Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3435

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-09-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
08/996054-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 54-jarige man en zijn 48-jarige vrouw uit Lelystad tot werkstraffen van respectievelijk 150 uur en 190 uur vanwege valsheid in geschrifte en het indienen van onjuiste aangiften voor de omzet- en inkomstenbelasting. De rechtbank legde de twee daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van drie maanden.

Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2017:3438

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-09-2017
FutD 2017-2239

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/996054-14 (P)

Datum vonnis: 4 september 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.M. Pluimers en van hetgeen door verdachte en diens raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 21 augustus 2017, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

primair: al dan niet samen met [medeverdachte] een op zijn naam staande aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010 opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan;

subsidiair: medeplichtig is aan het door [medeverdachte] opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van die aangifte inkomstenbelasting;

meer subsidiair: al dan niet samen met [medeverdachte] een bezwaarschrift tegen een op zijn naam staande, ambtshalve aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2010 valselijk heeft opgemaakt;

nog meer subsidiair: medeplichtig is aan het door [medeverdachte] valselijk opmaken van dat bezwaarschrift;

feit 2

primair: al dan niet samen met [medeverdachte] op zijn naam staande aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan;

subsidiair: al dan niet samen met [medeverdachte] op zijn naam staande aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 valselijk heeft opgemaakt;

meer subsidiair: medeplichtig is aan het door [medeverdachte] opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van die aangiften;

feit 3

primair: al dan niet samen met [medeverdachte] feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] bij het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2009, het eerste kwartaal van 2010 en de maanden mei tot en met november 2010, de maanden januari tot en met december van 2011, de maanden januari tot en met december van 2012 en de maanden januari tot en met december van 2013;

subsidiair: al dan niet samen met [medeverdachte] en/of [bedrijf 1] die aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan;

meer subsidiair: medeplichtig is aan het door [medeverdachte] geven van feitelijk leiding en/of opdracht aan [bedrijf 1] bij het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van die aangiften omzetbelasting;

nog meer subsidiair: medeplichtig is aan het door [medeverdachte] opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van die aangiften omzetbelasting.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 07 maart 2013, in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn

en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte]

en/of met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het jaar 2010,

(Vindplaats: D-161; pagina 563-566 en D-182, pagina 1455 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit er toe strekte dat te

weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangifte

- een te laag bedrag aan belastbaar inkomen werd aangegeven, en/of (daardoor)

- een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

[medeverdachte] op of omstreeks 07 maart 2013 in de gemeente(n) Lelystad en/of

Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het jaar 2010,

(Vindplaats: D-161; pagina 563-566 en D-182, pagina 1455 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans door een ander heeft doen doen,

terwijl dat feit er toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangifte

- een te laag bedrag aan belastbaar inkomen werd aangegeven, en/of (daardoor)

- een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de

periode van 01 januari 2011 tot en met 07 maart 2013 in de gemeente(n)

Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, opzettelijk behulpzaam

is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft verschaft,

heeft hij, verdachte,

- terwijl, hij, verdachte, wist:

* dat [medeverdachte] geen financiële achtergrond heeft, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-01, doorgenummerde pagina 244)

* dat [medeverdachte] het doen van aangifte heel erg moeilijk vond en zich

hiervoor niet gekwalificeerd achtte, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-03, doorgenummerde pagina 254)

* dat [medeverdachte] fouten maakte bij het opstellen van facturen, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-01, doorgenummerde pagina 245)

* dat [medeverdachte] niet in alle gevallen een factuur opmaakte wanneer er

een dienst was verricht, terwijl er wel contante betalingen plaatsvonden die

niet werden geadministreerd in een kasboek en ook niet in alle gevallen werden

gestort op een bankrekening, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 223 en V-02-01,

doorgenummerde pagina 246)

* dat [medeverdachte] een administratie voerde die gebrekkig, dan wel

onvolledig was, en/of

(Vindplaats: onder meer OPV en G-03-01, doorgenummerde pagina 158 e.v.)

* dat er door de belastingdienst boetes waren opgelegd, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 225)

* dat er wel eens iets "zwart" ging, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 223 en V-02-07,

doorgenummerde pagina 273 e.v.)

* dat er betalingsproblemen waren, en/of

(Vindplaats: onder meer OPV en V-01-01, doorgenummerde pagina 202)

* dat (ook in een vertrouwensrelatie zoals die tussen verdachte en [medeverdachte]

een belastingplichtige zelf moet controleren of de aangiften

daadwerkelijk tijdig, volledig en juist zijn ingediend,

- toen en daar met dat opzet het volgende gedaan en/of nagelaten:

* te controleren of er een administratie werd gevoerd overeenkomstig de

daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, althans - bij een

gebrek aan voldoende eigen kennis - deskundige hulp in te roepen, en/of

* te controleren of de aangiften tijdig, volledig en juist waren verzonden,

althans - bij een gebrek aan voldoende eigen kennis - deskundige hulp in te

roepen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 07 maart 2013,

in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen,

althans alleen,

een bezwaarschrift tegen een (ambtshalve opgelegde) aanslag inkomstenbelasting

ten name van [verdachte] over het jaar 2010,

(Vindplaats: D-161; pagina 563-566 en D-182, pagina 1455 e.v.)

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) valselijk op

dat/die bezwaarschrift(en) vermeld dat de winst uit onderneming EUR 20.000

bedroeg en/of het (verzamel)inkomen EUR 18.982 bedroeg;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 07

maart 2013 in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een bezwaarschrift tegen een (ambtshalve opgelegde) aanslag inkomstenbelasting

ten name van [verdachte] over het jaar 2010,

(Vindplaats: D-161; pagina 563-566 en D-182, pagina 1455 e.v.)

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers heeft die [medeverdachte] en/of haar medeverdachte(n) valselijk op dat

bezwaarschrift vermeld dat de winst uit onderneming EUR 20.000 bedroeg en/of

het (verzamel)inkomen EUR 18.982 bedroeg,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de

periode van 01 januari 2011 tot en met 07 maart 2013 in de gemeente(n)

Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft

verschaft,

heeft hij, verdachte,

- terwijl, hij, verdachte, wist:

* dat [medeverdachte] geen financiële achtergrond heeft, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-01, doorgenummerde pagina 244)

* dat [medeverdachte] het doen van aangifte heel erg moeilijk vond en zich

hiervoor niet gekwalificeerd achtte, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-03, doorgenummerde pagina 254)

* dat [medeverdachte] fouten maakte bij het opstellen van facturen, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-01, doorgenummerde pagina 245)

* dat [medeverdachte] niet in alle gevallen een factuur opmaakte wanneer er

een dienst was verricht, terwijl er wel contante betalingen plaatsvonden, die

niet werden geadministreerd in een kasboek en ook niet in alle gevallen werden

gestort op een bankrekening, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 223 en V-02-01,

doorgenummerde pagina 246)

* dat [medeverdachte] een administratie voerde die gebrekkig, dan wel

onvolledig was, en/of

(Vindplaats: onder meer OPV en G-03-01, doorgenummerde pagina 158 e.v.)

