Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3438

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-09-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
08/996055-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 48-jarige vrouw en haar 54-jarige man uit Lelystad tot werkstraffen van respectievelijk 190 uur en 150 uur vanwege valsheid in geschrifte en het indienen van onjuiste aangiften voor de omzet- en inkomstenbelasting. De rechtbank legde de twee daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van drie maanden.

Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2017:3435

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-09-2017
FutD 2017-2239

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/996055-14 (P)

Datum vonnis: 4 september 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.M. Pluimers en van hetgeen door verdachte en haar raadsman mr. D. Kops, advocaat te Breukelen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 21 augustus 2017, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

primair: al dan niet samen met [medeverdachte] een op verdachte’s naam staande aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010 opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan;

subsidiair: al dan niet samen met [medeverdachte] een bezwaarschrift tegen een op verdachte’s naam staande, ambtshalve opgelegde aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2010 valselijk heeft opgemaakt;

feit 2

primair: al dan niet samen met [medeverdachte] op verdachte’s naam staande aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan;

subsidiair: al dan niet samen met [medeverdachte] op verdachte’s naam staande aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 valselijk heeft opgemaakt;

feit 3

primair: al dan niet samen met [medeverdachte] een op [medeverdachte] naam staande aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010 opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan;

subsidiair: al dan niet samen met [medeverdachte] een bezwaarschrift tegen een op [medeverdachte] naam staande, ambtshalve opgelegde aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2010 valselijk heeft opgemaakt;

feit 4

primair: al dan niet samen met [medeverdachte] op [medeverdachte] naam staande aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan;

subsidiair: al dan niet samen met [medeverdachte] op [medeverdachte] naam staande aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 valselijk heeft opgemaakt;

feit 5

primair: al dan niet samen met [medeverdachte] feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] bij het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2009, het eerste kwartaal van 2010 en de maanden mei tot en met november 2010, de maanden januari tot en met december van 2011, de maanden januari tot en met december van 2012 en de maanden januari tot en met december van 2013;

subsidiair: al dan niet samen met [medeverdachte] en/of [bedrijf 1] die aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

zij op of omstreeks 25 september 2013 in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het jaar 2010,

(Vindplaats: D-164; pagina 589 en D-183; pagina 1474 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit er toe strekte, dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangifte

- een te laag bedrag aan belastbaar inkomen werd aangegeven, en/of (daardoor)

- een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 25 september 2013 in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, althans alleen, een bezwaarschrift tegen een (ambtshalve opgelegde) aanslag inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het jaar 2010,

(Vindplaats: D-164; pagina 589 en D-183; pagina 1474 e.v.)

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers heeft zij, verdachte, en/of haar medeverdachte(n) valselijk op dat bezwaarschrift vermeld dat haar bruto resultaat uit werkzaamheden/verzamelinkomen EUR 16.500 bedroeg;

2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 september 2013 tot en met 30 september 2013, in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het/de jaar/jaren:

- 2011, en/of

- 2012,

(Vindplaats 2011: D-165; pagina 590-591 en D-184, pagina 1488 e.v.)

(vindplaats 2012: D-166; pagina 592-593 en D-184, pagina 1493 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangifte(n) (telkens)

- een te laag bedrag aan belastbaar inkomen werd aangegeven, en/of (daardoor)

- een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Zij,

op één of meer tijdstippen,

in of omstreeks 1 september 2013 tot en met 30 september 2013,

in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, althans alleen,

(een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over

het/de jaar/jaren:

-2011; en

- 2012,

(Vindplaats: D-184, doorgenummerde pagina 1488 e.v. en 1493)

- zijnde (een) geschrift(en) dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers heeft/hebben, hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) valselijk op

dat/die aangift(en) vermeld dat het verzamelinkomen EUR 12.255 en/of EUR

21.883 en/of het bruto resultaat uit werkzaamheden EUR 7.500 en/of EUR 0 bedroeg;

3.

zij op of omstreeks 07 maart 2013 in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting ten name van [medeverdachte] over het jaar 2010,

(Vindplaats: D-161; pagina 563-566 en D-182, pagina 1455 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit er toe strekte, dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangifte

- een te laag bedrag aan belastbaar inkomen werd aangegeven, en/of (daardoor)

- een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 07 maart 2013 in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, althans alleen, een bezwaarschrift tegen een (ambtshalve opgelegde) aanslag inkomstenbelasting ten name van [medeverdachte] over het jaar 2010,

(Vindplaats: D-161; pagina 563-566 en D-182; pagina 1455 e.v.)

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar medeverdachte(n) valselijk op dat bezwaarschrift vermeld dat het (verzamel)inkomen EUR 18.982 bedroeg;

4.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 maart 2013 tot en met

30 september 2013 in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting ten name van [medeverdachte] over het/de jaar/jaren:

- 2011, en/of

- 2012,

(Vindplaats 2011: D-162; pagina 570 e.v.)

(Vindplaats 2012: D-163; pagina 581 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangifte(n) (telkens)

- een te laag bedrag aan belastbaar inkomen werd aangegeven, en/of (daardoor)

- een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 4 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Zij,

op één of meer tijdstippen,

in of omstreeks 1 maart 2013 tot en met 30 september 2013,

in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, althans alleen,

(een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting ten name van [medeverdachte] over

het/de jaar/jaren:

-2011; en

- 2012,

(Vindplaats: D-182, doorgenummerde pagina 1460 e.v.)

