Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3564

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
08/770011-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 40-jarige man uit Zwolle tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor zware mishandeling en diefstal met geweld. Daarnaast legt de rechtbank de man een taakstraf op van 60 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0791

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/770011-17

Datum vonnis: 14 september 2017

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

wonende te [geboorteplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.G. Kuipers en van wat door verdachte en zijn raadsman D.G. Hassink, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 4 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan:

feit 1: poging tot doodslag, dan wel zware mishandeling van [slachtoffer 1] ;

feit 2: poging tot diefstal van een bestelauto met geweld en/of bedreiging met geweld;

feit 3: poging tot diefstal van een vrachtauto met geweld en/of bedreiging met geweld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij, op of omstreeks 4 januari 2017 te Ommen, gemeente Ommen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een (personen)auto op de openbare weg (te weten de N48 en/of de N36) met hoge althans verhoogde snelheid en/of zonder snelheid te verminderen meermalen, althans eenmaal tegen de achterzijde van het voertuig waarin die [slachtoffer 1] zich bevond aan heeft gereden en/of geramd en/of (vervolgens) met hoge althans verhoogde snelheid en/of zonder snelheid te verminderen tegen de linkerzijde van voornoemd voertuig aan heeft gereden en/of geramd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij, op of omstreeks 4 januari 2017 te Ommen, gemeente Ommen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een (personen)auto op de openbare weg (te weten de N48 en/of de N36) met hoge althans verhoogde snelheid en/of zonder snelheid te verminderen meermalen, althans eenmaal tegen de achterzijde van het voertuig waarin die [slachtoffer 1] zich bevond aan heeft gereden en/of geramd en/of (vervolgens) met hoge althans verhoogde snelheid en/of zonder snelheid te verminderen tegen de linkerzijde van voornoemd voertuig aan heeft gereden en/of geramd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij, op of omstreeks 4 januari 2017 te Ommen, gemeente Ommen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een (bestel)auto (type Opel Combo-C-Van Z13, gekentekend [kenteken 1] ), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, (met dat opzet) voornoemde [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of aan die [slachtoffer 1]

heeft getrokken en/of heeft geprobeerd die [slachtoffer 1] uit voornoemde (bestel)auto te trekken en/of heeft geroepen: 'ik heb je auto nodig!' en/of 'ik moet je auto hebben!', althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij, op of omstreeks 4 januari 2017 te Ommen, gemeente Ommen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een (vracht)auto (type Renault D, gekentekend [kenteken 2] ), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen

en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, (met dat opzet) aan het portier van voornoemde (vracht)auto heeft getrokken en/of bleef trekken terwijl die [slachtoffer 2] voornoemd portier probeerde dicht te houden en/of (meermalen) heeft geroepen: 'd'r uit!' en/of 'ik moet die auto hebben!', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) (met een voorwerp) slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer 2] en/of tegen voornoemde (vracht)auto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1.

Inleiding

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] volgt dat verdachte op 4 januari 2017 met zijn auto tegen de achterkant en de linkerkant van de door [slachtoffer 1] bestuurde bestelauto is aangereden.. Vervolgens heeft verdachte geprobeerd om die bestelauto in zijn bezit te krijgen. Enkele minuten later heeft verdachte geprobeerd om de door [slachtoffer 2] bestuurde vrachtauto in zijn bezit te krijgen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij weet dat hij die nacht in de Toyota Aygo van zijn ouders reed, maar dat hij vrijwel geen herinnering heeft aan de hem verweten feiten.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde en dat het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

De raadsman heeft daartoe - kort samengevat – aangevoerd dat:

- terzake van het aanrijden tegen de achterkant van de auto van [slachtoffer 1] niet kan worden vastgesteld dat daardoor een aanmerkelijke kans is ontstaan dat [slachtoffer 1] om het leven zou komen of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen;

- terzake van het aanrijden tegen de linkerkant van de auto van [slachtoffer 1] opzet bij verdachte ontbreekt, dan wel dat een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] niet heeft bestaan, gelet op de geschatte lage snelheid waarmee verdachte heeft gereden en in aanmerking genomen het aanzienlijk lagere gewicht van de auto van verdachte.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde meegedeeld geen opmerkingen te hebben.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair:

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is, zodat de rechtbank de verdachte daarvan zal vrijspreken.

