Ook heb je daarbij niet aangegeven om welke calamiteit het dan zou gaan.

Tevens heb je tijdens het tweede telefoongesprek het dreigement geuit dat als je leidinggevende blijft aandringen jij jezelf zult ziekmelden en zeker 3 maanden afwezig zult blijven.

Wij zien dit voorval als een hardnekkige werkweigering en vinden dit onacceptabel. In de officiële waarschuwingsbrief van 18 april 2017 hebben wij aangegeven dat bij volgende misdragingen wordt overgegaan tot sancties die naar gelang de ernst van de gedraging kan leiden tot ontslag op staande voet.

Wij zijn van mening dat deze hardnekkige werkweigering en de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden, mede gelet op de feiten genoemd in bovengenoemde waarschuwingsbrief, als dusdanige misdraging kan worden aangemerkt, dat na overleg met onze raadsman een ontslag op staande voet gerechtvaardigd is.

Middels deze wordt jou met onmiddellijke ingang ontslag op staande voet aangezegd.

Nu je ons een dringende reden hebt gegeven om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen ben je op grond van de wet aan ons een schadevergoeding verschuldigd. De schadevergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn, dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Wij zullen het bedrag van de schadevergoeding inhouden op de nog op te stellen eindafrekening. Een opgave van het schadebedrag krijg je één dezer dagen nog van ons. [… .]

2.11.

Bij brief van 6 juli 2017 heeft [verzoeker] aan Bizerba laten weten dat het gegeven ontslag niet rechtsgeldig is. [verzoeker] heeft zich beschikbaar gesteld voor arbeid, voor zover en geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, en aanspraak gemaakt op zijn loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

3 Het verzoek van [verzoeker]

3.1.

[verzoeker] heeft een verzoek ingediend -samengevat- primair tot vernietiging van het hem door Bizerba gegeven ontslag op staande voet alsmede om en Bizerba te veroordelen hem toe te laten tot het verrichten van de gebruikelijke werkzaamheden, zodra een arbo-arts hem daartoe geschikt acht. Voorts verzoekt [verzoeker] om Bizerba te veroordelen tot doorbetaling van het loon vanaf 6 juli 2017 tot de dag waarop de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, zulks onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie.

Subsidiair verzoekt [verzoeker] om Bizerba te veroordelen tot betaling van:

  • -

    de gefixeerde schadevergoeding van € 22.114,67 bruto;

  • -

    een transitievergoeding van € 35.665,00 bruto;

  • -

    een billijke vergoeding van € 54.636,00 bruto;

  • -

    verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie.

Daarnaast verzoekt [verzoeker] de kantonrechter te bevestigen dat Bizerba geen rechten kan ontlenen aan het tussen partijen bestaande concurrentiebeding.

Meer subsidiair verzoekt [verzoeker] om Bizerba te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 35.665,00 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie en verzoekt [verzoeker] de kantonrechter te bevestigen dat Bizerba geen rechten kan ontlenen aan het tussen partijen bestaande concurrentiebeding.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag - kort gezegd - dat het ontslag op staande voet onterecht is verleend en derhalve voor vernietiging in aanmerking komt. [verzoeker] stelt dat er geen sprake is geweest van een ‘hardnekkige werkweigering’ en dat niet gesteld kan worden dat hij zonder acceptabele verklaring de oproep van 4 juli 2017 heeft geweigerd. [verzoeker] stelt voorts, met verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad d.d. 26 april 1996, dat hij altijd uitstekend heeft gefunctioneerd en dat hij niet bij de eerste werkweigering op staande voet kan worden ontslagen.

Los van het feit dat [verzoeker] van mening is dat geen dringende reden aanwezig is, plaatst hij grote vraagtekens bij de vereiste onverwijldheid van het ontslag. [verzoeker] verwijst in dat kader naar de ontvangen e-mail van zijn leidinggevende, kort na de gebeurtenissen op 4 juli 2017. In deze email wordt verwezen naar hetgeen is voorgevallen en wordt deze afgesloten met een opmerking over de wijze van werken van [verzoeker] in de toekomst, gevolgd door een groet.

