Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3566

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
17/1232
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of van veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De omstandigheid dat sinds de datum waarop beslist is op het bezwaar tegen het besluit van 29 januari 2016, enige tijd is verstreken, is op zichzelf genomen onvoldoende om te oordelen dat sprake is van een relevant nieuw feit, dat aanleiding kan geven tot een ander besluit. Het enkele tijdsverloop tast immers de redenen waarom een exploitatievergunning is geweigerd niet aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1232

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Club Isabelle VOF, te Deventer, eiseres,

gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn,

en

de burgemeester van Deventer, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Ichoh, advocaat te Enschede.

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de door eiseres gedane aanvraag om verlening van een exploitatievergunning voor een seksinrichting aan de [adres] met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

Bij besluit van 1 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017.

Namens eiseres is niemand ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C. Dunhof-Lampe, advocaat te Enschede.

Overwegingen

1.1

Tot enkele jaren geleden is door eiseres een seksinrichting geƫxploiteerd aan de [adres] . De laatste aan eiseres verleende exploitatievergunning is op 14 oktober 2014 geƫxpireerd.

1.2

In april 2014 is namens eiseres een aanvraag om verlening van een nieuwe exploitatievergunning gedaan. Bij de beoordeling van de aanvraag is de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob) toegepast. Het Landelijk Bureau Bibob heeft geadviseerd om de aangevraagde vergunning te weigeren. Dat heeft verweerder bij besluit van 29 januari 2016 gedaan. Bij uitspraak van 14 november 2016 (Awb 16/1822) heeft de rechtbank het namens eiseres ingestelde beroep tegen het handhaven van deze weigering ongegrond verklaard.

1.3

Op 10 januari 2017 is namens eiseres een nieuwe aanvraag gedaan om verlening van een exploitatievergunning voor de seksinrichting aan de [adres] . Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afgewezen.

2. Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. In het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

3.1

De rechtbank stelt voorop dat het toetsingskader voor dergelijke besluiten, gelet op het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb, beperkt is tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Deze nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moeten van zodanige aard zijn dat zij aanleiding kunnen geven tot een ander besluit.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of van veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De omstandigheid dat sinds 15 juli 2016, de datum waarop beslist is op het bezwaar tegen het besluit van 29 januari 2016, enige tijd is verstreken, is op zichzelf genomen onvoldoende om te oordelen dat sprake is van een relevant nieuw feit, dat aanleiding kan geven tot een ander besluit. Het enkele tijdsverloop tast immers de redenen waarom een exploitatievergunning is geweigerd niet aan. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 21 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH0448). Andere omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot ander besluit zijn niet gesteld.

4. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets doorstaat.

5. Het beroep is daarom ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.