Feit 1 subsidiair:

Voor een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer 1] .

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard (met andere woorden: op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, leveren naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewijs op dat verdachte zich op 4 januari 2017 heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] door met verhoogde snelheid tegen de linkerzijde van diens auto aan te rijden.

Aangever [slachtoffer 1] heeft onder meer verklaard dat, toen hij en verdachte, rijdende op de N48, de rotonde bij de N36 naderden, verdachte zijn auto scherp naar rechts stuurde en de auto van aangever hard in de flank ramde. De politie heeft op basis van het uitgevoerde onderzoek naar de toedracht van de aanrijding geconcludeerd dat gezien de vorm van de deuk aan de verticale raamstijl van de Toyota (de auto van de verdachte) dit voertuig op het moment van de botsing een hogere snelheid heeft gehad dan de Opel (de auto van aangever).

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hem niets bijstaat van het raken van de auto van aangever aan de zijkant. De rechtbank heeft echter geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever en gaat dan ook uit van de toedracht die aangever heeft geschetst, welke verklaring steun vindt in de conclusie van het door de politie uitgevoerde technisch onderzoek en de verklaring van getuige [getuige] .

Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zo gericht geweest op een bepaald gevolg, namelijk het veroorzaken van een aanrijding tussen hem en aangever, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op een ongeluk ten gevolge waarvan aangever zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, willens en wetens heeft aanvaard. Verdachte heeft daarmee in ieder geval opzet in voorwaardelijke zin gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De omstandigheid dat verdachte heeft verklaard vrijwel geen herinnering te hebben aan wat ten tijde van het tenlastegelegde feit is gebeurd doet daar niets af.

De rechtbank acht onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte willens en wetens eenmaal of meermalen met hoge of verhoogde snelheid tegen de achterzijde van de auto van [slachtoffer 1] aan is, nu uit het door de politie uitgevoerde technisch onderzoek is gebleken dat aan de achterzijde van de auto van aangever vrijwel geen schade is geconstateerd.

Feit 2:

Uit de verklaring van aangever [slachtoffer 1] volgt dat hij op 4 januari 2017 vanaf de carpoolplaats aan de Heinoseweg te Raalte (N35) in de richting van de Ommerweg (N48) is gereden en op de kruising van de N35 met de N48 (Ommerweg) moest wachten voor een rood verkeerslicht. Toen aangever stil stond voor het verkeerslicht zag hij dat de auto van verdachte naast hem stond, dat verdachte vervolgens uitstapte, tegen aangever zei zijn auto te willen hebben en aan hem begon te trekken.

De rechtbank stelt vast dat de door aangever aangeduide en door de politie in het proces-verbaal van bevindingen gerelateerde plaats van het vorenomschreven incident is gelegen in de gemeente Raalte en niet in de gemeente Ommen, zoals aan verdachte is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen en de rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.

Feit 3:

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

- het proces-verbaal verhoor van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 4 januari 2017 (p. 16-18);

- de verklaring van getuige [getuige] (p. 19-20);

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

Hij op 4 januari 2017 te Ommen, gemeente Ommen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een (personen)auto op de openbare weg (te weten de N48 en/of de N36) met verhoogde snelheid en/of zonder snelheid te verminderen tegen de linkerzijde van voornoemd voertuig aan heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 4 januari 2017 te Ommen, gemeente Ommen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een (vracht)auto (type Renault D, gekentekend [kenteken 2] ), toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [bedrijf 2] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, (met dat opzet) aan het portier van voornoemde (vracht)auto heeft getrokken.

en/of bleef trekken terwijl die [slachtoffer 2] voornoemd portier probeerde dicht te houden en/of (meermalen) heeft geroepen: 'd'r uit!' en/of 'ik moet die auto hebben!', en (vervolgens) (met een voorwerp) slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer 2] en/of tegen voornoemde (vracht)auto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45, 57, 302, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

feit 3:

het misdrijf: poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met

geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te

maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht tijd, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    een meldplicht;