- zijnde (een) geschrift(en) dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers heeft/hebben, hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) valselijk op

dat/die aangift(en) vermeld dat het verzamelinkomen EUR 7.664 en/of EUR 6.937

en/of winst uit ondernemerschap en/of belastbare winst EUR 15.164 en/of EUR

5.000 bedroeg;

5.

[bedrijf 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van

01 januari 2009 tot en met 31 januari 2014, in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het/de:

- eerste, tweede en/of derde kwartaal 2009, althans over één of meer kwartalen in 2009, en/of

- eerste kwartaal 2010 en/of de maanden mei 2010 tot en met november 2010, althans over één of meer maanden in 2010, en/of

- maanden januari 2011 tot en met december 2011, althans over één of meer maanden in 2011, en/of

- maanden januari 2012 tot en met december 2012, althans over één of meer maanden in 2012, en/of

- maanden januari 2013 tot en met december 2013, althans over één of meer maanden in 2013,

(Vindplaats: D-185, doorgenummerde pagina 1500 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangifte(n) (telkens)

- een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd aangegeven,

zulks, terwijl zij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 5 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2009

tot en met 31 januari 2014, in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of

(elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte]

en/of met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)

voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het/de:

- eerste, tweede en/of derde kwartaal 2009, althans over één of meer kwartalen

in 2009; en/of

- eerste kwartaal 2010 en/of de maanden mei 2010 tot en met november 2010,

althans over één of meer maanden in 2010, en/of

- maanden januari 2011 tot en met december 2011, althans over één of meer

maanden in 2011; en/of

- maanden januari 2012 tot en met december 2012, althans over één of meer

maanden in 2012; en/of

- maanden januari 2013 tot en met december 2013, althans over één of meer

maanden in 2013,

(Vindplaats: D-185, doorgenummerde pagina 1500 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) er (telkens)

toe strekte(n), dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangifte(n) (telkens)

- een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd aangegeven.

3 De voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

3.2

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verweren van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie op verschillende gronden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. Hij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Het onderzoek tegen verdachte (hierna: [verdachte] ) loopt al sinds februari 2014 en ondanks dat verdachte op 23 maart 2015 is aangehouden, zijn daarvóór al opsporingshandelingen zoals een doorzoeking en een boekenonderzoek verricht.

De overschrijding van de redelijke termijn dient volgens de raadsman te worden bezien in samenhang met de omstandigheid dat de officier van justitie het Protocol aanmelding en afhandeling fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten (het Protocol AAFD) niet heeft nageleefd. Voor aanmelding van een strafrechtelijke overtreding dient er sprake te zijn van een nadeelbedrag van minimaal € 100.000,--. In de onderhavige zaak is deze ondergrens niet gehaald. Een zaak kan op grond van het Protocol AAFD worden aangemeld als sprake is van een vermoeden van opzet én als de in dat Protocol genoemde wegingscriteria daartoe aanleiding geven. Van een vermoeden van opzet is geen sprake: [verdachte] regelde weliswaar de belastingzaken van haarzelf en haar echtgenoot [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), maar zij had onvoldoende kennis en zij heeft slechts gedaan wat zij dacht dat goed was. Evenmin is volgens de verdediging voldaan aan een van de aanvullende wegingscriteria.

Nu de zaak op grond het Protocol AAFD niet aangebracht had mogen worden voor strafrechtelijke afdoening, maar bestuurlijk had moeten worden afgedaan, dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voorts merkt de raadsman op dat de Belastingdienst grove fouten heeft gemaakt in de oorspronkelijke berekeningen. Inkomsten en betaalde belastingen in Engeland zijn niet meegerekend, hetgeen een vertekend beeld van de ernst van de zaak heeft gegeven, terwijl op grond van die berekeningen wel vervolging van [verdachte] heeft plaatsgevonden.

In samenhang bezien dienen de genoemde gronden te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de verdediging gevoerde verweren moeten worden verworpen. Van een overschrijding van de redelijke termijn die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid is, gezien het standaardarrest van de Hoge Raad uit 2008, geen sprake. Voor zover gesteld kan worden dat sprake is van een termijnoverschrijding – op 29 september 2014 heeft een doorzoeking bij verdachte plaatsgevonden waarna de termijn is aangevangen en op 12 september 2016 heeft de eerste behandeling van de strafzaak plaatsgevonden die vervolgens is geschorst tot de zitting van 21 augustus 2017 – dient die overschrijding te worden verdisconteerd in de strafmaat.

Van schending van de Richtlijnen AAFD is geen sprake: de onderhavige zaak betreft een categorie I zaak en op het moment van aanmelding door de Belastingdienst was het drempelbedrag gehaald. Daarnaast is voldaan aan enkele wegingscriteria.

Wat betreft de door de belastinginspecteur opgestelde berekening geldt dat die berekening is opgesteld aan de hand van de ondeugdelijke administratie van verdachte die eerst door de FIOD is uitgezocht en opgesteld. Vorenstaande omstandigheden kunnen volgens de officier van justitie ook tezamen niet leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat overschrijding van de redelijke termijn, ook niet als sprake zou zijn van een uitzonderlijk geval, tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leidt.1 Dit verweer van de verdediging wordt verworpen.

De rechtbank stelt voorts vast dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten de Richtlijnen aanmelding en afhandeling fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten (de Richtlijnen AAFD)2 van toepassing waren, en (nog) niet het door de verdediging genoemde Protocol AAFD.