4 Het verweer en de tegenverzoeken van Bizerba

4.1.

Bizerba verweert zich en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen.

4.2.

Bizerba voert daartoe - samengevat - het volgende aan. In tegenstelling tot hetgeen [verzoeker] stelt levert het gedrag c.q. handelwijze van [verzoeker] op 4 juli 2017 een dringende reden op als bedoeld in artikel 7:677 juncto artikel 7:678 BW. Aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet is voldaan.

4.3.

Op grond van het vorenstaande verzoekt Bizerba als tegenverzoek aan de kantonrechter voor recht te verklaren dat het geven ontslag op staande voet rechtsgeldig te verklaren en nu [verzoeker] aan Bizerba een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW groot € 8.455,57.

4.4.

Bizerba verzoekt tevens [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 11.123,00 aan studieschuld, welke, nu de arbeidsovereenkomst is geëindigd, opeisbaar is geworden. Bizerba maakt voorts aanspraak op een bedrag van € 154,84 aan teveel ontvangen salaris.

4.5.

Bizerba verzoekt [verzoeker] eveneens te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 966,66 aan buitengerechtelijke kosten.

4.6.

Bizerba verzoekt voorwaardelijk, te weten voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, de arbeidsovereenkomst per direct te ontbinden c.q. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de periode gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking, op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e en g BW, zonder daarbij aan [verzoeker] een transitievergoeding of billijke vergoeding toe te kennen.

5 De beoordeling van de verzoeken van [verzoeker]

5.1.

heeft het verzoek tijdig ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop het ontslag op staande voet is gegeven.

5.2.

Het gaat in deze zaak primair om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd. Ingevolge artikel 7:677, lid 1 BW is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de Bizerba als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [verzoeker] , die ten gevolge hebben dat van Bizerba redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.3.

Vooropgesteld wordt dat een ontslag op staande voet een uiterste middel is en dat het slechts mag worden gegeven als van Bizerba op grond van een dringende reden niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met de betreffende [verzoeker] nog langer te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen, waaronder begrepen de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] . Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan [verzoeker] verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop [verzoeker] die dienstbetrekking heeft vervuld, in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] , zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zullen hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (vergelijk HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR: 2012:BV9532).

5.4.

De kantonrechter is van oordeel dat het door Bizerba aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet niet in stand kan blijven. Aan dit oordeel ligt het navolgende ten grondslag. Nadat [verzoeker] in de ochtend van 4 juli 2017 had geweigerd een door [B] gegeven opdracht uit te voeren, heeft [B] aan [verzoeker] een e-mail (zie 2.4.) gestuurd, waarin hij die werkwerkweigering van [verzoeker] heeft bevestigd en hem een uitleg heeft gegeven waarom hij [verzoeker] heeft benaderd de storing bij A-ware op te lossen. Tevens geeft [B] in deze e-mail aan dat hij het graag zou zien dat [verzoeker] meer helpdeskactiviteiten op kantoor in Enschede zou verrichten. Op geen enkele wijze heeft [B] in de e-mail aangegeven dat het weigeren van de opdracht nog een vervolg zou krijgen. Ook nadat [verzoeker] , na ontvangst van de e-mail, telefonisch contact met [B] had opgenomen heeft [B] , desgevraagd door de kantonrechter, verteld dat in dat telefoongesprek niet is gezegd dat hetgeen die dag was voorgevallen nog wel eens arbeidsrechtelijke consequenties kon hebben. Saillant detail in deze is voorts dat de bewuste e-mail gelijktijdig is verzonden aan directeur [A] en HR-manager [C] . Kennelijk was voor hen de inhoud van de e-mail geen reden [verzoeker] op de hoogte te stellen van het feit dat zij voornemens waren de kwestie (nog) voor te leggen aan raadsman Dijks in verband met te nemen stappen naar aanleiding van de werkweigering. In die situatie had het naar het oordeel van de kantonrechter voor de hand gelegen dat Bizerba [verzoeker] op non-actief zou hebben gesteld in afwachting van de verder te ondernemen stappen. Bizerba daarentegen laat de volgende dag [verzoeker] doodleuk zijn gebruikelijke werkzaamheden verrichten, waarmee zij naar het oordeel van de kantonrechter in ieder geval bij [verzoeker] de schijn opwekt dat de werkweigering door zijn werkgever was beoordeeld en afgedaan met de e-mail van 4 juli 2017. Gevolg van deze handelwijze is dat Bizerba de dringendheid van de dringende reden heeft prijsgegeven, op welke dringende reden zij later niet nog eens kan terugkomen door het geven van een ontslag op staande voet.