  • -

    de verplichting tot het volgen van een ambulante behandeling;

  • -

    een verbod tot het gebruiken van drugs;

  • -

    de verplichting om mee te werken aan de invulling en/of het behouden van zinvolle dagbesteding.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - onder verwijzing naar het door de verdediging overgelegde rapport van dr. Busard - bepleit om aan verdachte een milde voorwaardelijke straf op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en aan een poging tot diefstal met geweld en bedreiging met geweld. Voor zowel het slachtoffer

[slachtoffer 1] (feit 1) als het slachtoffer [slachtoffer 2] (feit 3) heeft het door verdachte gepleegde feit zeer beangstigende momenten opgeleverd. Misdrijven als door verdachte begaan veroorzaken niet alleen bij de slachtoffers gevoelens van onveiligheid, maar brengen ook in de samenleving grote onrust en onveiligheid teweeg. De rechtbank rekent verdachte de door hem begane feiten dan ook ernstig aan. De omstandigheid dat verdachte heeft verklaard vrijwel geen herinnering te hebben aan de hem verweten feiten doet daar niet aan af.

De door verdachte gepleegde feiten maken naar het oordeel van de rechtbank in dit geval oplegging van (onder meer) een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf onvermijdelijk.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op:

  • -

    een de verdachte betreffend psychologisch onderzoeksrapport d.d. 18 maart 2017, uitgebracht door psycholoog drs. J.P.M. van der Leeuw;

  • -

    een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 24 juli 2017.

  • -

    een de verdachte betreffende Reclasseringsadvies d.d. 21 augustus 2017, uitgebracht door Reclassering Nederland;

  • -

    een de (door de verdediging overgelegd) betreffend ‘Verslag van bevindingen in het kader van de Vorderingsprocedure in het kader van de Regeling Eisen Geschiktheid 2000 betreffende verdachte d.d. 16 mei 2017, uitgebracht door dr. H.L.S. Busard, zenuwarts.

Uit voornoemd psychologisch onderzoeksrapport blijkt onder meer het navolgende.

Verdachte is lijdende aan ziekelijke stoornissen en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is bij hem sprake van een angststoornis door cannabisgebruik en een stoornis in cannabisgebruik, ernstig (momenteel in remissie), alsmede van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende en obsessief-compulsieve trekken.

Deze ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig en hebben de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. Verdachte heeft langdurig een angstig, sociaal vermijdend leven geleid, dat werd versterkt alsmede veroorzaakt door het overdadig gebruik van cannabis. Na plotselinge onthouding van cannabis heeft zich de problematiek van verdachte meer gemanifesteerd en zijn zijn angst, agressieve tendensen en gevoelens van ontreddering gaan samenvallen waardoor verdachte deels de grip op zichzelf kwijt is geraakt. In die gemoedsgesteldheid is verdachte in zijn auto gestapt. Vervolgens heeft het tenlastegelegde zich voltrokken. Verdachte is volgens de gedragsdeskundige verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De genoemde persoonsfactoren (chronisch angstige vermijding die tot sociaal isolement heeft geleid; voortdurende twijfel en herkauwen van eigen gedachten; onderliggende psychische en emotionele kwetsbaarheid die wordt toegedekt met de roes van drugs; lusteloosheid en apathie; agressieve tendensen) zijn als essentiële delictfactoren nog steeds aanwezig en kunnen als opmaat dienen voor herhaling van soortgelijke feiten, zeker indien verdachte onbehandeld blijft. Een beschermende factor is de omstandigheid dat verdachte zelf behandeling van zijn problematiek wenst.

Door de gedragsdeskundige is geadviseerd om verdachte te verplichten tot een ambulante begeleiding door een forensisch psychiatrische polikliniek en door de reclassering.

De rechtbank neemt de conclusies van de gedragsdeskundige over op de daarvoor in voornoemd onderzoeksrapport vermelde gronden en gaat ervan uit dat de bewezenverklaarde feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte in zoverre strafbaar.

