Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3588

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
08/960068-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing op preliminaire verweren en onderzoekswensen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/960068-15

Datum beslissing: 19 september 2017

Beslissing van de rechtbank Overijssel op de preliminaire verweren en onderzoekswensen van de verdediging, gedaan ter zitting van 5 september 2017, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum 1] 1966 te [geboorteplaats] ( [land 1] ),

per adres: [adres 1]

OVERWEGINGEN

De verdediging heeft ter terechtzitting van 5 september 2017 een tweetal preliminaire verweren gevoerd en haar onderzoekswensen ingediend. Daarop heeft ook de officier van justitie te dier zake een standpunt bepaald, één en ander als verwoord in het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 september 2017.

Het verweer: niet-ontvankelijkheid van het OM wegens schending van het specialiteitsbeginsel:

De verdediging heeft ter terechtzitting, bij wijze van preliminair verweer, aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging ter zake van de onder 1 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie en de onder 4 tenlastegelegde oplichting. De verdediging heeft hiertoe – kort weergegeven – aangevoerd dat er sprake is van schending van het specialiteitsbeginsel omdat in het uitleveringsverzoek aan de Verenigde Staten is gevraagd om uitlevering ter zake van drie vermeende strafbare feiten, te weten witwassen, valsheid in geschrift en het zonder vergunning uitvoeren van het bedrijf van wisselinstelling. Nu het uitleveringsverzoek noch het uitleveringsbevel enige verwijzing bevat naar de feiten 1 en 4, te weten deelname aan een criminele organisatie en oplichting, dient volgens de verdediging vastgesteld te worden dat de Verenigde staten verdachte voor deze feiten niet heeft uitgeleverd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Het tweede lid van artikel 15 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika luidt als volgt.

“Indien de tenlastelegging op grond waarvan de persoon was uitgeleverd in de loop van de procedure op wettelijke wijze wordt gewijzigd, kan die persoon worden vervolgd of berecht, mits het strafbare feit volgens zijn nieuwe wettelijke omschrijving:

a. is gebaseerd op hetzelfde samenstel van feiten dat is vervat in het verzoek tot uitlevering en de stukken ter ondersteuning daarvan; en

b. op dat feit volgens zijn nieuwe wettelijke omschrijving een zelfde maximumstraf is gesteld als of een lagere maximumstraf is gesteld dan op het feit waarvoor die persoon was uitgeleverd.”

De rechtbank constateert dat aan de hiervoor in het tweede lid van artikel 15 genoemde voorwaarden is voldaan. De onder 1 en 4 tenlastegelegde feiten zijn naar het oordeel van de rechtbank gebaseerd op hetzelfde (materiële) feitencomplex als vervat in het verzoek tot uitlevering. De rechtbank wijst in dit verband naar het uitleveringsvonnis van de United States District Court, S.D. Florida van 15 oktober 2015 zoals dat is gepubliceerd op de website https://www.leagle.com/decision/infdco20151016b79. Naar deze openbare bron wordt in het voorgeleidingsproces-verbaal verwezen.

De officier van justitie is daarom ook ten aanzien van de onder 1 en 4 tenlastegelegde feiten ontvankelijk in zijn vervolging. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Het verweer: rechtbank onbevoegd:

De verdediging heeft zich aangesloten bij het door mr. H. Loonstein in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] gevoerde preliminaire verweer dat de rechtbank Overijssel onbevoegd is om van de aan verdachte ten laste gelegde feiten kennis te nemen. Hiertoe is, kort samengevat, aangevoerd dat het Openbaar Ministerie verdachte niet in het arrondissement van de rechtbank Overijssel had mogen dagvaarden, aangezien niet gezegd kan worden dat de officier van justitie van het landelijk parket met de vervolging van de strafbare feiten is belast.

In onderhavige zaak is volgens de verdediging geen inbreuk gemaakt op de rechtsorde in Nederland, althans niet ernstig, terwijl evenmin is gebleken dat de (Nederlandse) rechtstaat in ernstige mate wordt bedreigd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) noemt een aantal rechtbanken, waaronder de rechtbank Overijssel, die gelijkelijk bevoegd zijn indien de officier van justitie bij het landelijk parket met de vervolging van het strafbare feit is belast.