* dat er door de belastingdienst boetes waren opgelegd, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 225)

* dat er wel eens iets "zwart" ging, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 223 en V-02-07,

doorgenummerde pagina 273 e.v.)

* dat er betalingsproblemen waren, en/of

(Vindplaats: onder meer OPV en V-01-01, doorgenummerde pagina 202)

* dat (ook in een vertrouwensrelatie zoals die tussen verdachte en [medeverdachte]

een belastingplichtige zelf moet controleren of de bezwaarschriften

daadwerkelijk tijdig, volledig en juist zijn ingediend,

- toen en daar met dat opzet het volgende gedaan en/of nagelaten:

* te controleren of er een administratie werd gevoerd overeenkomstig de

daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, althans - bij een

gebrek aan voldoende eigen kennis - deskundige hulp in te roepen, en/of

* te controleren of de bezwaarschriften tijdig, volledig en juist waren

verzonden, althans - bij een gebrek aan voldoende eigen kennis - deskundige

hulp in te roepen;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 maart 2013

tot en met 30 september 2013 in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of

(elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte]

en/of met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)

voor de inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het/de jaar/jaren

-2011, en/of

-2012

(vindplaats 2011: D-162; pagina 570 e.v.)

(vindplaats 2012: D-163; pagina 581 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe

strekte dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangifte(n) (telkens)

- een te laag bedrag aan belastbaar inkomstenbelasting werd aangegeven, en/of

(daardoor)

- een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

Hij,

op één of meer tijdstippen,

in of omstreeks 1 maart 2013 tot en met 30 september 2013,

in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met een ander of

anderen, althans alleen,

(een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over

het/de jaar/jaren:

-2011; en

- 2012,

(Vindplaats: D-182, doorgenummerde pagina 1460 e.v.)

- zijnde (een) geschrift(en) dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers heeft/hebben, hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) valselijk op

dat/die aangift(en) vermeld dat het verzamelinkomen EUR 7.664 en/of EUR 6.937

en/of winst uit ondernemerschap en/of belastbare winst EUR 15.164 en/of EUR

5.000 bedroeg;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

[medeverdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08

maart 2013 tot en met 30 september 2013 in de gemeente(n) Lelystad en/of

Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)

voor de inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het/de jaar/jaren

-2011, en/of

-2012

(vindplaats 2011: D-162; pagina 570 e.v.)

(vindplaats 2012: D-163; pagina 581 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe

strekte dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangifte(n) (telkens)

- een te laag bedrag aan belastbaar inkomstenbelasting werd aangegeven, en/of

(daardoor)

- een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de

periode van 01 januari 2011 tot en met 30 september 2013 in de gemeente

Lelystad en/of (elders) in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of

opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, terwijl hij, verdachte wist:

* dat [medeverdachte] geen financiële achtergrond heeft (vindplaats: ondermeer

V02-01, doorgenummerde pagina 244 ev), en/of

* dat [medeverdachte] het doen van aangifte heel erg moeilijk vond en zich

hiervoor niet gekwalificeerd achtte, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-03, doorgenummerde pagina 254)

* dat [medeverdachte] fouten maakte bij het opstellen van facturen, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-01, doorgenummerde pagina 245)

* dat [medeverdachte] niet in alle gevallen een factuur opmaakte wanneer er

een dienst was verricht, terwijl er wel contante betalingen plaatsvonden, die

niet werden geadministreerd in een kasboek en ook niet in alle gevallen werden

gestort op een bankrekening, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 223 en V-02-01,

doorgenummerde pagina 246)

* dat [medeverdachte] een administratie voerde die gebrekkig, dan wel

onvolledig was, en/of

(Vindplaats: onder meer OPV en G-03-01, doorgenummerde pagina 158 e.v.)

* dat er door de belastingdienst boetes waren opgelegd, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 225)

* dat er wel eens iets "zwart" ging, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 223 en V-02-07,

doorgenummerde pagina 273 e.v.)

* dat er betalingsproblemen waren, en/of

(Vindplaats: onder meer OPV en V-01-01, doorgenummerde pagina 202)

* dat (ook in een vertrouwensrelatie zoals die tussen verdachte en [medeverdachte]

een belastingplichtige zelf moet controleren of de aangiften

daadwerkelijk tijdig, volledig en juist zijn ingediend,

- toen en daar met dat opzet het volgende gedaan en/of nagelaten:

* te controleren of er een administratie werd gevoerd overeenkomstig de

daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, althans - bij een

gebrek aan voldoende eigen kennis - deskundige hulp in te roepen, en/of

* te controleren of de aangiften tijdig, volledig en juist waren verzonden,

althans - bij een gebrek aan voldoende eigen kennis - deskundige hulp in te

roepen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3.

[bedrijf 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de

periode van 01 januari 2009 tot en met 31 januari 2014 in de gemeente(n)

Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)

voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het/de:

- eerste, tweede en/of derde kwartaal 2009, althans over één of meer kwartalen

in 2009, en/of

- eerste kwartaal 2010 en/of de maanden mei 2010 tot en met november 2010,

althans over één of meer maanden in 2010, en/of

- maanden januari 2011 tot en met december 2011, althans over één of meer

maanden in 2011, en/of

- maanden januari 2012 tot en met december 2012, althans over één of meer

maanden in 2012, en/of

- maanden januari 2013 tot en met december 2013, althans over één of meer

maanden in 2013

(vindplaats: D-185, doorgenummerde pagina 1500 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) er (telkens)

toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangifte(n) een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd

aangegeven,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met [medeverdachte] en/of

met een ander of anderen,

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit(en) opdracht heeft gegeven,

dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden

gedraging(en);

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2009

tot en met 31 januari 2014 in de gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of

(elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte]

en/of met [bedrijf 1] en/of met een ander of anderen, althans

alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)

voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het/de:

- eerste, tweede en/of derde kwartaal 2009, althans over één of meer kwartalen

in 2009, en/of

- eerste kwartaal 2010 en/of de maanden mei 2010 tot en met november 2010,

althans over één of meer maanden in 2010, en/of

- maanden januari 2011 tot en met december 2011, althans over één of meer

maanden in 2011, en/of

- maanden januari 2012 tot en met december 2012, althans over één of meer

maanden in 2012, en/of

- maanden januari 2013 tot en met december 2013, althans over één of meer

maanden in 2013

(vindplaats: D-185, doorgenummerde pagina 1500 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) er (telkens)

toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangifte(n) (telkens) een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd

aangegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

[bedrijf 1] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de

periode van 01 januari 2009 tot en met 31 januari 2014 in de gemeente(n)

Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)

voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het/de:

- eerste, tweede en/of derde kwartaal 2009, althans over één of meer kwartalen

in 2009, en/of

- eerste kwartaal 2010 en/of de maanden mei 2010 tot en met november 2010,

althans over één of meer maanden in 2010, en/of

- maanden januari 2011 tot en met december 2011, althans over één of meer

maanden in 2011, en/of

- maanden januari 2012 tot en met december 2012, althans over één of meer

maanden in 2012, en/of

- maanden januari 2013 tot en met december 2013, althans over één of meer

maanden in 2013

(vindplaats: D-185, doorgenummerde pagina 1500 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) er (telkens)

toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangifte(n) een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd

aangegeven,

zulks terwijl [medeverdachte] al dan niet tezamen met een ander of anderen,

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit(en) opdracht heeft gegeven,

dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden

gedraging(en),

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de

periode van 01 januari 2009 tot en met 31 januari 2014 in de gemeente(n)

Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, opzettelijk behulpzaam

is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft verschaft,

heeft hij, verdachte,

- terwijl, hij, verdachte, wist:

* dat [medeverdachte] geen financiële achtergrond heeft, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-01, doorgenummerde pagina 244)

* dat [medeverdachte] het doen van aangifte heel erg moeilijk vond en zich

hiervoor niet gekwalificeerd achtte, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-03, doorgenummerde pagina 254)

* dat [medeverdachte] fouten maakte bij het opstellen van facturen, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-01, doorgenummerde pagina 245)

* dat [medeverdachte] niet in alle gevallen een factuur opmaakte wanneer er

een dienst was verricht, terwijl er wel contante betalingen plaatsvonden die

niet werden geadministreerd in een kasboek en ook niet in alle gevallen werden

gestort op een bankrekening, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 223 en V-02-01,

doorgenummerde pagina 246)

* dat [medeverdachte] een administratie voerde die gebrekkig, dan wel

onvolledig was, en/of

(Vindplaats: onder meer OPV en G-03-01, doorgenummerde pagina 158 e.v.)

* dat er door de belastingdienst boetes waren opgelegd, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 225)

* dat er wel eens iets "zwart" ging, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 223 en V-02-07,

doorgenummerde pagina 273 e.v.)

* dat er betalingsproblemen waren, en/of

(Vindplaats: onder meer OPV en V-01-01, doorgenummerde pagina 202)

* dat (ook in een vertrouwensrelatie zoals die tussen verdachte en [medeverdachte]

een belastingplichtige zelf moet controleren of de aangiften

daadwerkelijk tijdig, volledig en juist zijn ingediend,

- toen en daar met dat opzet het volgende gedaan en/of nagelaten:

* te controleren of er een administratie werd gevoerd overeenkomstig de

daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, althans - bij een

gebrek aan voldoende eigen kennis - deskundige hulp in te roepen, en/of

* te controleren of de aangiften tijdig, volledig en juist waren verzonden,

althans - bij een gebrek aan voldoende eigen kennis - deskundige hulp in te

roepen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

[medeverdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01

januari 2009 tot en met 31 januari 2014 in de gemeente(n) Lelystad en/of

Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met

[bedrijf 1] en/of met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)

aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1]

over het/de:

- eerste, tweede en/of derde kwartaal 2009, althans over één of meer kwartalen

in 2009, en/of

- eerste kwartaal 2010 en/of de maanden mei 2010 tot en met november 2010,

althans over één of meer maanden in 2010, en/of

- maanden januari 2011 tot en met december 2011, althans over één of meer

maanden in 2011, en/of

- maanden januari 2012 tot en met december 2012, althans over één of meer

maanden in 2012, en/of

- maanden januari 2013 tot en met december 2013, althans over één of meer

maanden in 2013,

(Vindplaats: D-185, doorgenummerde pagina 1500 e.v.)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting

werd geheven,

hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangifte(n) (telkens)

- een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd aangegeven,

bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of

omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 31 januari 2014 in de

gemeente(n) Lelystad en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft

verschaft,

heeft hij, verdachte,

- terwijl, hij wist:

* dat [medeverdachte] geen financiële achtergrond heeft, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-01, doorgenummerde pagina 244)

* dat [medeverdachte] het doen van aangifte heel erg moeilijk vond en zich

hiervoor niet gekwalificeerd achtte, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-03, doorgenummerde pagina 254)

* dat [medeverdachte] fouten maakte bij het opstellen van facturen, en/of

(Vindplaats: onder meer V-02-01, doorgenummerde pagina 245)

* dat [medeverdachte] niet in alle gevallen een factuur opmaakte wanneer er

een dienst was verricht, terwijl er wel contante betalingen plaatsvonden, die

niet werden geadministreerd in een kasboek en ook niet in alle gevallen werden

gestort op een bankrekening, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 223 en V-02-01,

doorgenummerde pagina 246)

* dat [medeverdachte] een administratie voerde die gebrekkig, dan wel

onvolledig was, en/of

(Vindplaats: onder meer OPV en G-03-01, doorgenummerde pagina 158 e.v.)

* dat er door de belastingdienst boetes waren opgelegd, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 225)

* dat er wel eens iets 'zwart' ging, en/of

(Vindplaats: onder meer V-01-06, doorgenummerde pagina 223 en V-02-07,

doorgenummerde pagina 273 e.v.)

* dat er betalingsproblemen waren, en/of

(Vindplaats: onder meer OPV en V-01-01, doorgenummerde pagina 202)

* dat (ook in een vertrouwensrelatie zoals die tussen verdachte en [medeverdachte]

een belastingplichtige zelf moet controleren of de aangiften

daadwerkelijk tijdig, volledig en juist zijn ingediend,

- toen en daar met dat opzet het volgende gedaan en/of nagelaten:

* te controleren of er een administratie werd gevoerd overeenkomstig de

daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, althans - bij een

gebrek aan voldoende eigen kennis - deskundige hulp in te roepen, en/of

* te controleren of de aangiften tijdig, volledig en juist waren verzonden,

althans - bij een gebrek aan voldoende eigen kennis - deskundige hulp in te

roepen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3 De voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

3.2

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verweren van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie op verschillende gronden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. Hij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Het onderzoek tegen verdachte (hierna: [verdachte] ) loopt al sinds februari 2014 en ondanks dat verdachte op 23 maart 2015 is aangehouden, zijn daarvóór al opsporingshandelingen zoals een doorzoeking en een boekenonderzoek verricht.

