Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3381

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
08/770203-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 46-jarige man uit Vroomshoop tot een gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast legt de rechtbank de man een taakstraf op van 240 uur en moet hij een bedrag van ruim 44.000 euro terugbetalen aan de benadeelde partij. De man heeft zich samen met zijn vrouw schuldig gemaakt aan verduistering van een groot geldbedrag dat toebehoorde aan de vereniging waarvan hij destijds penningmeester was. Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2017:3384

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/770203-15 (P)

Datum vonnis: 29 augustus 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 maart 2016 – en na verwijzing naar de meervoudige kamer – de openbare terechtzittingen van 6 juli 2016, 16 juni 2017 en 15 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. K.J.L. de Valk en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.W. Bosman, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging ter zitting van de politierechter op 21 maart 2016, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

al dan niet samen met een ander, als penningmeester van [vereniging] een geldbedrag van in totaal ongeveer € 51.529,33 heeft verduisterd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 05 september 2011 tot en met 30 juni 2014, te Vroomshoop en/of in de gemeente Twenterand en/althans (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander en/althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer

€ 51.529,33), in elk geval enig geldbedrag, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de [vereniging] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, en welk(e) geld(en) verdachte telkens als penningmeester, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 8 oktober 2014 is door mr. A. Verbruggen namens het [vereniging] aangifte gedaan van verduistering. Na controle van de jaarrekening is geconstateerd dat de [vereniging] over de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 geen sluitende financiële administratie heeft gevoerd. Een geldbedrag is wederrechtelijk aan de fondsen onttrokken en voor andere doelen aangewend. De verdachte had deze gelden in zijn hoedanigheid als penningmeester in genoemde periode onder zich.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen voor het hem ten laste gelegde feit. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de verdachte partieel vrij te spreken van de in de tenlastelegging opgenomen zinsnede “(in totaal ongeveer 51.529,33 euro)”.

4.4

Het oordeel van de rechtbank 1

De verdachte heeft – kort gezegd – bekend dat hij als penningmeester in de periode van

5 september 2011 tot en met 30 juni 2014 in Nederland samen met zijn vrouw geld van het [vereniging] heeft verduisterd.

De verdachte heeft niet ondubbelzinnig bekend dat het verduisterde geldbedrag in totaal ongeveer € 51.529,33 bedroeg. De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Voor het overige volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte dit heeft bekend en door of namens hem ten aanzien daarvan geen vrijspraak is bepleit:

1. het proces-verbaal van aangifte van 8 oktober 2014, voor zover betreffende de redengevende feiten en omstandigheden, inhoudende de verklaring van de door het [vereniging] gemachtigde aangever mr. A. Verbruggen;

2) het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 augustus 2017, voor zover betreffende de redengevende feiten en omstandigheden, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

in de periode van 5 september 2011 tot en met 30 juni 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk een geldbedrag dat toebehoorde aan de [vereniging] en welk geld verdachte telkens als penningmeester onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 321 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat de verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een taakstraf te overwegen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De verdachte heeft zich samen met zijn vrouw schuldig gemaakt aan de verduistering van een groot geldbedrag dat toebehoorde aan het [vereniging] . De verdachte was sinds 2010 als penningmeester verantwoordelijk voor de kasgelden en de bankrekeningen van de [vereniging] van het [vereniging] . Welke verantwoordelijkheden een penningmeester zijn toegedicht zijn algemeen bekend en behoeven dan ook geen nadere toelichting om de ernst van het feit te duiden.

Begin september 2011 bedroeg het saldo op de betaalrekening van de [vereniging] bijna € 15.000,00. De verdachte heeft, al dan niet met hulp van zijn vrouw, vanaf

5 september 2011 in totaal 412 niet-verifieerbare afschrijvingstransacties voor een bedrag van in totaal € 51.465,63 vanaf de betaalrekening verricht. Deze transacties bestonden uit

