Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3609

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
C/08/148647 / HA ZA 13-755
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 843a Rv en art. 3:299 BW. Toewijzing incident. Machtiging tot zelf opvragen bescheiden bij bank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0197

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/148647 / HA ZA 13-755

Vonnis in incident van 6 september 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. L. van Straten te Hengelo (O),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. E.D. van Tellingen te Almere.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procesverloop

1.1.

Bij tussenvonnis van 7 september 2016 heeft de rechtbank mr. K.F. Bolding, notaris te Almelo, ontslagen als boedelnotaris met benoeming van mr. J.M. Kamphuis, notaris te Hengelo (O) tot nieuwe boedelnotaris. Na zijn pensionering zijn de taken van

mr. Kamphuis overgenomen door mr. R. Wilbrink.

1.2.

Op 7 juni 2017 hebben partijen een akte genomen.

1.3.

Op 9 augustus 2017 heeft mr. L. van Straten namens [eiseres] een akte houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv ingediend. Bij akte van 23 augustus 2017 heeft [gedaagde] verweer gevoerd tegen de incidentele vordering. Vervolgens is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten, de vordering en het verweer in de hoofdzaak

Voor de uiteenzetting van de feiten, de vordering en het verweer in de hoofdzaak wordt verwezen naar het tussenvonnis van 13 augustus 2014, dat als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

3. De vordering in het incident

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank zal bepalen dat;

I. dit vonnis in de plaats zal treden van de toestemming van [gedaagde] tot het verstrekken aan [eiseres] van inzage in en afschrift van alle bankproducten bij de Rabobank in de administratie bekend op naam van (de erven)
[X] en/of (de erven) [Y] ;

II. dit vonnis in de plaats zal treden van de toestemming van [gedaagde] tot het verstrekken aan [eiseres] van inzage in en afschrift van de bankrekeningen bij de Rabobank, ABN AMRO-bank en ING-bank in de administratie bekend op naam van [gedaagde] dan wel op naam van zijn eenmanszaak " [A] ” tevens handelend onder de naam “ [B] ” en

“ [C] ”;

III. de kosten die hiermee gemoeid zijn ten laste komen van de te verdelen nalatenschappen.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij inzage wenst te krijgen in de bankproducten van haar ouders, om de omvang van haar legitieme portie in de nalatenschap van haar vader vast te kunnen stellen. In haar akte van 7 juni 2017 vermeldt [eiseres] dat het alle bankafschriften van de hypothecaire geldlening (opeethypotheek) vanaf de datum van overlijden van haar moeder, te weten 16 juli 2006, en alle bankafschriften van alle bankrekeningen van haar vader en/of moeder vanaf de datum van overlijden van haar moeder betreft. De kosten zouden volgens opgave van de bank € 5,00 per dagafschrift met een maximum van € 25,00 per jaar bedragen.

3.3.

[eiseres] wenst ook inzage te krijgen in de huurinkomsten van de ouderlijke woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Zij vordert daarom inzage in en afschrift van de bankrekeningen bij de Rabobank, ABN AMRO-bank en ING-bank van [gedaagde] dan wel zijn eenmanszaak. [eiseres] stelt dat zij zelf de gevorderde bankproducten niet kan opvragen bij de bank. Ook de boedelnotaris is dit niet gelukt. [eiseres] heeft geprobeerd om met [gedaagde] een afspraak te maken bij de Rabobank. Er was een afspraak gemaakt op 13 juli 2017, maar die is door [gedaagde] op 12 juli 2017 afgezegd. Dit doet vermoeden dat [gedaagde] wat te verbergen heeft. [eiseres] stelt rechtmatig belang bij haar vorderingen te hebben, nu [gedaagde] haar uit eigen beweging geen inzage verschaft.

3.4.