5.5.

Gevolg van het vorenstaande is dat het op 6 juli 2017 door Bizerba aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet door de kantonrechter zal worden vernietigd. Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 6 juli 2017 is blijven voortduren is het verzoek tot doorbetaling van het loon ad € 3.800,00 per maand, te vermeerderen met de door Bizerba niet weersproken gemiddelde overwerkvergoeding ter hoogte van € 449,00 per maand, toewijsbaar. In de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter termen aanwezig de door [verzoeker] verzochte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te beperken tot een maximum van 10%.

5.6.

Op geen enkele wijze is door [verzoeker] te kennen gegeven dat Bizerba in het verleden in gebreke is gebleven met het verstrekken van een deugdelijke bruto/netto specificatie. Er is voor de kantonrechter dan ook geen enkele reden te veronderstellen dat Bizerba hiermee nu in gebreke zal blijven. De veroordeling om een deugdelijk bruto/netto specificatie te verstrekken, zulks op straffe van een dwangsom, zal door de kantonrechter dan ook achterwege worden gelaten.

5.7.

De verzochte wedertewerkstelling zal de kantonrechter afwijzen. De kantonrechter verwijst in dat kader naar hetgeen hierna wordt overwogen en beslist op het verzoek van Bizerba om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden.

5.8.

Nu de arbeidsovereenkomst (vooralsnog) in stand blijft, behoeft een bespreking van de subsidiaire verzoeken niet meer plaats te vinden.

6 de beoordeling van het (voorwaardelijke) tegenverzoeken van Bizerba

6.1.

Bizerba kan in haar verzoek, nu zij aan het verzoek de voorwaarde heeft verbonden dat voor het geval de arbeidsovereenkomst niet reeds rechtsgeldig is geëindigd op 6 juli 2017 en die voorwaarde in vervulling is gegaan nu de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging heeft toegewezen, worden ontvangen.

6.2.

Bizerba heeft aan het voorwaardelijke verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag gelegd dat sprake is van - kort gezegd - verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] , alsmede dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van Bizerba niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e en g BW.

Bizerba legt aan haar verzoek deels dezelfde feiten ten grondslag als hierboven omschreven.

Bizerba stelt zich primair op het standpunt dat de hardnekkige werkweigering en de omstandigheden waaronder die werkweigering tot stand is gekomen zich kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen zoals hiervoor omschreven. Subsidiair stelt Bizerba dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. Het gedrag c.q. de handelwijze van [verzoeker] heeft een vruchtbare samenwerking onmogelijk gemaakt. Voor de toekenning van enige vergoeding is dan ook geen plaats.

6.3.

[verzoeker] betwist uitdrukkelijk dat hij ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, dan wel nagelaten. De stelling van Bizerba dat hij zijn e-mailarchief zou hebben gewist is volstrekt onjuist en compleet uit de lucht gegrepen, temeer nu deze aantijging door Bizerba pas na zes weken na het inleveren van de laptop is gedaan.

Voor wat betreft de gestelde verstoorde arbeidsrelatie onderschrijft [verzoeker] dat de onderlinge verstandhouding inmiddels onder enige spanning is komen te staan, maar hij meent dat niet gesteld kan worden dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Voor zover de kantonrechter van mening is dat de arbeidsverhouding tussen partijen wel degelijk is verstoord, stelt [verzoeker] dat deze verstoring grotendeels is te wijten aan Bizerba. In dat geval verzoekt [verzoeker] hem een transitievergoeding ad € 36.665,00 bruto en een billijke vergoeding ad € 54.636,00 bruto toe te kennen.