Reclassering Nederland heeft in het Reclasseringsadvies van 21 augustus 2017 geadviseerd om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting tot ambulante behandeling, een verbod tot het gebruiken van drugs, alsmede andere voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte, zoals het meewerken aan dagbesteding en het meewerken aan begeleiding van Creating Balance.

Ter terechtzitting van 31 augustus 2017 heeft de heer [naam] , als toezichthouder werkzaam bij Reclassering Nederland, mondeling aanvullende informatie gegeven. Daaruit komt onder meer naar voren dat verdachte na een aanvankelijk positieve start van de verplichte reclasseringsbegeleiding gedurende de afgelopen maand terugtrekkend gedrag en verzet is gaan tonen, terwijl van hem juist verdere stappen worden verwacht in de vorm van volwassen gedrag, het aangaan van de confrontatie met volwassenheid, het leren naar zichzelf te kijken en het verkrijgen van zelfinzicht. Door de heer [naam] is verzocht om te bepalen dat de stellen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande en rekening houdende met de vrijspraak van verdachte voor het onder 2 tenlastegelegde van oordeel dat in dit geval oplegging van een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, alsmede oplegging van een werkstraf van 60 uur passend en geboden is.

De rechtbank komt tot een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan is gevorderd door de officier van justitie, niet alleen omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt, maar ook omdat de rechtbank het van belang acht dat verdachte binnen afzienbare termijn start met de noodzakelijk geachte behandeling. De rechtbank acht het met het oog daarop tevens van belang dat verdachte uit zijn sociale isolement komt. De uitvoering van de op te leggen werkstraf kan daaraan naar het oordeel van de rechtbank een belangrijke positieve bijdrage leveren.

De rechtbank ziet redenen voor een langere proeftijd dan de door de officier van justitie gevorderde proeftijd van 2 jaar gelet op de inhoud van het over verdachte uitgebrachte psychologische onderzoeksrapport en het advies van de reclassering, en op grond van de indruk die rechtbank ter terechtzitting van verdachte heeft gekregen. De rechtbank overweegt in dat verband dat verdachte ter terechtzitting enerzijds meerdere keren heeft aangegeven wel te willen veranderen en daar zijn best ook voor te doen, maar anderzijds heeft aangegeven dat een dergelijk proces tijd kost. Van verdachte mag onder de huidige omstandigheden verlangd worden dat hij zich intrinsiek gemotiveerd toont dan wel gaat tonen om de voor hem noodzakelijk geachte behandelingen te ondergaan. De rechtbank acht op grond van het vorenoverwogene en in aanmerking genomen dat het noodzakelijk geachte behandel- en begeleidingstraject langdurig veel inzet, energie en wilskracht van verdachte zal vragen dan ook een extra “stok achter de deur” noodzakelijk om verdachte gemotiveerd te blijven houden.

De rechtbank ziet onder de huidige omstandigheden onvoldoende redenen om te bepalen dat de hierna te stellen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

8 De schade van benadeelde

8.1

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] (inzake feit 1)

[bedrijf 1] , gevestigd te Beerzerveld, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.358,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bedraagt

€ 2.277,01. Wegens geleden immateriële schade wordt een bedrag van € 1.081,46 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van

€ 1.276,90 wegens geleden materiële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor voornoemd bedrag.

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering, zijnde de overige kosten onvoldoende onderbouwd en/of onvoldoende duidelijk. De officier van justitie acht de gevorderde immateriële schade niet toewijsbaar, omdat een bedrijf geen immateriële schade lijdt.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu het schadeverzekeringstraject om de door de aangever/benadeelde partij geleden schade via verzekeraar van verdachte uit te keren nagenoeg blijkt te zijn afgerond.

De raadsman heeft subsidiair verzocht om ten aanzien van de gevorderde materiële schade de in rekening gebrachte autohuur te vergoeden tot en met uiterlijk 6 januari 2017. De raadsman heeft gesteld dat de in rekening gebrachte “extra kilometers” niet kunnen worden aangemerkt als schade.