In artikel 1 van het besluit van 6 mei 2013, houdende regels ten aanzien van het landelijk parket en het functioneel parket, alsmede ten aanzien van het mandateren van bevoegdheden van de officier van justitie staat, voor zover hier van belang, vermeld dat de officier van justitie bij het landelijk parket belast is met de vervolging van:

a. misdrijven die gezien hun ernst of frequentie dan wel het georganiseerd verband waarin deze worden gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken en voor de bestrijding waarvan een hoge mate van gespecialiseerde deskundigheid noodzakelijk is;

b. misdrijven die in nationaal of internationaal verband worden gepleegd en waarvoor vervolging door het landelijk parket in aanmerking komt, gezien de taakverdeling tussen de regionale eenheden van de politie en een dienst van de landelijke eenheid van politie die tot taak heeft:

1°. het binnen vooraf door het bevoegd gezag vastgestelde aandachtsgebieden verrichten van onderzoeken naar zware en georganiseerde criminaliteit die naar aard of organisatie een landelijk of internationaal karakter hebben en die de rechtsstaat in ernstige mate bedreigen;

De rechtbank acht zich op grond van artikel 2 Sv in samenhang met voormeld besluit bevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank is er wel degelijk sprake van een verdenking van misdrijven die ressorteren onder de hiervoor vermelde criteria onder a. c.q. onder b. sub 1. In dat verband wordt onder meer overwogen dat er sprake zou zijn geweest van een internationaal opererende groep verdachten die in georganiseerd verband in het kader van te plegen misdrijven gebruik zou hebben gemaakt van, met als gevolg een potentieel ondermijnend effect op, de financiële infrastructuur in Nederland. Zo is er volgens de verdenking hier te lande een onderneming genaamd ‘ [bedrijf 1] ’ in de Kamer van Koophandel ingeschreven en is er een ING bankrekening geopend via welke met gebruikmaking van Venezolaanse creditcards een bedrag van ongeveer € 150,- miljoen zou zijn getransigeerd. Ook zijn er pinterminals van Nederland naar Curaçao verzonden. Het verweer wordt daarom verworpen.

Getuigen:

De verdediging heeft ten aanzien van de door haar opgegeven getuigen voldoende gemotiveerd waarom het horen van deze getuigen van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

De rechtbank zal daarom het horen van deze getuigen door de rechter-commissaris toewijzen.

BESLISSING

De rechtbank beslist:

- dat het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd;

- dat de stukken in handen worden gesteld van de rechter-commissaris belast met de

behandeling van strafzaken, teneinde als getuigen te horen:

1. [getuige 1] , wonende aan de [adres 2]

(te bereiken op [nummer 1] );

2. [getuige 2] , wonende aan de [adres 3]

(te bereiken op [nummer 2] );

3. [getuige 3] , wonende aan de [adres 4]

(te bereiken op [nummer 3] );

4. [getuige 4] , geboren op [geboortedatum 2] 1966 te [land 2] , wonende

aan de [adres 5] (te bereiken op [nummer 4] );

5. [getuige 5] , geboren op [geboortedatum 3] 1967 te [land 3] , wonende

aan de [adres 6] (te bereiken op [nummer 5] );

6. [getuige 6] , geboren op [geboortedatum 4] 1957 te [land 4] ;

7. [getuige 7] geboren op [geboortedatum 5] 1971 te [land 4] ;

8. [getuige 8] geboren op [geboortedatum 6] 1984 te [land 4] ;

9. [getuige 9] , geboren op [geboortedatum 7]

1961 [land 5] .

- dat de adresgevens van de getuigen genoemd onder 6 tot en met 9 binnen twee weken door de verdediging, eventueel met behulp van het openbaar ministerie, bij de rechter-commissaris dienen te worden aangeleverd;

- dat de rechter-commissaris ook in de onderhavige zaak als getuige zal horen de persoon die ook in de zaak tegen de medeverdachten zal worden gehoord, voor het bijwonen van welke verhoor derhalve ook de raadsvrouw van verdachte dient te worden uitgenodigd. Dit betreft de getuige [getuige 10] (directeur van de [bedrijf 2] );

- dat op de voet van artikel 316, lid 2, Sv één van de rechters die over de zaak oordelen, te weten mr. W. Foppen, als rechter-commissaris wordt aangewezen. De rechtbank houdt het ervoor dat de officier van justitie en de verdachte met deze aanwijzing instemmen en dat zij, indien zij met deze aanwijzing niet instemmen, zulks binnen twee weken na dit vonnis aan de rechtbank kenbaar maken;

- dat de oproeping wordt bevolen van de verdachte en zijn raadsvrouw tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat.

Aldus gedaan door mrs. B.T.C. Jordaans, voorzitter, J.H.W.R. Orriëns-Schipper en W. Foppen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2017.

Mr. W. Foppen is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.