De overschrijding van de redelijke termijn dient volgens de raadsman te worden bezien in samenhang met de omstandigheid dat de officier van justitie het Protocol aanmelding en afhandeling fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten (het Protocol AAFD) niet heeft nageleefd. Voor aanmelding van een strafrechtelijke overtreding dient er sprake te zijn van een nadeelbedrag van minimaal € 100.000,--. In de onderhavige zaak is deze ondergrens niet gehaald. Een zaak kan op grond van het Protocol AAFD worden aangemeld als sprake is van een vermoeden van opzet én als de in dat Protocol genoemde wegingscriteria daartoe aanleiding geven. Van een vermoeden van opzet is geen sprake: de echtgenote van [verdachte] , medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) regelde de belastingzaken en [verdachte] heeft zich daar nooit mee bezig gehouden, hetgeen vanaf het begin bekend was. Evenmin is volgens de verdediging voldaan aan de een van de aanvullende wegingscriteria. Nu de zaak op grond van het Protocol AAFD niet aangebracht had mogen worden voor strafrechtelijke afdoening, maar bestuurlijk had moeten worden afgedaan, dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voorts merkt de raadsman op dat de Belastingdienst grove fouten heeft gemaakt in de oorspronkelijke berekeningen. Inkomsten en betaalde belastingen in Engeland zijn niet meegerekend, hetgeen een vertekend beeld van de ernst van de zaak heeft gegeven, terwijl op grond van die berekeningen wel vervolging van [verdachte] heeft plaatsgevonden.

In samenhang bezien dienen de genoemde gronden te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de verdediging gevoerde verweren moeten worden verworpen. Van een overschrijding van de redelijke termijn die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid is, gezien het standaardarrest van de Hoge Raad uit 2008, geen sprake. Voor zover gesteld kan worden dat sprake is van een termijnoverschrijding – op 29 september 2014 heeft een doorzoeking bij verdachte plaatsgevonden waarna de termijn is aangevangen en op 12 september 2016 heeft de eerste behandeling van de strafzaak plaatsgevonden die vervolgens is geschorst tot de zitting van 21 augustus 2017 – dient die overschrijding te worden verdisconteerd in de strafmaat.

Van schending van de Richtlijnen AAFD is geen sprake: de onderhavige zaak betreft een categorie I zaak en op het moment van aanmelding door de Belastingdienst was het drempelbedrag gehaald. Daarnaast is voldaan aan enkele wegingscriteria.

Wat betreft de door de belastinginspecteur opgestelde berekening geldt dat die berekening is opgesteld aan de hand van de ondeugdelijke administratie van verdachte die eerst door de FIOD is uitgezocht en opgesteld. Vorenstaande omstandigheden kunnen volgens de officier van justitie ook tezamen niet leiden tot een niet-ontvankelijk verklaring.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat overschrijding van de redelijke termijn, ook

niet als sprake zou zijn van een uitzonderlijk geval, tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leidt.1 Dit verweer van de verdediging wordt verworpen.

De rechtbank stelt voorts vast dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten de Richtlijnen aanmelding en afhandeling fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten (de Richtlijnen AAFD)2 van toepassing waren, en (nog) niet het door de verdediging genoemde Protocol AAFD.

De rechtbank is van oordeel dat op juiste gronden en overeenkomstig de genoemde Richtlijnen AAFD de zaak bij het selectieoverleg en daarna bij het tripartiete overleg is aangemeld. Het berekende nadeel was hoger dan het in de Richtlijnen AAFD voor aanmelding bij de boete-fraudecoördinator vereiste drempelbedrag van € 10.000,-- voor particuliere belastingplichtigen. Dat nadeel bedroeg weliswaar minder dan € 125.000,--3, maar er was sprake van tenminste één van de in de Richtlijnen AAFD genoemde overige aspecten, te weten onmogelijkheid van verhaal. De beslissing om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging van [verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in strijd met de Richtlijnen AAFD. De omstandigheid dat bij de berekening van het belastingnadeel in eerste instantie geen rekening is gehouden met de regels ter voorkoming van dubbele belastingheffing doet hier niet aan af.

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde omstandigheden op zichzelf, noch in onderling verband en samenhang bezien, kunnen leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] .

3.3

Schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en dat het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, waarbij ten aanzien van feit 1 en feit 2 sprake is van medeplegen en ten aanzien van feit 3 sprake is van feitelijk leidinggeven.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van de tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.

[verdachte] heeft volgens de verdediging geen opzet, in welke variant dan ook, gehad op het doen van onjuiste belastingaangiften. Er zijn onjuiste aangiften gedaan, maar het enkele feit dat een belastingaangifte onjuist of onvolledig is brengt nog niet mee dat [verdachte] daarop van meet af aan opzet heeft gehad. [verdachte] heeft zich nooit bezig gehouden met de belastingaangiften, dat was de taak van [medeverdachte] . Ook is geen sprake van voorwaardelijk opzet. [verdachte] was zich immers niet bewust van mogelijke foutief ingevulde aangiften door [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft hem meerdere keren toevertrouwd dat zij voldoende deskundig was. [verdachte] heeft af en toe aangiften gecontroleerd, wat kenmerkt dat hij niet de aanmerkelijke kans op het doen van onjuiste aangiften heeft willen aanvaarden. Met betrekking tot de onderneming [bedrijf 1] geldt hetzelfde: ook daar heeft [verdachte] geen bemoeienis gehad met de belastingaangiften. Van valsheid in geschrift door [verdachte] is evenmin sprake. [verdachte] heeft op die valsheid geen opzet gehad en ook is geen sprake van een oogmerk tot misleiding. [verdachte] is daarbij evenmin opzettelijk behulpzaam geweest. Hij bemoeide zich immers niet met de financiën.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende af.

[verdachte] deed in de ten laste gelegde periode mee aan dartstoernooien, verzorgde dartsdemonstraties en deed tv-optredens. Zijn echtgenote [medeverdachte] boekte de reizen, regelde de inschrijvingen en was verantwoordelijk voor de administratie.

In verband met deze activiteiten is op 1 januari 2007 de vennootschap onder firma [bedrijf 1] opgericht. [verdachte] en [medeverdachte] waren beiden vennoot in deze VOF. Volgens de oprichtingsovereenkomst is de winstverdeling 70% voor [verdachte] en 30% voor [medeverdachte] . De VOF is per 1 januari 2014 gestaakt en de onderneming is door [verdachte] voorgezet als eenmanszaak. De inkomsten van de VOF bestonden uit prijzengeld, sponsorgelden, inkomsten uit dartdemo’s en tv-gelden. De VOF was belastingplichtig voor de omzetbelasting.

[medeverdachte] voerde de dagelijkse administratie hoewel zij niet over de vereiste boekhoudkundige en fiscale kennis beschikte. De administratie over 2009 is nog verzorgd door [bedrijf 2] .