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde immateriële schade gesteld dat de in rekening gebrachte kostenposten zien op de heer [getuige] en dat niet is gebleken van door de heer [getuige] geleden rechtstreekse schade door toedoen van verdachte, zodat dit onderdeel van de vordering dient te worden afgewezen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat thans onduidelijk is hoe de stand van zaken is ten aanzien van de schade-uitkering aan de benadeelde partij naar aanleiding van de door hem bij de verzekeraar van verdachte ingediende schadeclaim, zoals door de benadeelde op het voegingsformulier staat vermeld.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zich daaromtrent uit te laten en om de betwiste schadeposten alsnog nader te kunnen onderbouwen leidt naar het oordeel van de rechtbank tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij [bedrijf 1] op de voet van artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in diens vordering en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 27 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

feit 3:

het misdrijf: poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met

geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te

maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf (12) maanden, waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de verdachte geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de verdachte geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de verdachte tijdens de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

meldplicht

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich op uitnodiging zal melden bij Reclassering Nederland; hierna zal de verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

verplichting tot ambulante behandeling

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, zich zal laten behandelen voor zijn psychische problematiek, ook als dit inhoudt medicijngebruik gericht op stabilisatie van de psychische klachten, bij Transfore of een soortgelijke ambulante forensische zorg, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

verplichting tot eventuele korte klinische opname

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte, indien de reclassering dit noodzakelijk acht (ten behoeve van crisisopname, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek) zal meewerken aan een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

drugsverbod

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal onthouden van het gebruik van drugs, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht; bepaalt dat de controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde ondersteund zal worden door middel van middelencontrole;

andere voorwaarden betreffende het gedrag

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zal meewerken aan de invulling en/of het behouden van zinvolle dagbesteding, indien en voorzover de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zal meewerken aan de begeleiding van Creating Balance, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

hulp en steun

- draagt de reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

aftrek voorarrest

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de

gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

taakstraf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 60 (zestig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

vordering schadevergoeding (inzake feit 1)

- bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] , gevestigd te Beerzerveld, in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, Districtsrecherche IJsselland, proces-verbaalnummer [proces-verbaal] , onderzoek [kenmerk] d.d. 27 februari 2017. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Deze bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt ter bewijs van het feit of de feiten, waarop ze gezien hun inhoud betrekking hebben.

1. Het proces-verbaal aangifte van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 4 januari 2017, voor zover inhoudende als aangifte van [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven2:

Ik ben koerier voor koeriersbedrijf [bedrijf 1] gevestigd te Beerzerveld. Hiervoor rijd ik in een bedrijfsauto (…), een blauwe Opel Combo, voorzien van het kenteken [kenteken 1] .

(…)

Op woensdag 4 januari 2017 omstreeks 02.00 uur was ik voor mijn werk op de carpoolplaats gelegen aan de Heinoseweg te Raalte (N35).

(…)

Ik ben omstreeks 02.20 uur van deze carpoolplaats weggereden en ik was voornemens om naar huis te rijden (…) te Hoogeveen. Ik reed hiervoor op de Heinoseweg (N35) in de richting van de Ommerweg (N48).

Vlak nadat ik de kruising N35 met de N48 was gepasseerd zag ik een voertuig spookrijden op mijn weghelft. (…) Ik zag toen dat het een zilverkleurige kleine auto betrof. Naar later bleek het een Toyota Aygo te zijn voorzien van het kenteken [kenteken 3] .

(…)

Hierop heb ik het voertuig rechts gepasseerd en ik reed vervolgens door naar de kruising N35 met de N48 (Ommerweg).

(…)

Ik ben snel weggereden de N48 op in de richting van Hoogeveen.

(…)

Toen we de rotonde naderden bij de N36 zag ik dat de Toyota mij via de linker zijde inhaalde. Toen ik dit in mijn buitenspiegel zag heb ik krachtig geremd. Ik probeerde hiermee de Toyota af te schudden.

Ik zag en voelde echter dat de Toyota scherp naar rechts stuurde en mijn voertuig hard in de flank ramde.