Omdat [gedaagde] zelf geen medewerking verleent, vraagt [eiseres] vervangende toestemming aan de rechtbank, welke de toestemming van [gedaagde] vervangt. [eiseres] stelt dat er telefonisch overleg met de Rabobank is geweest, waarin de Rabobank heeft aangegeven dat zij [eiseres] inzage en afschrift kan verschaffen, indien zij een rechterlijke uitspraak kan overleggen waarin door de rechtbank vervangende toestemming wordt verleend, welke de toestemming van [gedaagde] vervangt.

4 Het verweer in het incident

4.1.

[gedaagde] voert verweer, strekkende tot afwijzing van de incidentele vorderingen.

Hij stelt daartoe dat hij alle informatie die hij in zijn bezit heeft aan [eiseres] heeft verstrekt en dat hij van mening is dat het verzoek van [eiseres] tot vervangende toestemming misbruik van recht is, omdat zij ook zonder dit verzoek kan krijgen wat zij wenst. [gedaagde] stelt herhaaldelijk te hebben aangegeven dat als [eiseres] de kosten voor het opvragen van de gegevens bij de bank wilde voorschieten, het voor hem akkoord was om de gegevens op te vragen en hij hier alle medewerking aan zou verlenen. [eiseres] zou de kosten echter niet hebben willen voorschieten. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] geen rechtmatig belang meer bij haar incidentele vorderingen, nu hij gespecificeerd schriftelijk inzicht heeft verschaft, voorzien van de benodigde bescheiden over de huurinkomsten en kosten van de woning.

4.2.

Ten aanzien van het verzoek van [eiseres] om inzage in en afschrift van de bankrekeningen bij de Rabobank, ABN AMRO-bank en ING-bank op naam van [gedaagde] , stelt [gedaagde] dat er geen sprake is van een goede reden en rechtmatig belang, ook omdat dit verzoek te verstrekkend en te onbepaald is, nu [eiseres] niet althans onvoldoende aangeeft waarom en over welke periode deze bankafschriften gewenst zijn.

4.3.

[gedaagde] stelt daarnaast dat er sprake is van een gewichtige reden op grond waarvan de incidentele vorderingen dienen te worden afgewezen. [gedaagde] zou ernstig in zijn belangen worden geschaad nu het gaat om vertrouwelijke financiële gegevens. Voor zover de incidentele vorderingen zich richten op de eenmanszaak van [gedaagde] , stelt hij dat [eiseres] hierbij geen partij is en de onderhavige procedure hier geen betrekking op heeft.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

Krachtens artikel 843a Rv kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging van bescheiden indien daarvoor gewichtige redenen bestaan of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Van een rechtmatig belang is sprake indien een materieelrechtelijke aanspraak op de gevraagde bescheiden bestaat dan wel sprake is van een bewijsbelang.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat [eiseres] als erfgenaam van haar moeder en legitimaris van haar vader het recht heeft om kennis te nemen van alle benodigde gegevens om haar legitieme portie te kunnen berekenen. Het rechtmatig belang bij haar incidentele vorderingen is daarmee een gegeven. De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] geen belang meer heeft bij haar vorderingen, omdat hij reeds gedocumenteerd inzicht heeft verschaft in de huurinkomsten en kosten van de woning, wordt verworpen. Om haar legitieme portie te kunnen berekenen zijn meer gegevens dan enkel die met betrekking tot de verhuur van de woning van belang. Bovendien moet [eiseres] over dezelfde gegevens als [gedaagde] kunnen beschikken en niet afhankelijk zijn van de selectie die [gedaagde] uit de beschikbare gegevens voor haar maakt.

5.3.

De bescheiden hebben betrekking op een rechtsbetrekking waarin enerzijds [eiseres] als erfgenaam/legitimaris en anderzijds [gedaagde] als erfgenaam/executeur partij is. De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagde] dat dit niet geldt voor de bankafschriften van zijn eenmanszaak. Om haar legitieme portie te kunnen berekenen dient [eiseres] kennis te kunnen nemen van alle huurinkomsten en kosten die [gedaagde] heeft ontvangen en gemaakt in verband met de verhuur van de woning, ongeacht of dit via [gedaagde] in privé of via zijn eenmanszaak is gegaan.