6.4.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verzoeker] ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat gezien artikel 7:671b lid 6 BW echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [verzoeker] . Het verzoek is immers gebaseerd op verwijtbaar handelen van de zijde van [verzoeker] dan wel een verstoorde arbeidsrelatie en dat staat los van de ongeschiktheid wegens ziekte.

6.5.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de [verzoeker] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

6.6.

Bizerba voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in verwijtbaar handelen van [verzoeker] dan wel een verstoorde arbeidsrelatie. Nu de handelwijze van [verzoeker] op 4 juli 2017 niet heeft geleid tot een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet van [verzoeker] , kan deze handelwijze evenmin leiden tot een (ernstig) verwijtbaar handelen van [verzoeker] .

6.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door de Bizerba naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Partijen verschillen niet van mening over hetgeen op 4 juli 2017 is voorgevallen. [B] heeft [verzoeker] twee keer over telefonisch een opdracht gegeven een storing bij belangrijke klant van Bizerba op te lossen, welke opdracht [verzoeker] telkenmale geweigerd heeft uit te voeren omdat hij, als specialist, van mening was dat er geen sprake was van een storing dan wel een zeer dringende situatie, in vakjargon een “showstopper”. Voorts staat vast dat [verzoeker] tijdens deze telefoongesprekken zich jegens [B] ongenuanceerd heeft uitgelaten in de trant van: “Ik ben geen hoer die je zo maar van de ene klus naar de andere kan sturen”.

De kantonrechter stelt voorop dat wanneer een leidinggevende een opdracht geeft een storing op te lossen de werknemer in beginsel gehouden is deze opdracht uit te voeren. Zulks neemt niet weg dat hetgeen op 4 juli 2017 is voorgevallen niet los kan worden gezien van het feit dat [B] en [verzoeker] hebben toegegeven het laatste jaar veelvuldig aanvaringen met elkaar te hebben gehad. [B] is duidelijk in zijn oordeel: ‘tussen mij en [verzoeker] komt het nooit meer goed’. De werkweigering op 4 juli 2017 is voor Bizerba (lees: [B] ) kennelijk de bekende druppel geweest die de emmer deed overlopen en [verzoeker] heeft er door zijn eigenwijze gedrag aan bijgedragen dat het zover is gekomen. Voorts staat buiten kijf dat het niet rechtsgeldig door Bizerba aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet heeft bijgedragen aan de verstoring van de verstandhouding tussen partijen.

Een herplaatsing binnen een redelijke termijn van [verzoeker] binnen de onderneming van Bizerba, afgezien dat onweersproken is gesteld dat er geen functies voor handen zijn, ligt niet in de rede.

6.8.

De conclusie uit het vorenstaande is dat de kantonrechter het voorwaardelijk verzoek van Bizerba zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 januari 2018. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.

6.9.

[verzoeker] heeft verzocht om ingeval van ontbinding Bizerba te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat Bizerba aan [verzoeker] een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de Bizerba is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan en gelet op artikel 7:673 lid 2 BW heeft [verzoeker] aanspraak op een transitievergoeding van € 35.665,00 bruto. Bizerba zal worden veroordeeld tot betaling daarvan.

6.10.

[verzoeker] verzoekt voorts toekenning van een billijke vergoeding. Bizerba heeft verzocht die vergoeding af te wijzen. Ter zake wordt als volgt overwogen. Nu het ontslag op staande voet onterecht is gegeven is daarmee in beginsel ernstig verwijtbaar handelen van Bizerba gegeven. Volgens de wet kan de kantonrechter in dat geval een vergoeding toe te kennen, dat hoeft niet. In geval van toekenning van een billijke vergoeding dient de rechter die vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Hij dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid (HR 30 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1187 ro 3.4.2.). Bij de begroting van de billijke vergoeding worden alle omstandigheden van het geval betrokken. Hoewel de billijke vergoeding een additioneel karakter draagt en slechts toewijsbaar is onder bijzondere omstandigheden naast het wettelijk recht op een transitievergoeding, dat dient ter compensatie van de gevolgen van het ontslag, "verzet het stelsel van de Wwz zich niet ertegen dat met de gevolgen van het ontslag rekening wordt gehouden bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding waarop de wet een werknemer aanspraak geeft omdat de werkgever van het ontslag als zodanig een ernstig verwijt kan worden gemaakt, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt", aldus de Hoge Raad in voormeld arrest. Immers, de aanspraak van de werknemer op loondoorbetaling bij een vernietigbaar ontslag kan niet geacht worden volledig te zijn gecompenseerd door de transitievergoeding en de bedoeling van de billijke vergoeding is nu juist dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Gelet op het voorgaande dient in de hoogte van de billijke vergoeding dan ook de waarde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de situatie zonder vernietigbare opzegging en de situatie waarin de werknemer zich nu bevindt.