[medeverdachte] heeft de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2012 van [verdachte] verzorgd. Daarnaast heeft zij de aangiften omzetbelasting op naam van [bedrijf 1] over de jaren 2009 tot en met 2013 opgemaakt en ingediend.

Voor het jaar 2010 is aan [verdachte] achtereenvolgens een uitnodiging tot het doen van aangifte inkomstenbelasting, een herinnering en een aanmaning verstuurd. [medeverdachte] heeft de aangiften inkomstenbelasting over het jaar 2010 voor [verdachte] in eerste instantie niet ingediend. De Belastingdienst heeft vervolgens voor dat jaar [verdachte] een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Na de ambtshalve aanslagen heeft [medeverdachte] alsnog een aangifte inkomstenbelasting op naam van [verdachte] over 2010 ingediend. Omdat deze aangifte buiten de daarvoor gestelde termijn is ingediend, heeft de Belastingdienst deze aangifte geïnterpreteerd als bezwaarschrift tegen op de opgelegde ambtshalve aanslag. Op basis van het bezwaarschrift is de ambtshalve aanslag verminderd.

Uit onderzoek door de Belastingdienst/FIOD is gebleken dat de door [medeverdachte] ingediende aangiften inkomstenbelasting op naam van [verdachte] over 2010 tot en met 2012 niet juist waren. Er is telkens een te laag bedrag aan belastbaar inkomen vermeld.

Ook de door [medeverdachte] ingediende aangiften omzetbelasting over 2009 tot en met 2013 waren niet correct. Er is in totaal een bedrag van € 55.574,-- aan omzetbelasting niet aangegeven en afgedragen.

Inkomstenbelasting 2010 (feit 1)

Ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting ten name [verdachte] over 2010 is komen vast te staan dat die aangifte pas is ingediend nadat de Belastingdienst een ambtshalve aanslag over dat jaar had opgelegd.

De aangifte inkomstenbelasting op naam van [verdachte] over 2010 kan daarmee niet gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in artikel 69, tweede lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Deze aangifte is immers niet binnen de ingevolge artikel 9 AWR bepaalde termijn ingediend en de belastinginspecteur heeft bij de aanslagoplegging met die aangifte geen rekening kunnen houden.4 Gelet hierop zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Wat betreft de tenlastegelegde valsheid in geschrift (feit 1 meer subsidiair) overweegt de rechtbank het volgende.

Voor bewezenverklaring van valsheid in geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is vereist dat de maker van het geschrift het oogmerk tot misleiding heeft gehad. Dit oogmerk betekent dat sprake moet zijn van doelbewustheid met betrekking tot het gebruiken of het doen gebruiken van een vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst. Voorwaardelijk opzet op dat gebruik is in dit verband niet voldoende.

Het valselijk opmaken van een geschrift impliceert dat de dader opzet heeft gehad op de valsheid van het geschrift. Niet vereist is dat dit opzet in de vorm van een bedoeling bestaat, voorwaardelijk opzet volstaat daarbij.

Van valselijk opmaken is verder niet alleen sprake als voorgewend wordt dat het geschrift van een ander afkomstig is, maar ook als de inhoud van het geschrift niet overeenkomt met de werkelijkheid.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat [medeverdachte] een onjuiste aangifte inkomstenbelasting op naam van [verdachte] over 2010 heeft ingediend naar aanleiding van de ambtshalve aanslag over dat jaar.

[medeverdachte] heeft verklaard dat zij het invullen van de aangiften inkomstenbelasting erg moeilijk vond en dat zij zichzelf daarvoor niet gekwalificeerd achtte. Verder heeft zij verklaard dat het best zo kan zijn dat zij iets heeft ingevuld dat niet goed was, maar dat zij dat toch heeft ingevuld, omdat zij geen mogelijkheid zag om deskundige hulp in te schakelen.

[verdachte] wist dat [bedrijf 2] niet meer de administratie verzorgde en dat [medeverdachte] onvoldoende kennis had om die administratie bij te houden en het moeilijk vond om de aangifte in te vullen. Hij heeft niet gecontroleerd of de namens hem ingevulde aangifte juist was. Door ondanks de ondeskundigheid van [medeverdachte] een controle op de ingediende aangifte achterwege te laten, is [verdachte] op zijn minst onverschillig geweest ten aanzien van de verwezenlijking van de aanmerkelijke kans dat de namens hem door [medeverdachte] ingediende aangifte onjuist was en heeft hij deze kans daarmee bewust aanvaard. Daarmee heeft [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank voorwaardelijk opzet op de valsheid van zijn aangifte inkomstenbelasting over 2010 gehad.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] het oogmerk had om de aangifte als ware die echt en onvervalst te gebruiken. Hij is zich er van bewust geweest dat de aangifte door [medeverdachte] werd ingediend bij de Belastingdienst, terwijl die aangifte niet juist was.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte] (feit 1 meer subsidiair) de op zijn naam staande aangifte inkomstenbelasting over 2010, zijnde een bezwaarschrift tegen de ambtshalve aanslag over dat jaar, valselijk heeft opgemaakt.

Inkomstenbelasting 2011 en 2012 (feit 2) en omzetbelasting (feit 3)

De rechtbank stelt voorop dat de aangiften inkomstenbelasting ten name [verdachte] over 2011 en 2012 gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in artikel 69, tweede lid, AWR. Uit het dossier blijkt dat deze aangiften gedaan zijn binnen de door de inspecteur (verlengde) termijn en de inspecteur heeft bij de aanslagoplegging met die aangiften rekening kunnen houden.

[verdachte] bestrijdt dat hij opzet heeft gehad op de onjuistheid van de aangiften inkomstenbelasting 2011 en 2012 en de aangiften omzetbelasting 2009 tot en met 2013. Het was [medeverdachte] die de administratie heeft verzorgd en de aangiften voor [verdachte] en voor de VOF heeft opgemaakt en ingediend.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

In zijn arrest van 1 december 20065 heeft de Hoge Raad beslist dat de enkele omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld wiens opzet of grove schuld wordt vastgesteld, niet het vermoeden rechtvaardigt dat ook bij de belastingplichtige zelf opzet of grove schuld aanwezig is geweest. De omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld aan wie opzet of grove schuld kan worden verweten, kan echter samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf (voorwaardelijk) opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de belastingplichtige kan worden gevergd, zal van geval tot geval sterk kunnen verschillen, bijvoorbeeld naar gelang zijn hoedanigheid en zijn kennis en ervaring omtrent de terzake relevante fiscale en andere aspecten.