(…)

2. Het proces-verbaal /fotoblad verkeersongeval van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 17 februari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven3:

Op 5 januari 2017 (…) hebben wij (…) een onderzoek ingesteld naar de toedracht van de hieronder omschreven carjacking/aanrijding.

1.1.

Beknopte ongevalsbeschrijving

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

Personenauto, merk Toyota, type Aygo kleur lichtblauw, kenteken [kenteken 3]

Bedrijfsauto, merk Opel, type Combo, kleur blauw, kenteken [kenteken 1] .

Beknopte omschrijving ongeval:

(…)

Toen beide bestuurders de rotonde van rijksweg N48 met rijksweg N36 naderden had de bestuurder van de Toyota de Opel links in de flank aangereden. (…)

2. Onderzoek aan betrokken voertuigen

Betrokken voertuigen

1.Personenauto Toyota, kenteken [kenteken 3] (…)

Rechterzijde:

Wij zagen dat een groot deel van de rechterzijde licht gedeukt of bekrast was. Het rechter voorscherm was het meest gedeukt. (…)

Op het rechter voorspatbord en op het rechter voorportier werden horizontale kras- en veegsporen aangetroffen. Ook werden op dit voorspatbord en dit portier lak-/verfsporen aangetroffen. Wij zagen dat deze lak-/verfsporen blauw van de kleur waren; de kleur van deze lak-/verfsporen kwam ogenschijnlijk overeen met de blauwe kleur van de Opel. (…)

Wij zagen dat op de dorpel onder het rechter voorportier donkerkleurige rubbersporen zaten. (…) Deze rubbersporen waren vermoedelijk ontstaan doordat de linkerwang van de linker voorband van de Opel hier tegenaan geschuurd had.

Op de spatbordrand van het rechter achterwiel en rechter achterportier zaten horizontale kras-/veegspoortjes. Deze kras-/veegspoortjes waren daar ontstaan doordat deze voertuigdelen tegen voertuigdelen van de Opel geschuurd hadden.

(…)

Wij zagen dat e onderzijde van de verticale raamstijl van het rechter voorportier licht gedeukt was (…) Gezien de hoogte van dit deukje en het donkerkleurige veegspoor dat in deze schade aangetroffen werd, was deze deuk op het moment van de botsing zo goed als zeker ontstaan doordat dit gedeelte van deze raamstijl tegen de linkerzijde van de buitenspiegel van de Opel gebotst was.

2.Personenauto Opel, kenteken [kenteken 1]

Linkerzijde: wij zagen dat het linker portier en het plaatdeel tussen dit linker portier en de linker achterband gedeukt waren en dat in deze schade horizontale kras-/veegsporen zaten. Ook werd op de linker onderzijde van het linker portier een donkerkleurig rubberspoor aangetroffen. (…) Voorts zagen wij dat op deze plaatdelen gemonteerde kunststof stootstrippen lichtkleurige krassporen zaten. Deze schade was ontstaan doordat de rechterzijde van de Toyota hier tegenaan gebotst was. Het rubberspoor was zo goed als zeker veroorzaakt doordat de rechter gang van de rechter voorband van de Toyota op deze plaats tegen dit portier geschuurd had.

(…)

Wij zagen dat in de schade aan het plaatdeel tussen het linker portier en de linker achterband een recent horizontaal lichtblauw lak-/verfspoor zat. (…)

Wij zagen dat de kleur van dit lak-/verfspoor ogenschijnlijk overeenkwam met de kleur van de Toyota.

Op dit plaatdeel werd tevens een redelijk diep horizontaal krasspoor aangetroffen. (…) Bij schade-inpassing bleek dat dit krasspoor veroorzaakt was door het uiteinde van de spiegelsteun op het rechter voorportier van de Toyota.

(…)

Wij zagen dat de op het linker voorportier gemonteerde linker buitenspiegel ontzet was en dat het spiegelglas daaruit ontbrak. (…) Deze schade was ontstaan doordat het verticale gedeelte van de raamstijl van het rechter voorportier van de Toyota tegen deze spiegel gebotst was.

