Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3452

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
08/730265-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 30-jarige man tot een gevangenisstraf van 4 maanden. Daarnaast moet de man een bedrag aan schadevergoeding van ruim 850 euro betalen aan zijn slachtoffers. In mei van dit jaar gaat de man volledig door het lint in de psychiatrische kliniek waar hij op dat moment verblijft. Hij bedreigt en mishandelt een drietal medewerkers in de kliniek. De man moet ook alsnog een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0720

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/730265-17 (P)

Datum vonnis: 5 september 2017

Verstekvonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W. Koorn.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 8 mei 2017 [benadeelde 1] (feit 1) en [benadeelde 2] (feit 2) heeft mishandeld en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft bedreigd (feit 3).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 08 mei 2017 te Almelo

[benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] (met kracht) een of

meermalen tegen de hand en/of de elleboog, althans op/tegen het lichaam te

schoppen/trappen;

2.

hij op of omstreeks 08 mei 2017 te Almelo

[benadeelde 2] heeft mishandeld door die [benadeelde 2] (met kracht) een of meermalen in

de hand, althans in het bovenlichaam te bijten;

3.

hij op of omstreeks 08 mei 2017 te Almelo

[benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik vermoord

er nog eentje" en/of "Ik ga jouw gezicht helemaal in elkaar slaan" en/of "Ik

ga iemand op de afdeling vermoorden" en/of "Ik maak jullie af en ik ga jouw

kop verbouwen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2

De overwegingen van de rechtbank

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer [dossiernummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Aangeefster [benadeelde 1] heeft verklaard dat verdachte haar op 8 mei 2017 hard tegen de linkerhand heeft geschopt en dat zij daardoor een hevige pijn voelde en dat verdachte ook tegen haar elleboog heeft geschopt. Ook heeft aangeefster [benadeelde 1] verklaard dat zij heeft gehoord dat haar collega [benadeelde 2] heeft gezegd: “Ik ben gebeten door hem”. 1

Aangever [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte hard tegen de arm van zijn collega [benadeelde 1] schopte en dat verdachte hem in zijn linkerhand heeft gebeten en dat hij op dat moment een scherpe pijn voelde en hoorde dat verdachte riep “Ik vermoord er nog eentje”.2

Aangever [benadeelde 3] heeft verklaard dat verdachte tegen hem gezegd heeft dat hij het gezicht van aangever helemaal in elkaar ging slaan en dat hij iemand op de afdeling ging vermoorden.3

In het proces-verbaal van bevindingen is door de verbalisant gerelateerd dat aangeefster [benadeelde 1] tegen hem heeft gezegd dat [benadeelde 1] heeft gehoord dat verdachte heeft gezegd: “ik maak jullie allemaal af en ik ga jouw kop verbouwen”.4

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op vorenstaande verklaringen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan met dien verstande dat:

1.

hij op 08 mei 2017 te Almelo [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] met kracht tegen de hand en de elleboog te schoppen;

2.

hij op 08 mei 2017 te Almelo [benadeelde 2] heeft mishandeld door die [benadeelde 2] met kracht in

de hand bijten;

3.

hij op 08 mei 2017 te Almelo [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,

door die [benadeelde 2] en [benadeelde 3] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik vermoord

er nog eentje" en "Ik ga jouw gezicht helemaal in elkaar slaan" en "Ik

ga iemand op de afdeling vermoorden" en "Ik maak jullie af en ik ga jouw

kop verbouwen".

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feiten 1 en 2:

de misdrijven:

mishandeling;

feit 3:

het misdrijf:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.2

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft personen mishandeld en bedreigd die op dat moment beroepsmatig belast waren met de behandeling van verdachte. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan. Voor het begaan van dergelijke feiten past naar het oordeel van de rechtbank slechts een afstraffing in de vorm van een gevangenisstraf. De rechtbank zal derhalve een gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank mede acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat verdachte in het verleden reeds meermalen met justitie in aanraking is geweest.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde 2] , wonende te [woonplaats 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 563,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Wegens beschadigde kleding wordt een bedrag van € 63,65 gevorderd en wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 500,00 gevorderd.

[benadeelde 1] , wonende te [woonplaats 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 303,75 (driehonderd en drie euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bedraagt € 103,75 wegens een vernield horloge.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 200,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaategel en met vergoeding van de wettelijke rente.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het door de benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 563,65 en het door de benadeelde partij [benadeelde 1] gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 303,75 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 1 en 2 is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat last wordt gegeven tot tenuitvoerlegging van het vonnis van politierechter, rechtbank Noord Holland, van 10 augustus 2017, bij welk vonnis verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 57 en 36f Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 en feit 2 telkens:

mishandeling;

feit 3

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van een bedrag van € 563,65 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2017);

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 563,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 11 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van een bedrag van € 303,75 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2017);

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 303,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 6 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter Noord Holland van 10 augustus 2017 met parketnummer 15/218260-16 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

opheffing schorsing voorlopige hechtenis

- heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis (afzonderlijk geminuteerd).

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. G.J. Stoové en mr. A.M. den Dulk, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.

1 het proces-verbaal van [benadeelde 1] , d.d. 8 mei 2017, blz. 5;

2 het proces-verbaal van [benadeelde 2] , d.d. 8 mei 2017, blz. 12 en 13;

3 het proces-verbaal van [benadeelde 3] , d.d. 8 mei 2017, blz. 10 en 11.

4 het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2017, blz. 18.