Alhoewel dit arrest is gewezen door de belastingkamer van de Hoge Raad en betrekking heeft op het fiscale boeterecht is de rechtbank van oordeel dat deze jurisprudentie ook op het fiscale strafrecht toegepast dient te worden.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of [verdachte] bij de keuze van [medeverdachte] als ‘adviseur’ die zijn aangiften inkomstenbelasting en de aangiften omzetbelasting voor de VOF invulde en indiende, de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem gevergd kon worden en zo niet, of [verdachte] daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk gesteld moet worden. In dit verband zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Zoals hiervoor reeds overwogen wist [verdachte] dat [medeverdachte] onvoldoende kennis had om de administratie bij te houden en dat zij het moeilijk vond om de belastingaangiften in te vullen. Desondanks heeft hij het opmaken en indienen van zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 en de aangiften omzetbelasting voor de VOF over de periode 2009 tot en met 2013 aan haar overgelaten.

[verdachte] heeft op geen enkele wijze zelf gecontroleerd, of door een terzake deskundige laten controleren, of de op zijn naam staande aangiften inkomstenbelasting en de aangiften

omzetbelasting van de VOF juist waren ingevuld. Hij heeft wel aan [medeverdachte] het advies gegeven om hulp te vragen van een deskundige voor de aangiften inkomstenbelasting over 2011 en 2012, maar heeft [medeverdachte] dat niet gedaan en [verdachte] heeft niet gecontroleerd of zij dat advies heeft opgevolgd.

[verdachte] wist dat [medeverdachte] wel eens te laat was met het indienen van de aangiften omzetbelasting en dat daarvoor door de Belastingdienst een boete was opgelegd.

De rechtbank is op grond van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat [verdachte] bij de keuze van [medeverdachte] als degene die de belastingaangiften invulde en indiende niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem gevergd kon worden. De rechtbank stelt [verdachte] daarvoor ook strafrechtelijk aansprakelijk en overweegt daartoe dat het niet anders kan zijn dan dat hij zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat de door [medeverdachte] ingevulde belastingaangiften onjuist waren.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] voorwaardelijk opzet op de onjuistheid van de aangiften inkomstenbelasting over 2011 en 2012 en de aangiften omzetbelasting over de periode van 2009 tot en met 2013 van [bedrijf 1] heeft gehad.

De rechtbank acht het onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat [medeverdachte] heeft verklaard dat zij de aangiften omzetbelasting van de VOF over de jaren 2009 tot en met 2013 heeft verzorgd, dat zij die aangifte niet altijd juist indiende en ook dat zij (ten onrechte) nihilaangiften deed in verband met geld- en/of tijdgebrek.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank ten aanzien van [verdachte] derhalve het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Van het onder 3 primair tenlastegelegde zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van hetgeen aan [verdachte] onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 primair en feit 3 subsidiair is tenlastegelegd.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1 meer subsidiair

hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 7 maart 2013 in Nederland,

tezamen en in vereniging met [medeverdachte] een bezwaarschrift tegen een ambtshalve opgelegde aanslag inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het jaar 2010, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft doen opmaken, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander of anderen te doen gebruiken, immers heeft zijn medeverdachte valselijk in dat bezwaarschrift vermeld dat de winst uit onderneming € 20.000 bedroeg en/of het (verzamel)inkomen € 18.982,-- bedroeg;

2 primair

hij in de periode van 8 maart 2013 tot en met 30 september 2013 in Nederland,

telkens tezamen en in vereniging met [medeverdachte] telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over het jaar 2011 en 2012 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangiften telkens een te laag bedrag aan belastbaar inkomstenbelasting werd aangegeven en daardoor een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven;

3 subsidiair

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 januari 2014 in Nederland,

telkens tezamen en in vereniging met [medeverdachte] telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het/de:

- eerste, tweede en/of derde kwartaal 2009, en

- eerste kwartaal 2010 en/of de maanden mei 2010 tot en met november 2010, en

- maanden januari 2011 tot en met december 2011, en

- maanden januari 2012 tot en met december 2012, en

- maanden januari 2013 tot en met december 2013,

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangiften telkens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd

aangegeven.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 primair en feit 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 225 Sr en de artikelen 68 en 69 AWR. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 meer subsidiair

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift;

feit 2 primair en feit 3 subsidiair

telkens het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een strafoplegging rekening gehouden moet worden met de overschrijding van de redelijke termijn en met het feit dat het benadelingsbedrag veel lager is dan op basis waarvan de opsporing en strafrechtelijke vervolging in eerste instantie heeft plaatsgevonden. Tevens moet rekening gehouden worden met het feit dat [verdachte] een bekende Nederlander is en reputatieschade heeft en zal ondervinden van de onderhavige strafzaak. De dartcarrière van [verdachte] is voorbij en televisieoptredens zijn er ook niet meer. Het gevaar op herhaling is niet aanwezig. Met het opleggen van een voorwaardelijke straf kan worden volstaan.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

[verdachte] is ervoor verantwoordelijk dat gedurende meerdere jaren onjuiste aangiften voor de inkomstenbelasting en omzetbelasting bij de Belastingdienst zijn ingediend. Dit heeft er toe geleid dat te weinig belasting is geheven en dat de Nederlandse Staat voor een bedrag van ruim € 100.000,-- financieel is benadeeld. [verdachte] heeft het vertrouwen geschonden dat de overheid in haar burgers moet kunnen stellen. De rechtbank rekent hem dit aan.

Bij de afweging welke straf aan [verdachte] moet worden opgelegd, heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die in geval van een benadelingsbedrag dat ligt tussen € 70.000,-- en € 125.000,-- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf tot negen maanden, dan wel de combinatie van een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf vermelden.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank weegt in het voordeel van [verdachte] mee dat hij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank weegt ook mee dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en stelt in dat verband het volgende vast.

Op 29 september 2014 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woning van [verdachte] . Op die datum heeft de vervolging van [verdachte] een aanvang genomen en is de redelijke termijn gaan lopen. Op 4 september 2017 wijst de rechtbank vonnis.

Als uitgangspunt geldt dat het geding – behoudens bijzondere omstandigheden die een dergelijke lange duur rechtvaardigen – met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen. De zaak heeft voor het eerst op zitting gestaan op 12 september 2016. Op die zitting is het onderzoek op verzoek van de verdediging geschorst voor nader onderzoek. De rechtbank heeft ter zitting overwogen dat zij er van uitgaat dat op 31 december 2016 alle gegevens beschikbaar zijn waarna een vervolgzitting kan worden gepland. Echter, eerst bij brief van 2 maart 2017 heeft de inspecteur op de door de verdediging op 11 november 2016 overgelegde stukken gereageerd. Na de aanhouding van de zaak op de zitting van 12 september 2016 is de zaak op 21 augustus 2017 op zitting aangebracht en inhoudelijk behandeld. Aldus wordt ongeveer drie jaar na de doorzoeking ter inbeslagneming in de woning van [verdachte] vonnis gewezen. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt derhalve bijna één jaar, van welke periode ongeveer een half jaar toegeschreven kan worden aan de nadere onderzoekswensen van de verdediging.