5.4.

De rechtbank is verder van oordeel dat de bescheiden waarvan inzage c.q. afschrift wordt gevorderd voldoende bepaald zijn. De vordering heeft betrekking op specifieke bescheiden, namelijk bankafschriften van (de erven van) [Y] en/of [X] vanaf de overlijdensdatum van [Y] ( [2006] ) en de bankafschriften van [gedaagde] dan wel zijn eenmanszaak.

5.5.

[eiseres] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] over de gevorderde bescheiden kan beschikken, nu hij als erfgenaam gerechtigd is deze bij de bank op te vragen en beschikt over de daarvoor benodigde verklaring van erfrecht. Daarmee is aan alle voorwaarden van artikel 843a Rv voldaan en komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de vraag of er een gewichtige reden bestaat tegen toewijzing van het gevorderde, zoals door [gedaagde] wordt gesteld. De gewichtige reden zou volgens hem bestaan uit het feit dat de vordering betrekking heeft op vertrouwelijke financiële gegevens. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] geen concrete feiten heeft gesteld op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel zou kunnen komen dat het door [gedaagde] aangevoerde privacybelang zwaarder zou moeten wegen dan het recht van [eiseres] op inzage c.q. afschrift van de gevorderde bankproducten om haar legitieme portie te kunnen berekenen. Het beroep van [gedaagde] op een gewichtige reden zal dan ook worden gepasseerd.

5.6.

Op grond van het hiervoor overwogene is de incidentele vordering toewijsbaar, met inachtneming van het navolgende. [eiseres] vordert vervangende toestemming, in die zin dat zij met dit vonnis zelf, zonder afhankelijk te zijn van de medewerking van [gedaagde] , de bank om de gewenste gegevens kan verzoeken. De rechtbank begrijpt dat enkel via rechtstreeks contact tussen [eiseres] en de bank gewaarborgd kan worden dat [eiseres] daadwerkelijk alle door haar gewenste gegevens ontvangt. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 843a lid 2 Rv de wijze bepalen waarop inzage dient te worden verschaft, en wel door [eiseres] op de voet van artikel 3:299 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te machtigen om, in plaats van [gedaagde] , de gewenste bescheiden bij de bank op te vragen, op de wijze zoals hieronder bij de beslissing vermeld.

5.7.

De rechtbank gaat ervan uit dat hiermee in voldoende mate tegemoet wordt gekomen aan de eisen die de bank stelt om aan [eiseres] inzage en afschrift te verschaffen in/van de gewenste gegevens. De kosten die hiermee gemoeid zijn komen ingevolge

artikel 843a lid 1 Rv voor rekening van [eiseres] . Ten aanzien van de bankafschriften van [gedaagde] dan wel zijn eenmanszaak zal de rechtbank bepalen dat inzage dient te worden verstrekt vanaf de overlijdensdatum van [X] , te weten

[2012] , nu enkel de verhuuropbrengsten en -kosten na diens overlijden van belang zijn voor het berekenen van de omvang van de legitieme portie van [eiseres] .

5.8.

Omdat partijen broer en zus zijn, zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

machtigt [eiseres] op de voet van artikel 3:299 BW om op haar kosten, namens [gedaagde] , bij de Rabobank op te vragen afschriften van alle bankproducten vanaf

16 juli 2006 in de administratie bekend op naam van (de erven) [X] en/of (de erven) [Y] , en bij de Rabobank, ABN AMRO-bank en ING-bank op te vragen afschriften van alle bankrekeningen vanaf 18 augustus 2012 in de administratie bekend op naam van [gedaagde] dan wel op naam van zijn eenmanszaak

" [A] ” tevens handelend onder de naam “ [B] ” en “ [C] ”,

6.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.4.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in de hoofdzaak

6.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2017.1

1 type: coll: