Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3583

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
08/730105-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 36-jarige man uit Almelo tot een taakstraf van 80 uur voor het in bezit hebben van softdrugs en verboden wapenbezit. Benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/730105-16

Datum vonnis: 14 september 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats 1] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.M. Stadt en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J.J.G. Pieper, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander of alleen, hennep heeft geteeld;

feit 2: samen met een ander of alleen, stroom heeft gestolen;

feit 3: een gasrevolver voorhanden heeft gehad;

feit 4: een luchtdrukwapen voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks de periode 1 november 2014 tot en met 19 november 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 73, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend;

2.

hij op of omstreeks 1 november 2014 tot en met 19 november 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemengoed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 19 november 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, een of neer wapens van categorie III, te weten een revolver (Rohm 9mm Knall), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

4.

hij op of omstreeks 19 november 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten luchtdrukwapen (Pietro Beretta 92) zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, waarbij volgens de officier van justitie sprake is van medeplegen. De officier van justitie acht tevens de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de raadsman aangevoerd dat de wapens niet door verdachte zelf in de woning zijn gebracht, maar door de ex-partner van medeverdachte [medeverdachte] . De wapens zijn daar door nalatigheid van die ex-partner blijven liggen. Verdachte kan hiervan geen (strafrechtelijk) verwijt worden gemaakt, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Feit 1

De rechtbank acht het tenlastegelegde onder 1, met uitzondering van het medeplegen, wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

- Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 19 november 2014, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;

- Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 augustus 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv).

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit, met dien verstande dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte het feit alleen, en derhalve niet in vereniging, heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe dat voor medeplegen een bewuste en nauwe samenwerking is vereist. Dat in het onderhavige geval van een dergelijke samenwerking sprake is geweest is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Verdachte heeft verklaard dat hij het feit alleen heeft gepleegd en dat medeverdachte [medeverdachte] geen weet had van de hennepplanten in de kelder. Wettig en overtuigend bewijs dat medeverdachte [medeverdachte] of één of meer andere personen een wezenlijke rol heeft gespeeld bij het tenlastegelegde feit ontbreekt.

4.3.2

Feit 2

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Weliswaar is geconstateerd dat de elektriciteitsmeter in de woning waarin verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] woonde, is gemanipuleerd en illegaal stroom is afgenomen, maar wettig en overtuigend bewijs waaruit blijkt dat verdachte dit heeft gedaan, dan wel daarbij enige (andere) strafrechtelijke betrokkenheid heeft gehad, ontbreekt. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken.

4.3.3.

Feit 3 en 4

In de woning waarin verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] woonde zijn op

19 november 2014 een gasrevolver en een luchtdrukwapen aangetroffen.

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen in de zin van de artikelen 13 en 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is vereist, dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid daarvan (HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1193). De rechtbank is gelet op het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat hiervan bij verdachte sprake is geweest. De rechtbank overweegt daartoe dat de wapens niet opgeborgen, maar zichtbaar op een bureau op zolder lagen en dat verdachte heeft verklaard dat hij de wapens daar ook heeft zien liggen. Verdachte was zich derhalve bewust van de aanwezigheid van de wapens en kon ook feitelijk over de wapens beschikken. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot een bewezenverklaring van het onder 3 en 4 tenlastegelegde.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 19 november 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de Berkenlaan 31 een hoeveelheid van 73 hennepplanten en delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 19 november 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, een wapen van categorie III, te weten een revolver, Rohm 9mm Knall, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 19 november 2014 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een luchtdrukwapen, Pietro Beretta 92, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

feit 4

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake alle feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, met een proeftijd van twee jaren.

7.2

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van hennepplanten en het voorhanden hebben van een wapen en een op een wapen gelijkend voorwerp. Van hennep is algemeen bekend dat het de gezondheid van de gebruikers kan schaden en dat het verslavend kan werken. Daarbij komt dat de teelt van hennep en de handel in hennep vaak gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, zoals geweldsdelicten en overtreding van de Wet wapens en munitie. Dat brengt allerlei veiligheidsrisico’s voor de samenleving met zich mee. Het ongecontroleerde bezit van wapens leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat geldt ook voor op wapens gelijkende voorwerpen, omdat zij nauwelijks te onderscheiden zijn van echte wapens. Ze worden dan ook niet zelden gebruikt om gewapende overvallen mee te plegen of personen mee te bedreigen.