6.11.

Nu Bizerba [verzoeker] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen zal de kantonrechter vanwege het daarmee ernstig verwijtbaar handelen een billijke vergoeding toekennen. Bij het bepalen van de omvang van die vergoeding in dit specifieke geval houdt de kantonrechter rekening met het feit dat [verzoeker] het enigszins over zichzelf heeft afgeroepen dat hem het ontslag is verleend. [verzoeker] heeft er door zijn handelwijze op 4 juli 2017 aan bijgedragen dat de onderlinge verstandhouding (uiteindelijk) is geëscaleerd. De kantonrechter is daarom van mening dat de hoogte van de vergoeding in dit specifieke geval geen punitief of afschrikwekkend karakter hoeft te hebben. Dat neemt niet weg dat het ontslag op staande voet, dat niet overeind is gebleven, een diffamerend karakter voor [verzoeker] heeft. De kantonrechter zal gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden aan [verzoeker] een billijke vergoeding toekennen van € 6.000,00 bruto.

6.12.

Nu aan de voorwaardelijke ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal Bizerba gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna te noemen termijn.

6.13.

Beide partijen verzoeken over en weer een veroordeling van buitengerechtelijke kosten. Nu partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, acht de kantonrechter termen aanwezig deze voor eigen rekening van partijen te laten. De hierop gebaseerde verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.

6.14.

Bizerba verzoekt tevens [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de door hem genoten studiekosten ad € 11.123,00.

6.15.

[verzoeker] betwist de vordering ter zake de studieschuld uitdrukkelijk. Hij voert daartoe aan dat hieraan geen (door hem ondertekende) studiekostenbeding ten grondslag ligt.

6.16.

Bizerba beroept zich op een regeling Bijdrage Studiekosten die dateert van 2005. Bizerba heeft geen exemplaar van deze regeling in het geding gebracht. Alvorens verder op dit deel van het verzoek in te gaan zal de kantonrechter Bizerba in de gelegenheid stellen genoemde regeling in het geding te brengen.

6.17.

De beslissing omtrent de proceskosten zal worden aangehouden.

7 De beslissing

De kantonrechter:

Op het verzoek van [verzoeker]

7.1.

vernietigt het door Bizerba op 6 juli 2017 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet;

7.2.

veroordeelt Bizerba om aan [verzoeker] te betalen het loon ten bedrage van € 3.800,00 bruto per maand, vermeerderd met een gemiddelde overwerkvergoeding ter hoogte van € 449,00 per maand, vanaf 6 juli 2017 tot de dag waarop de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op een rechtsgeldige wijze is beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:615 BW tot een maximum van 10%, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

7.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

wijst het verzoek ter zake de buitengerechtelijke kosten af;

7.5

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan;

Op het (voorwaardelijk) tegenverzoek van Bizerba:

7.6.

stelt partijen in kennis van het voornemen van de kantonrechter de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 januari 2018, onder toekenning aan [verzoeker] ten laste van Bizerba van:

- een transitievergoeding van € 35.665,00 bruto;

- een billijke vergoeding van € 6.000,00 bruto;

7.7.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen Bizerba het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met vrijdag 6 oktober 2017 te 17:00 uur;

7.8.

wijst het verzoek ter zake de buitengerechtelijke kosten af;

7.9.

stelt Bizerba in de gelegenheid uiterlijk vrijdag 6 oktober 2017 de regeling Bijdrage Studiekosten 2005 in het geding te brengen;

7.10.

houdt iedere verdere beslissing aan;

Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2017.