De rechtbank is van oordeel dat op juiste gronden en overeenkomstig de genoemde Richtlijnen AAFD de zaak bij het selectieoverleg en daarna bij het tripartiete overleg is aangemeld. Het berekende nadeel was hoger dan het in de Richtlijnen AAFD voor aanmelding bij de boete-fraudecoördinator vereiste drempelbedrag van € 10.000,-- voor particuliere belastingplichtigen. Dat nadeel bedroeg weliswaar minder dan € 125.000,--3, maar er was sprake van tenminste één van de in de Richtlijnen AAFD genoemde overige aspecten, te weten onmogelijkheid van verhaal. De beslissing om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging van [verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in strijd met de Richtlijnen AAFD. De omstandigheid dat bij de berekening van het belastingnadeel in eerste instantie geen rekening is gehouden met de regels ter voorkoming van dubbele belastingheffing doet hier niet aan af.

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde omstandigheden op zichzelf, noch in onderling verband en samenhang bezien, kunnen leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] .

3.3

Schorsing van de vervolging.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van het onder de feiten 1 tot en met 4 primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken en dat het onder de feiten 1 tot en met 4 subsidiair en het onder feit 5 primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, waarbij ten aanzien van feit 3 en feit 4 sprake is van medeplegen en ten aanzien van feit 5 sprake is van feitelijk leidinggeven.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft geen (boos) opzet gehad op het doen van onjuiste belastingaangiften. Zij heeft gedaan wat zij dacht dat goed was, maar zij had onvoldoende kennis van het invullen van belastingaangifteformulieren. Toch heeft zij geprobeerd de belastingaangiften zo goed mogelijk in te vullen. Van een geraffineerd plan van verdachte om de Belastingdienst te misleiden is dan ook geen sprake.

Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende af.

[verdachte] is gehuwd met [medeverdachte] . [medeverdachte] deed in de ten laste gelegde periode mee aan dartstoernooien, verzorgde dartsdemonstraties en deed tv-optredens. [verdachte] boekte de reizen, regelde de inschrijvingen en was verantwoordelijk voor de administratie.

In verband met deze activiteiten is op 1 januari 2007 de [bedrijf 1] opgericht. [medeverdachte] en [verdachte] waren beiden vennoot in deze VOF. Volgens de oprichtingsovereenkomst is de winstverdeling 70% voor [medeverdachte] en 30% voor [verdachte] . De VOF is per 1 januari 2014 gestaakt en de onderneming is door [medeverdachte] voorgezet als eenmanszaak. De inkomsten van de VOF bestonden uit prijzengeld, sponsorgelden, inkomsten uit dartdemo’s en tv-gelden. De VOF was belastingplichtig voor de omzetbelasting.

[verdachte] voerde de dagelijkse administratie hoewel zij niet over de vereiste boekhoudkundige en fiscale kennis beschikte. De administratie over 2009 is nog verzorgd door [bedrijf 2] .

[verdachte] heeft de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2012 van zichzelf en van [medeverdachte] verzorgd. Daarnaast heeft zij de aangiften omzetbelasting op naam van [bedrijf 1] over de jaren 2009 tot en met 2013 opgemaakt en ingediend.

Voor het jaar 2010 is aan [verdachte] en [medeverdachte] achtereenvolgens een uitnodiging tot het doen van aangifte inkomstenbelasting, een herinnering en een aanmaning verstuurd. [verdachte] heeft de aangiften inkomstenbelasting over het jaar 2010 voor zichzelf en voor [medeverdachte] in eerste instantie niet ingediend. De Belastingdienst heeft vervolgens voor dat jaar aan [verdachte] en [medeverdachte] een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Na de ambtshalve aanslagen heeft [verdachte] alsnog aangiften inkomstenbelasting over 2010 ingediend. Omdat de aangiften buiten de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend, heeft de Belastingdienst deze aangiften geïnterpreteerd als bezwaarschriften tegen op de opgelegde ambtshalve aanslagen. Op basis van de bezwaarschriften zijn de ambtshalve aanslagen verminderd.

Uit onderzoek door de Belastingdienst/FIOD is gebleken dat de door [verdachte] ingediende aangiften inkomstenbelasting van zichzelf en van [medeverdachte] over 2010 tot en met 2012 niet juist waren. Er is telkens een te laag bedrag aan belastbaar inkomen vermeld.

Ook de door [verdachte] ingediende aangiften omzetbelasting over 2009 tot en met 2013 waren niet correct. Er is in totaal een bedrag van € 55.574,-- aan omzetbelasting niet aangegeven en afgedragen.

Inkomstenbelasting 2010 (feiten 1 en 3)

Ten aanzien van de aangiften inkomstenbelasting ten name van [verdachte] en [medeverdachte] over 2010 is komen vast te staan dat die aangiften pas zijn ingediend nadat de Belastingdienst aan beiden ambtshalve aanslagen over dat jaar had opgelegd.

De door [verdachte] opgestelde aangiften inkomstenbelasting over 2010 kunnen daarmee niet gelden als bij de belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in artikel 69, tweede lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Deze aangiften zijn immers niet binnen de ingevolge artikel 9 AWR bepaalde termijn ingediend en de belastinginspecteur heeft bij de aanslagoplegging met die aangiften geen rekening kunnen houden.4 Gelet hierop zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van de onder feit 1 primair en feit 3 primair tenlastegelegde feiten.

Wat betreft de tenlastegelegde valsheid in geschrift (feiten 1 subsidiair en 3 subsidiair) overweegt de rechtbank het volgende.