(…)

Resumerend:

(…)

Er kon, mede door de overgedragen lak-/verfsporen, met zekerheid worden vastgesteld dat de rechterzijde van de Toyota in botsing was geweest met de linkerzijde van de Opel. Gezien de vorm van de deuk aan de verticale raamstijl van de Toyota had dit voertuig op het moment van de botsing een hogere snelheid gehad dan de Opel.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 4 januari 2017, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] , zakelijk weergegeven4:

Op woensdag 4 januari 2017 omstreeks 02.35 uur werd ik gebeld door mijn collega [slachtoffer 1] . (…)

Ik hoorde [slachtoffer 1] vragen of ik in de buurt was, omdat hij een malloot achter zich aan had die hem probeerde aan te rijden. Ook had die man (…) geprobeerd om [slachtoffer 1] uit de auto te trekken. Hij vroeg mij of ik naar hem toe wilde komen. (…) Ik ben vervolgens richting mijn collega [slachtoffer 1] gereden. Hij gaf aan dat hij richting de rotonde ging vanaf Raalte naar Ommen. Na het viaduct richting de N36. Ik ben vervolgens snel daarheen gereden, omdat ik hoorde dat hij angstig was. Dit hoorde ik aan zijn stem. Ik ging vanaf Hardenberg de N36 op richting rotonde. Op de rotonde ging ik 3 kwart in de richting van Ommen. Een auto met daarachter een andere auto kwamen mij tegemoet. Die was net afslag Ommen voorbij. Dit was om 2.43 uur. (…) [slachtoffer 1] had mij gezegd dat het voertuig de hele tijd dicht achter hem zat. Ik seinde naar het voertuig dat op mij af kwam. Het voertuig die erachter zat seinde terug. Ik wist dus dat dit [slachtoffer 1] met die vent achter hem aan moest zijn. Ik ben vervolgens gekeerd en weer richting de rotonde gereden. Ik zag dat [slachtoffer 1] hard remde. De vent achter hem, kwam aan de zijkant van [slachtoffer 1] . Het leek alsof die vent in de auto [slachtoffer 1] wilde inhalen. Die vent knalde expres tegen [slachtoffer 1] zijn auto aan. Ik wist dat dit expres was, omdat ik zag dat die vent op hem instuurde. Hij botste vervolgens tegen [slachtoffer 1] aan en ging over de verhoging in het midden van de weg. Hij kwam op de andere weghelft aan de andere kant van de verhoging weer tot stilstand.(…)

4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 7 januari 2017, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven5:

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord verdachte
O: Opmerking verbalisant

V: Kun je ons vertellen wat er die nacht gebeurd is?

A: (…) Ik ben toen in mijn auto gestapt en toen ging het helemaal fout. Ik wilde een auto pakken. Ik ben toen geslagen met een koevoet, omdat ik die auto wilde hebben.

(…)

V: Waar ging jij op woensdag 4 januari 2017 omstreeks 2.00 uur naar toe?

A: (…) Ik weet wel dat het een lange weg was en dat er een auto voor mij reed (…).

(…)

V: Wat gebeurde er onderweg?

A: (…) Ik moest een auto hebben, schijnbaar en blijkbaar. Dat is wel datgene wat ik mij kan herinneren.

(…)

V: Wat voor auto heb jij?

A: Ik heb een lichtblauwe Toyota Aygo. Deze heeft het kenteken [kenteken 3] .

(…)

V: Jij wilde een andere auto hebben van iemand anders. Hoe zag die auto eruit?

A: Dat was een klein blauw bestelbusje (…).

5. Het proces-verbaal van de op 31 augustus 2017 in het openbaar gehouden terechtzitting van de strafkamer van deze rechtbank, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de verdachte:

Ik herinner mij flarden van de nacht/ vroege ochtend van dag van 4 januari 2017.

Ik weet nog wel dat ik in de auto van mijn ouders reed.

Schijnbaar heb ik toen een auto geramd.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, Districtsrecherche IJsselland, proces-verbaalnummer [proces-verbaal] , onderzoek [kenmerk] d.d. 27 februari 2017. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Pagina 10-13

3 Pagina 44-61

4 Pagina 19-20

5 Pagina 83-87