Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3499

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
AK_17_ 1070
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terecht besloten maandelijks € 457,58 op bijstandsuitkering in mindering te brengen vanwege nog lopende arbeidsovereenkomst; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1070

uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

[eiseres] wonende te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. L. de Widt,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo, verweerder,

gemachtigde: R.C.M. Nordink.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van

12 september 2016 aan eiseres ingevolge de Participatiewet (PW) bijstand in de noodzakelijke kosten van bestaan toegekend naar de norm voor een alleenstaande, met dien verstande dat op deze uitkering maandelijks bedragen van € 320,- en € 487,58 in mindering worden gebracht.

Bij besluit van 23 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van dit geschil gaat de rechtbank uit van het volgende.

Op 15 maart 2016 heeft eiseres bij verweerder bijstand in de noodzakelijke kosten van bestaan aangevraagd. Bij besluit van 29 april 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Op 16 juni 2016 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend, die verweerder bij besluit van 28 juni 2016 heeft afgewezen.

Tegen beide besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 september 2016 heeft verweerder beide bezwaren ongegrond verklaard.

In dit besluit heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat de aanvragen moesten worden afgewezen, omdat eiseres in de te beoordelen perioden nog niet duurzaam gescheiden van haar ex-man leefde. Subsidiair heeft verweerder zich in dit besluit op het standpunt gesteld dat, indien eiseres in de desbetreffende perioden wel als alleenstaande of alleenstaande ouder moest worden aangemerkt, zij niet in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeerde. Aan dit subsidiaire standpunt heeft verweerder mede ten grondslag gelegd dat was gebleken dat eiseres aanspraak kon maken op salaris van haar werkgever Autobedrijf [naam] BV (hierna te noemen: [naam] ) ter hoogte van € 487,58.

Tegen het besluit van 27 september 2016 heeft eiseres geen beroep ingesteld, zodat dit in rechte is komen vast te staan.

Op 2 augustus 2016 heeft eiseres opnieuw bijstand aangevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder ‘Procesverloop’.

2. Verweerder heeft bepaald dat op de toegekende bijstandsuitkering maandelijks € 320,- in mindering moet worden gebracht, omdat eiseres dit bedrag elke maand aan alimentatie van haar ex-man ontvangt. Het bedrag van € 487,58 betreft de inkomsten uit arbeid die eiseres zou kunnen verkrijgen als zij de arbeid zou verrichten waarvoor zij nog een arbeidsovereenkomst voor 12 uur per week met [naam] heeft. Omdat eiseres deze arbeid niet verricht, is volgens verweerder sprake van een situatie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder d, van de PW.

3. Eiseres is van mening dat het bedrag van € 487,58 ten onrechte op haar uitkering wordt gekort. Zij heeft, samengevat weergegeven, in beroep aangevoerd dat zij arbeidsongeschikt is en daardoor de arbeid waarvoor zij een overeenkomst heeft niet kan verrichten. Volgens eiseres heeft het instellen van een loonvordering jegens [naam] geen kans van slagen en komt zij ook niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, omdat zij niet aan alle daarvoor geldende criteria voldoet. Daarnaast kan zij jegens [naam] ook geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst vorderen, omdat zij dan verwijtbaar werkloos zou zijn. Eiseres is van mening dat het haar niet kan worden verweten dat zij het inkomen van € 487,58 niet ontvangt. Zij stelt verder dat de inhouding op haar uitkering onevenredig is, omdat zij hierdoor in ernstige financiële problemen raakt.

4. De rechtbank overweegt dat uitsluitend in geschil is of verweerder heeft mogen besluiten om maandelijks € 487,58 op de bijstandsuitkering van eiseres in mindering te brengen vanwege de nog bestaande arbeidsovereenkomst met [naam] . Daarbij stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit enerzijds heeft verwezen naar hetgeen op dit punt in het besluit van 27 september 2016 is overwogen en heeft gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, maar anderzijds in volle omvang heeft getoetst of artikel 13, eerste lid, onder d, van de PW (nog steeds) van toepassing is. De rechtbank zal daarom, in navolging van bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2895, eveneens een inhoudelijke beoordeling verrichten en zich niet beperken tot de vraag of al dan niet sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Artikel 11, eerste lid, van de PW bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege heeft.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder d, van de PW heeft geen recht op bijstand degene die wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan arbeid, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

6. Uit de stukken blijkt dat eiseres zich op 30 juni 2014 bij [naam] ziek heeft gemeld voor haar werk. Daarop hebben de bedrijfsarts van [naam] en een ingeschakelde arbeidsdeskundige vastgesteld dat eiseres wel in staat kon worden geacht om aangepast werk te doen. Eiseres was het daar niet mee eens en heeft het aangeboden, aangepaste werk niet gedaan. Vervolgens heeft eiseres bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) een deskundigenoordeel aangevraagd, in welk kader in september 2015 verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts achtte eiseres op basis van dit onderzoek geschikt voor het verrichten van de aangepaste werkzaamheden. Op 14 januari 2016 heeft [naam] eiseres met terugwerkende kracht tot

3 augustus 2015 hersteld gemeld. Daarna heeft ook [naam] bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd. Het UWV oordeelde daarop, na nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek, dat eiseres in staat moet worden geacht om haar werkzaamheden bij [naam] te verrichten. Per brief van 1 juni 2016 heeft mr. A.F. van den Berg,

de advocaat die namens eiseres optreedt in het geschil met [naam] , eiseres meegedeeld dat zij sinds 3 augustus 2015 arbeidsgeschikt wordt geacht en dat [naam] het recht heeft de uitbetaling van haar loon op te schorten, omdat zij haar werkzaamheden niet heeft hervat.

Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij sinds 2 november 2005 bij [naam] in dienst is en dat zij sinds augustus 2015 haar salaris niet meer krijgt uitbetaald. Verder heeft zij ter zitting erkend dat de arbeidsovereenkomst met [naam] niet is beëindigd. [naam] heeft ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst weliswaar een vaststellingsovereenkomst laten opstellen, maar eiseres wil deze niet tekenen omdat zij het niet met de volledige inhoud daarvan eens is.

7. De rechtbank stelt vast dat eiseres nog steeds een arbeidsovereenkomst heeft met [naam] , maar dat sprake is van een arbeidsconflict. Eiseres stelt dat zij het werk bij [naam] niet kan verrichten, maar in de door het UWV afgegeven deskundigenoordelen is anders bepaald. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder d, van de PW. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wet werk en bijstand, de voorganger van de PW, is gesteld dat werkstaking of uitsluiting van het werk voor de bijstandsverlening een uitsluitingsgrond dient op te leveren, omdat het verlenen van bijstand aan degenen die rechtstreeks of zijdelings betrokken zijn bij een dergelijk arbeidsconflict zou neerkomen op een ongewenste beïnvloeding door de overheid van dat conflict (TK 2002-2003, 28870, nr. 3, p. 44). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht besloten dat maandelijks € 487,58 op de uitkering van eiseres in mindering dient te worden gebracht vanwege de nog lopende arbeidsovereenkomst met [naam] .

8. Voor zover eiseres heeft betoogd dat verweerder op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW geen toepassing had moeten geven aan het bepaalde in artikel 13, eerste lid, onder d, volgt de rechtbank haar daar niet in. Zij heeft niet met concrete stukken aangetoond dat sprake is van dusdanige dringende redenen dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om, in afwijking van artikel 13, eerste lid, onder d, van de PW, elke maand

€ 487,58 op haar bijstandsuitkering in mindering te brengen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.