Voor bewezenverklaring van valsheid in geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is vereist dat de maker van het geschrift het oogmerk tot misleiding heeft gehad. Dit oogmerk betekent dat sprake moet zijn van doelbewustheid met betrekking tot het gebruiken of het doen gebruiken van een vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst. Voorwaardelijk opzet op dat gebruik is in dit verband niet voldoende.

Het valselijk opmaken van een geschrift impliceert dat de dader opzet heeft gehad op de valsheid van het geschrift. Niet vereist is dat dit opzet in de vorm van een bedoeling bestaat, voorwaardelijk opzet volstaat daarbij.

Van valselijk opmaken is verder niet alleen sprake als voorgewend wordt dat het geschrift van een ander afkomstig is, maar ook als de inhoud van het geschrift niet overeenkomt met de werkelijkheid.

[verdachte] heeft verklaard dat zij het invullen van de aangiften inkomstenbelasting erg moeilijk vond en dat zij zichzelf daarvoor niet gekwalificeerd achtte. Verder heeft zij verklaard dat het best zo kan zijn dat zij iets heeft ingevuld dat niet goed was, maar dat zij dat toch heeft ingevuld, omdat zij geen mogelijkheid zag om deskundige hulp in te schakelen. Door onder die omstandigheden desondanks aangiften inkomstenbelasting over 2010 in te dienen, heeft [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank tenminste voorwaardelijk opzet op de valsheid van die aangiften gehad.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] het oogmerk had om de aangiften als ware zij echt en onvervalst te gebruiken. Zij heeft de aangiften immers doelbewust ingediend bij de Belastingdienst, terwijl ze wist dat die aangiften niet juist waren.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] de aangiften inkomstenbelasting van haarzelf en van [medeverdachte] over 2010, zijnde bezwaarschriften tegen de ambtshalve aanslagen over die jaren, valselijk heeft opgemaakt.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 1 subsidiair spreekt de rechtbank verdachte vrij voor het medeplegen.

Het tenlastegelegde medeplegen onder feit 3 subsidiair acht de rechtbank wel bewezen. Er is sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] , dat ook [medeverdachte] (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de valsheid in geschrift. Het betrof immers een bezwaarschrift tegen een ambtshalve opgelegde aanslag inkomstenbelasting op zíjn naam die [verdachte] heeft opgesteld en [medeverdachte] , wetende dat [verdachte] onvoldoende kennis had en het moeilijk vond om de aangiften in te vullen, heeft op geen enkele wijze gecontroleerd of de ten name van hem ingevulde aangifte juist was.

Inkomstenbelasting 2011 en 2012 (feiten 2 en 4)

De rechtbank stelt voorop dat de aangiften inkomstenbelasting ten name van [verdachte] en [medeverdachte] over 2011 en 2012 gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in artikel 69, tweede lid, AWR. Uit het dossier blijkt dat deze aangiften gedaan zijn binnen de door de inspecteur (verlengde) termijn en de inspecteur heeft bij de aanslagoplegging met die aangiften rekening kunnen houden.

De verdediging bestrijdt dat [verdachte] boos opzet heeft gehad op de onjuistheid van de door haar ingediende aangiften inkomstenbelasting.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] als degene die de belastingaangiften invulde en indiende voor zichzelf en voor [medeverdachte] , niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van haar gevergd kon worden. De rechtbank stelt [verdachte] daarvoor ook strafrechtelijk aansprakelijk en overweegt daartoe dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat de door haar ingevulde belastingaangiften onjuist waren. Zij had immers onvoldoende kennis en vond het moeilijk om de aangiften in te vullen. [verdachte] heeft nagelaten om deskundige hulp in te roepen. Zij is op zijn minst onverschillig geweest ten aanzien van de verwezenlijking van voornoemde aanmerkelijke kans en heeft daarmee deze kans bewust aanvaard.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] voorwaardelijk opzet had op de onjuistheid van de aangiften inkomstenbelasting over 2011 en 2012 van zichzelf en [medeverdachte] (feiten 2 primair en 4 primair).

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 2 primair spreekt de rechtbank verdachte vrij voor het medeplegen.

De rechtbank acht het tenlastegelegde medeplegen onder feit 4 primair wel bewezen en verwijst in dit verband naar de betreffende overwegingen met betrekking tot de feiten 1 en 3.

Omzetbelasting (feit 5)

[verdachte] heeft ter terechtzitting bekend dat zij de aangiften omzetbelasting van de VOF over de jaren 2009 tot en met 2013 niet altijd juist indiende en ook dat zij (ten onrechte) nihilaangiften deed in verband met geld- en/of tijdgebrek.

De rechtbank acht daarom het onder 5 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht gelet op hetgeen hiervoor is overwogen eveneens bewezen dat er sprake is van medeplegen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van hetgeen aan verdachte onder feit 1 subsidiair, feit 2 primair, feit 3 subsidiair, feit 4 primair en feit 5

subsidiair is tenlastegelegd.

Hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair, feit 3 primair en feit 5 primair is ten laste gelegd acht de rechtbank niet bewezen, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1 subsidiair

zij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 25 september 2013 in Nederland,

een bezwaarschrift tegen een ambtshalve opgelegde aanslag inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het jaar 2010 – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers heeft zij, verdachte, valselijk op dat bezwaarschrift vermeld dat haar bruto resultaat uit werkzaamheden/verzamelinkomen € 16.500,-- bedroeg;

2 primair

zij in de periode van 25 september 2013 tot en met 30 september 2013 in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het jaar 2011 en 2012, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl die feiten er telkens toe strekten, dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangiften telkens een te laag bedrag aan belastbaar inkomen werd aangegeven en daardoor een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven;

3 subsidiair

zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 07 maart 2013 in Nederland,

tezamen en in vereniging met [medeverdachte] een bezwaarschrift tegen een ambtshalve opgelegde aanslag inkomstenbelasting ten name van [medeverdachte] over het jaar 2010

– zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander of anderen te doen gebruiken, immers heeft zij, verdachte, valselijk op dat bezwaarschrift vermeld dat het (verzamel)inkomen € 18.982,-- bedroeg;

4 primair

zij in de periode van 8 maart 2013 tot en met 30 september 2013 in Nederland,

telkens tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting ten name van [medeverdachte] over het jaar 2011 en het jaar 2012, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangiften telkens een te laag bedrag aan belastbaar inkomen werd aangegeven, en daardoor een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven;

5 subsidiair

zij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 januari 2014 in Nederland,

telkens tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het/de:

- eerste, tweede en derde kwartaal 2009, en

- eerste kwartaal 2010 en/of de maanden mei 2010 tot en met november 2010, en

- maanden januari 2011 tot en met december 2011, en

- maanden januari 2012 tot en met december 2012, en

- maanden januari 2013 tot en met december 2013,

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangiften telkens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd aangegeven.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte [verdachte] wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 primair en 5 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 225 Sr en de artikelen 68 en 69 AWR. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: valsheid in geschrift;

feit 2 primair

het misdrijf: het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

feit 3 subsidiair

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift;

feit 4 primair en feit 5 subsidiair

telkens het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 240

uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een strafoplegging rekening gehouden moet worden met de overschrijding van de redelijke termijn en met het feit dat het benadelingsbedrag veel lager is dan op basis waarvan de opsporing en strafrechtelijke vervolging in eerste instantie heeft plaatsgevonden. Tevens moet rekening gehouden worden met het feit dat [medeverdachte] een bekende Nederlander is en reputatieschade heeft en zal ondervinden van de onderhavige strafzaak. De dartcarrière van [medeverdachte] is voorbij en televisieoptredens zijn er ook in mindere mate. Hetgeen ook zijn weerslag heeft op [verdachte] . Het gevaar op herhaling is niet aanwezig. Met het opleggen van een voorwaardelijke straf kan volgens de verdediging worden volstaan.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

[verdachte] heeft gedurende meerdere jaren onjuiste aangiften voor de inkomstenbelasting en omzetbelasting van zichzelf, [medeverdachte] en hun VOF opgemaakt en ingediend bij de Belastingdienst. Wetende dat zij volstrekt onvoldoende boekhoudkundige kennis had, is [verdachte] , ondanks dat [medeverdachte] haar heeft geadviseerd om deskundige bijstand te vragen, blijven doorgaan met het opstellen en indienen van de aangiften. Dit heeft er toe geleid dat te weinig belasting is geheven en dat de Nederlandse Staat voor een bedrag van ruim € 100.000,-- financieel is benadeeld. Verdachte [verdachte] heeft het vertrouwen geschonden dat de overheid in haar burgers moet kunnen stellen. De rechtbank rekent haar dit aan.

Bij de afweging welke straf aan [verdachte] moet worden opgelegd, heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die in geval van een benadelingsbedrag dat ligt tussen € 70.000,-- en € 125.000,-- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf tot negen maanden, dan wel de combinatie van een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf vermelden.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank weegt in het voordeel van [verdachte] mee dat zij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank weegt ook mee dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en stelt in dat verband het volgende vast.

Op 29 september 2014 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woning van [verdachte] en [medeverdachte] . Op die datum heeft de vervolging van [verdachte] een aanvang genomen en is de redelijke termijn gaan lopen. Op 4 september 2017 wijst de rechtbank vonnis.

Als uitgangspunt geldt dat het geding – behoudens bijzondere omstandigheden die een dergelijke lange duur rechtvaardigen – met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen. De zaak heeft voor het eerst op zitting gestaan op 12 september 2016. Op die zitting is het onderzoek op verzoek van de verdediging geschorst voor nader onderzoek. De rechtbank heeft ter zitting overwogen dat zij er van uitgaat dat op 31 december 2016 alle gegevens beschikbaar zijn waarna een vervolgzitting kan worden gepland. Echter, eerst bij brief van 2 maart 2017 heeft de inspecteur op de door de verdediging op 11 november 2016 overgelegde stukken gereageerd. Na de aanhouding van de zaak op de zitting van 12 september 2016 is de zaak op 21 augustus 2017 op zitting aangebracht en inhoudelijk behandeld. Aldus wordt ongeveer drie jaar na de doorzoeking ter inbeslagneming in de woning van [verdachte] en [medeverdachte] vonnis gewezen. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt derhalve bijna één jaar, van welke periode ongeveer een half jaar toegeschreven kan worden aan de nadere onderzoekswensen van de verdediging.

De conclusie dient dan ook te zijn dat de redelijke termijn met ongeveer een half jaar is overschreden. Met deze overschrijding dient rekening te worden gehouden bij de strafoplegging.

De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn compenseren door vermindering van de taakstraf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, in die zin dat de rechtbank vijf procent op voornoemde taakstraf in mindering zal brengen5, hetwelk resulteert in oplegging van een werkstraf van 190 uren.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf van na te noemen duur een passende straf is. Teneinde aan [verdachte] een duidelijke waarschuwing mee te geven zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke straf opleggen.