De conclusie dient dan ook te zijn dat de redelijke termijn met ongeveer een half jaar is overschreden. Met deze overschrijding dient rekening te worden gehouden bij de strafoplegging.

De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn compenseren door vermindering van de taakstraf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, in die zin dat de rechtbank vijf procent op voornoemde taakstraf in mindering zal brengen6, hetwelk resulteert in oplegging van een werkstraf van (afgerond) 150 uren.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf van na te noemen duur een passende straf is. Teneinde aan [verdachte] een duidelijke waarschuwing mee te geven zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke straf opleggen.

Alles overziend komt de rechtbank tot het opleggen van een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal een proeftijd van drie jaren worden verbonden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57 en 91 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer subsidiair, 2 primair en 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 meer subsidiair

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift;

feit 2 primair en feit 3 subsidiair

telkens het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 meer subsidiair, 2 primair en 3 subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

- kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. E.J.M. Bos en mr. A. Skerka, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit het dossier van de FIOD van 27 augustus 2015 met nummer 54596. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 23 maart 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 203):

Vraag verbalisanten: Wie verzorgt de facturering voor de VOF?

Antwoord verdachte: Mijn vrouw [medeverdachte] .

Vraag verbalisanten: Wie verzorgt de dagelijkse administratie?

Antwoord verdachte: Ook mijn vrouw [medeverdachte] .

(…)

Ergens in 2013 is [medeverdachte] dat zelf gaan doen. Ik was allang blij dat [medeverdachte] dat allemaal deed. lk ga er van uit dat alles naar de Belastingdienst is gegaan".

(…)

Via een bevriende relatie zijn we toen naar [bedrijf 2] gegaan. Die hebben de jaren 2008 en 2009 gedaan. Bij [bedrijf 2] zijn we weggegaan omdat die te veel geld vroegen. Die rekeningen waren niet te betalen.

(…)

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangifte omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2013 verzorgd?

Antwoord verdachte: [medeverdachte] . Ik zag wel eens dat er een bericht binnenkwam van de Belastingdienst dat er weer aangifte gedaan moest worden. Ik zei dan tegen haar dat ze aangifte moest doen. Ik ga er dan ook vanuit dat zij wel aangifte heeft gedaan. Zij was ook wel eens te laat.

Vraag verbalisanten: Op basis van welke gegevens worden de aangiften omzetbelasting opgemaakt?

Antwoord verdachte: Ik neem aan op basis van de inkomsten en de uitgaven.

(…)

Vraag verbalisanten: Wie heeft de aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst ingediend?

Antwoord verdachte: Dat zou ook [medeverdachte] moeten zijn.

(…)

Vraag verbalisanten: Zijn deze nog te betalen bedragen aan omzetbelasting door u aangegeven?

Antwoord verdachte: Nee, ik heb mij daar niet mee bemoeid. Ik zei wel tegen [medeverdachte] dat ze aangiften moest doen maar daar bleef het dan ook bij. lk ging er van uit dat ze aangifte deed.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 23 maart 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 207):

Vraag verbalisanten: Waarom heeft u geen aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2009 en 2010 ingediend?

Antwoord verdachte: Ik ging er van uit dat dat wel gedaan was.

Vraag verbalisanten: Nadat er voor het kalenderjaar 2010 een ambtshalve aanslag was

opgelegd en vastgesteld, werd alsnog een aangifte ingediend. Deze aangifte is aangemerkt en behandeld als een bezwaarschrift. Wie heeft bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2010?

Antwoord verdachte: [medeverdachte] heeft dat gedaan. [medeverdachte] was in het bezit van mijn DigiD en regelde alles.

Vraag verbalisanten: Wie heeft het bezwaarschrift over het jaar 2010 ingediend bij de

Belastingdienst?

Antwoord verdachte: [medeverdachte] . Ik hield mij daar ook niet mee bezig omdat het ook niet mijn ding was. Zij zou het doen.

Vraag verbalisanten: Door wie werd de aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2011

en 2012 verzorgd?

Antwoord verdachte: Door [medeverdachte] .

3.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 augustus 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 221):

Vraag verbalisanten: Wie nam het initiatief om de administratie voor het kalenderjaar 2010 in eigen beheer te gaan doen?

(…) [medeverdachte] heeft toen gezegd dat ze het zelf wilde gaan doen. lk heb wel aan haar gevraagd of ze dat wel kon. Zij zei dat ze zich er in ging verdiepen en als ze het niet wist dan zou ze hulp gaan vragen.

(…)

Vraag verbalisanten: Waarom heeft u zich als vennoot niet eerder met de administratieve

zaken heb beziggehouden?

Antwoord: Dat heb ik niet gedaan omdat ik helemaal geen kennis van boekhouden heb. (…)

Vraag verbalisanten: Hoe of waaraan zag u dat het met de maandaangiften beter ging dan

tijdens de periode dat u er door de VOF nog kwartaalaangiften werden ingediend?

Antwoord: Dat zag ik als ik een e-mailaccount opende. Dan zag ik dat er niet alleen aangifte moest worden ingediend, maar ook dat er aangifte gedaan was. Dat zag ik aan de onderwerp van het betreffende bericht.

(…)

Ik zag uit correspondentie van de Belastingdienst die [medeverdachte] open op tafel had laten liggen dat we een keer een boete kregen. Toen vertelde [medeverdachte] dat ze een kwartaal te laat was. De volgende periode zou ze dat rechtzetten. Dit is niet één keer maar meerdere keren voorgekomen. Op een gegeven moment zag ik het ook in de e-mailberichten.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 24 maart 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 242):

Alles wat [verdachte] met werkzaamheden verdient valt binnen de VOF. Daarmee bedoel ik [bedrijf 1] . [verdachte] en ik hadden samen deze VOF. Eigenlijk kun je zeggen dat op het moment dat ik stopte met werken, ik alle administratieve werkzaamheden ging doen.

Ik deed de administratie in de breedste zin van het woord. Daarmee bedoel ik dat ik alles bijhield, zoals de boekingen, de inschrijvingen, de vluchten, het boeken van de hotels en de dagelijkse administratie. Met de dagelijkse administratie bedoel ik alles, zoals de boekhouding, het financiële bankgebeuren en de BTW aangiften.

(…)

Vraag verbalisanten: Waaruit bestaat de dagelijkse administratie?

Antwoord verdachte: Ik maakte facturen en hield bij wat er in en uit ging. Ik hield geen kas- of bankboek bij. Daarvan heb ik niet de know-how. Het enige wat ik deed was onderscheid

maken tussen wat er via de bank betaald werd en wat er cash betaald werd. Verder dan

dat ging het niet.

Vraag verbalisanten: Wie vervaardigt de jaarstukken? Met de jaarstukken wordt de

verlies en winstrekening van de VOF bedoeld.