Uit de Justitiële Documentatie van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten. Dit zijn evenwel andersoortige dan wel oude strafbare feiten, zodat de rechtbank daar bij het opleggen van de straf geen rekening mee heeft gehouden. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op het in artikel 63 Sr bepaalde nu verdachte na 19 november 2014 tweemaal is veroordeeld tot een geldboete vanwege overtreding van de Wegenverkeerswet.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat gelet op de uitgangspunten die in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) worden gehanteerd.

De rechtbank acht gelet op de ernst van de feiten, het tijdsverloop, het bepaalde in artikel

63 Sr en de straffen die voor soortgelijke zaken worden opgelegd, passend en geboden een taakstraf voor de duur van 80 uren.

7.3

De inbeslaggenomen voorwerpen

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 700,00 niet vatbaar is voor verbeurdverklaring. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat voornoemd geldbedrag door één van de bewezen verklaarde strafbare feiten is verkregen. De rechtbank zal derhalve de teruggave aan verdachte gelasten.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

Enexis heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.483,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op het feit dat de rechtbank niet bewezen acht wat aan verdachte onder 2 is tenlastegelegd zal de rechtbank de benadeelde partij Enexis in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d, 57 en 91 Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: het misdrijf: handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3: het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

feit 4: het misdrijf: handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet wapens en munitie;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 (tachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij Enexis, niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 700,00 aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. A.M. den Dulk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2017.

Buiten staat

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met de nummers [dossiernummer 1] en [dossiernummer 2] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 3

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 19 november 2014, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 3] , pagina 57, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Ik ben op 19 november 2014 naar het adres [adres] te Rijssen gegaan (..) Ik kon via een vaste trap de zolder betreden. Ik zag in de achterste ruimte van de zolder, gezien vanaf de trap, een bureau staan. Ik zag dat er op dit bureau een tweetal wapens lagen.

2. Een kennisgeving van inbeslagneming van 19 november 2014 van [verbalisant 3] , pagina 58, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Wapens aangetroffen in de woning [adres] . Goednummer [goednummer 1] betreft een vuurwapen van het merk Rohm 9mm Knall.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal onderzoek wapen van 19 december 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , pagina 68, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant 4] :

Het inbeslaggenomen voorwerp, merk Rohm type RG 99N, goednummer [goednummer 1] is een gasrevolver, geschikt om weerloosmakende of traanverwekkende stoffen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is deze gasrevolver een vuurwapen in de zin van artikel 2, categorie III onder 1, van de Wet wapens en munitie.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 augustus 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb de wapens daar wel gezien. Ik heb ze laten liggen.

Feit 4

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 19 november 2014, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 3] , pagina 57, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Ik ben op 19 november 2014 naar het adres [adres] te Rijssen gegaan (..) Ik kon via een vaste trap de zolder betreden. Ik zag in de achterste ruimte van de zolder, gezien vanaf de trap, een bureau staan. Ik zag dat er op dit bureau een tweetal wapens lagen.

6. Een kennisgeving van inbeslagneming van 19 november 2014 van [verbalisant 3] , pagina 58, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Wapens aangetroffen in de woning [adres] . Goednummer [goednummer 2] betreft een luchtdrukwapen van het merk Pietro Beretta Gardone.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal onderzoek wapen van 18 december 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , pagina 72, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant 4] :

Het inbeslaggenomen voorwerp, merk Pietro Beretta, goednummer [goednummer 2] is een gasdruk (CO2) pistool. Het voorwerp is een nabootsing van een pistool, dat voor wat betreft vorm en afmetingen een spreken gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Pietro Beretta, type 92 FS. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I onder 7, van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie.

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 augustus 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb de wapens daar wel gezien. Ik heb ze laten liggen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met de nummers [dossiernummer 1] en [dossiernummer 2] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.