Alles overziend komt de rechtbank tot het opleggen van een taakstraf van 190 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal een proeftijd van drie jaren worden verbonden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57 en 91 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 3 primair en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 primair en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 primair en 5 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: valsheid in geschrift;

feit 2 primair

het misdrijf: het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

feit 3 subsidiair

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift;

feit 4 primair en feit 5 subsidiair

telkens het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 primair en 5 subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

- kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 190 (eenhonderd en negentig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 95 dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. E.J.M. Bos en mr. A. Skerka, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit het dossier van de FIOD van 27 augustus 2015 met nummer 54596. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 21 augustus 2017 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De aangifte inkomstenbelasting over 2010 heb ik opgesteld en ingediend. Het betrof zowel de aangifte van mijzelf als die van [medeverdachte] .

Hetgeen ik bij de FIOD heb verklaard, is zoals ik het heb beleefd. Ik heb daar niet gelogen en ook hier zit ik niet te liegen.

Desgevraagd zeg ik u dat ik geen boekhoudkundige kennis heb. Er is zeker wel iets fout gegaan bij het doen van aangifte. Ik heb de formulieren ingevuld en ik kan me voorstellen dat ik het ergens niet goed heb ingevuld, maar ik heb het ingevuld zoals ik dacht dat goed was.

Desgevraagd zeg ik u dat ik de BTW-aangiftes verzorgde. Dat was de afspraak. Ik heb soms geen aangiftes ingediend en soms heb ik nihilaangiftes ingediend. Ik wist dan dat het niet goed was. Ik heb dat niet goed gedaan. In antwoord op de vraag van de officier van justitie kan ik zeggen dat ik de BTW-aangiften bewust onjuist heb ingevuld en ingediend.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 24 maart 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 242):

(…) Alles wat [medeverdachte] met werkzaamheden verdient valt binnen de VOF. Daarmee bedoel ik [bedrijf 1] . [medeverdachte] en ik hadden samen deze VOF.

Eigenlijk kun je zeggen dat op het moment dat ik stopte met werken, ik alle administratieve

werkzaamheden ging doen.

Ik deed de administratie in de breedste zin van het woord. Daarmee bedoel ik dat ik alles bijhield, zoals de boekingen, de inschrijvingen, de vluchten, het boeken van de hotels en de dagelijkse administratie. Met de dagelijkse administratie bedoel ik alles, zoals de boekhouding, het financiële bankgebeuren en de BTW aangiften.

(…)

Vraag verbalisanten: Waaruit bestaat de dagelijkse administratie?

Antwoord verdachte: Ik maakte facturen en hield bij wat er in en uit ging. Ik hield geen kas- of bankboek bij. Daarvan heb ik niet de know-how. Het enige wat ik deed was onderscheid

maken tussen wat er via de bank betaald werd en wat er cash betaald werd. Verder dan

dat ging het niet.

Vraag verbalisanten: Wie vervaardigt de jaarstukken? Met de jaarstukken wordt de

verlies en winstrekening van de VOF bedoeld.

Antwoord verdachte: In eerste instantie de accountant en daarna heb ik geprobeerd iets in de aangifte te zeten waarvan ik dacht dat het goed was. Dat heb ik vanaf de belastingaangifte 2010 zelf gedaan.

Vraag verbalisanten: Aan de hand waarvan worden de jaarstukken opgemaakt.

Antwoord verdachte: Ik heb niet echt jaarstukken opgemaakt. Ik heb geprobeerd een onderscheid te maken tussen bruto en netto. Ik heb geprobeerd er wijs uit te worden en

er een goed bedrag in te vullen.

Ik heb het gedaan zoals ik dacht dat het goed was.

(…)

Antwoord verdachte: (…) Vanaf 2010 zijn er problemen ontstaan met de Belastingdienst en ik ben een persoon die nogal mijn hoofd in het zand steekt en dan maar hoopt dat het over gaat.

Ik heb de belastingaangifte over de jaren 2010, 2011 en 2012 ingevuld op basis van wat ik in de computer had ingevuld. Deze gegevens heb ik ook op verzoek van de Belastingdienst en de controlerend ambtenaar toegestuurd.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 24 maart 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 248):

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangifte omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2013 verzorgd?

Antwoord verdachte: Ik heb de aangifte omzetbelasting van de [bedrijf 1] verzorgd.

Het formulier bestaat voor zover ik weet uit twee delen. Hoe het er precies uit ziet weet ik niet, maar ik weet als ik het formulier zie waar ik wat moet invullen. Ik vulde het formulier niet altijd in. Om eerlijk te zijn vulde ik soms ook wel eens nul in. Dit deed ik op het moment dat er geen geld was of om een andere reden. Die andere reden was bijvoorbeeld als het de laatste dag was voor de aangifte of als ik al te laat was. Dan vulde ik nul in want dan kon de aangifte nog snel weg. Maar ik heb ook wel eens een volgende periode meer aangegeven dan dat ik eigenlijk verschuldigd was om zo de achterstand van de vorige periode in te halen.

Ik heb aangiften digitaal ingediend, terwijl ik wist dat die aangiften soms onjuist waren. Dit had in principe betrekking op alle aangiften omzetbelasting die ik heb ingediend.