Antwoord verdachte: In eerste instantie de accountant en daarna heb ik geprobeerd iets in de aangifte te zeten waarvan ik dacht dat het goed was. Dat heb ik vanaf de belastingaangifte 2010 zelf gedaan.

Vraag verbalisanten: Aan de hand waarvan worden de jaarstukken opgemaakt.

Antwoord verdachte: Ik heb niet echt jaarstukken opgemaakt. Ik heb geprobeerd een onderscheid te maken tussen bruto en netto. Ik heb geprobeerd er wijs uit te worden en

er een goed bedrag in te vullen.

(…)

Vanaf 2010 zijn er problemen ontstaan met de Belastingdienst en ik ben een persoon die nogal mijn hoofd in het zand steekt en dan maar hoopt dat het over gaat.

Ik heb de belastingaangifte over de jaren 2010, 2011 en 2012 ingevuld op basis van wat ik in de computer had ingevuld. Deze gegevens heb ik ook op verzoek van de Belastingdienst en de controlerend ambtenaar toegestuurd.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 24 maart 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag. 248):

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangifte omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2013 verzorgd?

Antwoord verdachte: Ik heb de aangifte omzetbelasting van de [bedrijf 1] verzorgd.

Ik vulde het formulier niet altijd in. Om eerlijk te zijn vulde ik soms ook wel eens nul in. Dit deed ik op het moment dat er geen geld was of om een andere reden. Die andere reden was bijvoorbeeld als het de laatste dag was voor de aangifte of als ik al te laat was. Dan vulde ik nul in want dan kon de aangifte nog snel weg.

Ik heb aangiften digitaal ingediend, terwijl ik wist dat die aangiften soms onjuist waren. Dit had in principe betrekking op alle aangiften omzetbelasting die ik heb ingediend.

(…)

Verbalisanten: In de jaren 2009 tot en met 2013 zijn aangiften omzetbelasting ingediend. In een groot aantal gevallen werden nihil aangiften gedaan. Uit de bij ons in bezit zijnde facturen komt naar voren dat er wel degelijk omzet is geweest gedurende deze jaren. Waarom werden er nihil aangiften gedaan terwijl er wel sprake was van gefactureerde omzetbelasting?

Antwoord verdachte: Ik wist dat ik de BTW die ik heb gefactureerd moest afdragen in de periode waarin ik de BTW heb gefactureerd. Ik heb dat niet gedaan.

6.

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 25 maart 2015, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pag.252):

Vraag verbalisanten: Nadat er voor het kalenderjaar 2009 en 2010 ambtshalve aanslagen opgelegd en vastgesteld waren, werden alsnog aangiften ingediend. Deze aangiften zijn aangemerkt en behandeld als een bezwaarschrift. Wie heeft bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2009 en 2010?

Antwoord verdachte: [bedrijf 2] heeft de aangifte van 2009 opgemaakt en ingediend.

(…) Ik heb de aangifte van het jaar 2010 gedaan. Deze heb ik opgemaakt op basis van de

gegevens die ik thuis had. Ik heb de aangifte digitaal ingediend. Dit heb ik zowel voor mijzelf als voor mijn partner [verdachte] gedaan. [verdachte] wist dat ik de aangifte gedaan had (…).

Ik vond het invullen van de aangifte inkomstenbelasting erg moeilijk. Ik vond mijzelf hiervoor niet gekwalificeerd. Dan kan het best zo zijn dat ik iets heb ingevuld dat niet goed was. Ik heb het ingevuld omdat het moest en ik geen geld had om deskundige hulp in de arm te nemen.

Ik heb nadat ik de aangifte had ingediend tegen [verdachte] gezegd dat ik het invullen van de belastingaangifte heel erg moeilijk vond. Hij zei toen dat ik naar iemand moest gaan die er wel verstand van had en die mij met het invullen van de belastingaangifte had kunnen helpen.

(…)

Vraag verbalisanten: Door wie werd de aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2011 en 2012 verzorgd?

Antwoord verdachte: Door mij, ik heb deze aangiften opgemaakt en ingediend. Volgens mij heb ik de aangifte van 2011 tegelijk met de aangifte van 2010 ingediend. [verdachte] wist dat ik de aangiften heb opgemaakt en ingediend (…). De aangifte over het jaar 2012 heb ik later ingediend.

Vraag verbalisanten: Aan de hand van welke gegevens werden de aangiftebiljetten ingevuld?

Antwoord verdachte: Op basis van de gegevens die ik thuis had. Ondanks het eerdere advies van [verdachte] heb ik bij het indienen van de aangifte 2012 geen hulp gezocht.

7.

Een ambtsedige verklaring Inkomstenbelasting van mw. [naam] , ambtenaar bij de Belastingdienst, van 14 april 2015 (D-184), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Dat zij in de door haar geraadpleegde systemen heeft waargenomen ten behoeve van [medeverdachte] dat de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 t/m 2012 elektronisch zijn binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst.

8.

Een document D-161 betreffende de aangifte Inkomstenbelasting over 2010 van [verdachte] , pag. 563-566.

9.

Een document D-162 betreffende de aangifte Inkomstenbelasting over 2011 van [verdachte] , pag. 570.

10.

Een document D-163 betreffende de aangifte Inkomstenbelasting over 2012 van [verdachte] , pag. 581.

11.

Een ambtsedige verklaring Inkomstenbelasting van mw. [naam] , ambtenaar bij de

Belastingdienst, van 14 april 2015 (D-182), pag. 1146, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Dat zij in de door haar geraadpleegde systemen het volgende heeft waargenomen ten behoeve van [verdachte] :

  • -

    dat de inkomstenbelastingaangiften over de jaren 2009 t/m 2012 van belastingplichtige in het beveiligde gedeelte van de Belastingdienst internetsite binnen het onderdeel 'overzicht aangiften' zijn geplaatst.

  • -

    dat over de jaren 2010 t/m 2012 de aangiften inkomstenbelasting betreffende voorgenoemde belastingplichtige elektronisch zijn binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst internetsite.

12.

De aangiften Omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het eerste, tweede en derde kwartaal 2009, het eerste kwartaal 2010 en de maanden mei 2010 tot en met november 2010, de maanden januari 2011 tot en met december 2011, de maanden januari 2012 tot en met december 2012 en de maanden januari 2013 tot en met december 2013 (D-185, pag. 1500-1546).

1 Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.

2 DGB 2011/4014M.

3 Zaken met een nadeel van meer dan € 125.000,-- komen ingevolge de Richtlijnen AAFD vanwege de hoogte van het bedrag in beginsel voor strafvervolging in aanmerking.

4 Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333.

5 Hoge Raad 1 december 2016, ECLI:NL:HR:2006:AU7741.

6 Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.