(…)

Verbalisanten: In de jaren 2009 tot en met 2013 zijn aangiften omzetbelasting ingediend. In een groot aantal gevallen werden nihil aangiften gedaan. Uit de bij ons in bezit zijnde facturen komt naar voren dat er wel degelijk omzet is geweest gedurende deze jaren. Waarom werden er nihil aangiften gedaan terwijl er wel sprake was van gefactureerde omzetbelasting?

Antwoord verdachte: Ik wist dat ik de BTW die ik heb gefactureerd moest afdragen in de periode waarin ik de BTW heb gefactureerd. Ik heb dat niet gedaan.

(…)

Verbalisanten: Wij tonen u de overzichten D-137 tot en met D-141 en laten u zien wat er in totaal is gefactureerd en wat er op aangifte is afgedragen. Hoe verklaard u de grote verschillen?

Verdachte: Ik wist niet dat het zo weinig was wat ik heb aangegeven.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 25 maart 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 252):

Vraag verbalisanten: Nadat er voor het kalenderjaar 2009 en 2010 ambtshalve aanslagen opgelegd en vastgesteld waren, werden alsnog aangiften ingediend. Deze aangiften zijn aangemerkt en behandeld als een bezwaarschrift. Wie heeft bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2009 en 2010?

Antwoord verdachte: [bedrijf 2] heeft de aangifte van 2009 opgemaakt en ingediend.

(…) Ik heb de aangifte van het jaar 2010 gedaan. Deze heb ik opgemaakt op basis van de

gegevens die ik thuis had. Ik heb de aangifte digitaal ingediend. Dit heb ik zowel voor mijzelf als voor mijn partner [medeverdachte] gedaan. [medeverdachte] wist dat ik de aangifte gedaan had maar kende de inhoud van mijn en zijn aangifte niet.

Ik vond het invullen van de aangifte inkomstenbelasting erg moeilijk. Ik vond mijzelf hiervoor niet gekwalificeerd. Dan kan het best zo zijn dat ik iets heb ingevuld dat niet goed was. Ik heb het ingevuld omdat het moest en ik geen geld had om deskundige hulp in de arm te nemen.

Ik heb nadat ik de aangifte had ingediend tegen [medeverdachte] gezegd dat ik het invullen van de belastingaangifte heel erg moeilijk vond. Hij zei toen dat ik naar iemand moest gaan die er wel verstand van had en die mij met het invullen van de belastingaangifte had kunnen helpen. De aangiften waren toen al door mij ingediend.

(…)

Vraag verbalisanten: Door wie werd de aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 verzorgd?

Antwoord verdachte: Door mij, ik heb deze aangiften opgemaakt en ingediend. Volgens mij heb ik de aangifte van 2011 tegelijk met de aangifte van 2010 ingediend. [medeverdachte] wist dat ik de aangiften heb opgemaakt en ingediend maar kende de inhoud niet. De aangifte over het jaar 2012 heb ik later ingediend.

Vraag verbalisanten: Aan de hand van welke gegevens werden de aangiftebiljetten ingevuld?

Antwoord verdachte: Op basis van de gegevens die ik thuis had. Ondanks het eerdere advies van [medeverdachte] heb ik bij het indienen van de aangifte 2012 geen hulp gezocht.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 23 maart 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 203):

Vraag verbalisanten: Wie verzorgt de facturering voor de VOF?

Antwoord verdachte: Mijn vrouw [verdachte] .

Vraag verbalisanten: Wie verzorgt de dagelijkse administratie?

Antwoord verdachte: Ook mijn vrouw [verdachte] .

(…)

Ergens in 2013 is [verdachte] dat zelf gaan doen. Ik was allang blij dat [verdachte] dat allemaal deed. lk ga er van uit dat alles naar de Belastingdienst is gegaan".

(…)

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangifte omzetbelasting over de jaren 2009 tot en

met 2013 verzorgd?

Antwoord verdachte: [verdachte] . Ik zag wel eens dat er een bericht binnenkwam van de

Belastingdienst dat er weer aangifte gedaan moest worden. Ik zei dan tegen haar dat ze

aangifte moest doen. Ik ga er dan ook vanuit dat zij wel aangifte heeft gedaan. Zij was

ook wel eens te laat.

Vraag verbalisanten: Op basis van welke gegevens worden de aangiften

omzetbelasting opgemaakt?

Antwoord verdachte: Ik neem aan op basis van de inkomsten en de uitgaven.

(…)

Vraag verbalisanten: Wie heeft de aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst

ingediend?

Antwoord verdachte: Dat zou ook [verdachte] moeten zijn.

(…)

Vraag verbalisanten: Zijn deze nog te betalen bedragen aan omzetbelasting door u

aangegeven?

Antwoord verdachte: Nee, ik heb mij daar niet mee bemoeid. Ik zei wel tegen [verdachte] dat ze aangiften moest doen maar daar bleef het dan ook bij. lk ging er van uit dat ze aangifte deed.

6.

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 23 maart 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 207):

Vraag verbalisanten: Waarom heeft u geen aangifte inkomstenbelasting over de jaren

2009 en 2010 ingediend?

Antwoord verdachte: Ik ging er van uit dat dat wel gedaan was.

Vraag verbalisanten: Nadat er voor het kalenderjaar 2010 een ambtshalve aanslag was

opgelegd en vastgesteld, werd alsnog een aangifte ingediend. Deze aangifte is aangemerkt en behandeld als een bezwaarschrift. Wie heeft bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2010?

Antwoord verdachte: [verdachte] heeft dat gedaan. [verdachte] was in het bezit van mijn DigiD en regelde alles.

Vraag verbalisanten: Wie heeft het bezwaarschrift over het jaar 2010 ingediend bij de

Belastingdienst?

Antwoord verdachte: [verdachte] . Ik hield mij daar ook niet mee bezig omdat het ook niet mijn ding was. Zij zou het doen. We hadden afgesproken dat zij de administratie zou doen dus dan bemoeide ik mij daar ook niet mee.

Vraag verbalisanten: Door wie werd de aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2011

en 2012 verzorgd?

Antwoord verdachte: Door [verdachte] .

Vraag verbalisanten: Aan de hand van welke gegevens werden de aangiftebiljetten ingevuld?

Antwoord verdachte: Ik ga er van uit dat dat is gebeurd op basis van de gevoerde administratie.

Vraag verbalisanten: Wie heeft de aangiften ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord verdachte: "Ik ga er van uit dat [verdachte] dat heeft gedaan. lk heb het in ieder geval niet zelf gedaan.

7.

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 18 augustus 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 221):

Vraag verbalisanten: Wie nam het initiatief om de administratie voor het kalenderjaar 2010 in

eigen beheer te gaan doen?

(…) [verdachte] heeft toen gezegd dat ze het zelf wilde gaan doen. lk heb wel aan haar gevraagd of ze dat wel kon. Zij zei dat ze zich er in ging verdiepen en als ze het niet wist dan zou ze hulp gaan vragen.

Vraag verbalisanten: Wat vond u als vennoot binnen de VOF hiervan?

Antwoord: (…) Ik heb meerdere keren aan [verdachte] gevraagd hoe het allemaal ging. Zij gaf als antwoord dat alles liep en dat ze bij vragen hulp vroeg.

(…)

Vraag verbalisanten: Waarom heeft u zich als vennoot niet eerder met de administratieve

zaken heb beziggehouden?

Antwoord: Dat heb ik niet gedaan omdat ik helemaal geen kennis van boekhouden heb. (…)

Over het algemeen mocht ik mij niet met het voeren van de administratie bemoeien.

Vraag verbalisanten: Hoe of waaraan zag u dat het met de maandaangiften beter ging dan

tijdens de periode dat u er door de VOF nog kwartaalaangiften werden ingediend?

Antwoord: Dat zag ik als ik een e-mailaccount opende. Dan zag ik dat er niet alleen aangifte moest worden ingediend, maar ook dat er aangifte gedaan was. Dat zag ik aan

de onderwerp van het betreffende bericht.

(…)

Ik zag uit correspondentie van de Belastingdienst die [verdachte] open op tafel had laten liggen dat we een keer een boete kregen. Toen vertelde [verdachte] dat ze een kwartaal te laat was. De volgende periode zou ze dat rechtzetten. Dit is niet één keer maar meerdere keren voorgekomen. Op een gegeven moment zag ik het ook in de e-mailberichten. Ik ben daar toen ook specifiek op gaan letten. Volgens mij ging het toen beter. Inhoudelijk weet ik het echter niet want daar keek ik niet naar.

8.

Een ambtsedige verklaring Inkomstenbelasting van mw. [naam] , ambtenaar bij de Belastingdienst, van 14 april 2015, pag. 1479, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Dat zij in de door haar geraadpleegde systemen heeft waargenomen ten behoeve van [verdachte] dat de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 t/m 2012 elektronisch zijn binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst.

9.

Een document D-164 betreffende de aangifte Inkomstenbelasting over 2010 van [verdachte] , pag. 589.

10.

Een document D-165 betreffende de aangifte Inkomstenbelasting over 2011 van [verdachte] , pag. 590-591.

11.

Een document D-166 betreffende de aangifte Inkomstenbelasting over 2012 van [verdachte] , pag. 592-593.

12.

Een document D-161 betreffende de aangifte Inkomstenbelasting over 2010 van [medeverdachte] , pag. 563-566.

13.

Een document D-162 betreffende de aangifte Inkomstenbelasting over 2011 van [medeverdachte] , pag. 570.

14.

Een document D-163 betreffende de aangifte Inkomstenbelasting over 2012 van [medeverdachte] , pag. 581.

15.

Een ambtsedige verklaring Inkomstenbelasting van mw. [naam] , ambtenaar bij de Belastingdienst, van 14 april 2015 (D-182), pag. 1146, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Dat zij in de door haar geraadpleegde systemen het volgende heeft waargenomen ten behoeve van [medeverdachte] :

  • -

    dat de inkomstenbelastingaangiften over de jaren 2009 t/m 2012 van belastingplichtige in het beveiligde gedeelte van de Belastingdienst internetsite binnen het onderdeel 'overzicht aangiften' zijn geplaatst.

  • -

    dat over de jaren 2010 t/m 2012 de aangiften inkomstenbelasting betreffende voorgenoemde belastingplichtige elektronisch zijn binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst internetsite.

16.

De aangiften Omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het eerste, tweede en derde kwartaal 2009, het eerste kwartaal 2010 en de maanden mei 2010 tot en met november 2010, de maanden januari 2011 tot en met december 2011, de maanden januari 2012 tot en met december 2012 en de maanden januari 2013 tot en met december 2013 (D-185, pag. 1500-1546).

1 Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.

2 DGB 2011/4014M.

3 Zaken met een nadeel van meer dan € 125.000,-- komen ingevolge de Richtlijnen AAFD vanwege de hoogte van het bedrag in beginsel voor strafvervolging in aanmerking.

4 Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333.

5 Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.