395 contante geldopnames bij geldautomaten, 11 pinbetalingen en 6 overboekingen naar de rekening van de verdachte dan wel die van derden. Daarbij werden dikwijls op dezelfde dag een of meerdere contante geldbedragen opgenomen bij verschillende geldautomaten (voornamelijk) in de woonplaats van de verdachte. De handelwijze van de verdachte concentreerde zich daarbij niet enkel op het opnemen, het pinnen en het overboeken van (contante) geldbedragen vanaf de betaalrekening van de [vereniging] . Vanaf juni 2012 tot februari 2013 heeft de verdachte door middel van een veertigtal overboekingen vanaf de achterliggende spaarrekening het saldo op de betaalrekening aangezuiverd met ruim € 10.000,00. Deze bedragen zijn (al dan niet gedeeltelijk) direct na overboeking opgenomen bij geldautomaten. Het saldo op de betaalrekening bedroeg eind februari 2013 nog slechts € 6,09. De overboekingen vanaf de spaarrekening vonden sindsdien niet langer plaats, kennelijk daar deze reeds was uitgeput. De verdachte was sindsdien aangewezen op bijschrijvingen op de rekening van giften, subsidiegelden en bijdragegelden van het [naam 2] , alsmede van stortingen van collectegeld. Begin april 2013 werd een bedrag van € 2.220,00 aan bijdragegeld bijgeschreven op de betaalrekening. In de daaropvolgende dagen vonden opnieuw meerdere contante geldopnames plaats.

Naast afschrijvingen vanaf de spaar- en betaalrekening van de [vereniging] heeft de verdachte door middel van 34 stortingen een geldbedrag van in totaal € 6.863,05 bijgeschreven op de betaalrekening. Alvorens de verdachte een geldbedrag op de betaalrekening stortte, werd een al dan niet aan de storting gelijk bedrag vanaf de betaalrekening contant opgenomen bij een geldautomaat.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte bij het plegen van het feit een uiterst dubieuze handelwijze erop nahield. Deze handelwijze kan als uitgekiend en weloverwogen worden beschouwd, om zich (indirect) te verrijken met gemeenschapsgelden, bijdragen en giften van burgers en bedrijven en bijdragegelden afkomstig van het [vereniging] .

Als penningmeester was de verdachte op de hoogte van de financiële situatie van het [vereniging] , hetgeen hem er kennelijk toe heeft gebracht om – met het oog op zijn eigen geldelijk gewin – dit lucratieve feit te plegen en, aldus, deze gelden ten bate van persoonlijke doeleinden aan te wenden. Deze gelden waren echter bestemd voor het voorkomen en verzachten van menselijk lijden, het beschermen van levens en gezondheid en het waarborgen van respect voor de mens. De bijzondere aandacht van het [vereniging] gaat uit naar hen die het meest kwetsbaar zijn tijdens gewapende conflicten, rampen en andere noodsituaties. De verdachte heeft door zijn handelen de belangen van de organisatie en die van de kwetsbare personen die afhankelijk zijn van de weldoening van het [vereniging] met voeten getreden. De rechtbank neemt de verdachte deze omstandigheden zeer kwalijk.

Uit het uittreksel van de justitiële documentatie (strafblad) van de verdachte volgt dat hij nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten voordele van de verdachte mee in de bepaling van de strafmodaliteit- en maat.

De aard en de ernst van het feit enerzijds en verdachtes blanco strafblad, alsmede de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, anderzijds in acht genomen, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet aan de orde is. Daarentegen is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren, alsmede een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, passend en geboden is. De rechtbank beoogt met het voorwaardelijk deel van de straf de verdachte ervan te weerhouden om nieuwe strafbare feiten te plegen. Voorts bepaalt de rechtbank dat de tijd die de veroordeelde in voorarrest heeft doorgebracht in mindering zal worden gebracht op de uitvoering van de taakstraf, waarbij de rechtbank iedere in voorarrest doorgebrachte dag bepaalt op twee uur te verrichten arbeid.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[vereniging] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert de verdachte (hoofdelijk) te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 44.971,28. De gevorderde materiële schade bestaat uit een niet-vergoede verduisterde geldsom. De benadeelde partij verzoekt voorts om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig en hoofdelijk toewijsbaar is voor een bedrag van € 44.971,28 en verzoekt de rechtbank voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft bepleit dat niet genoegzaam is komen vast te staan dat [naam 3] gemachtigd was om het [vereniging] te vertegenwoordigen, daar een uittreksel van de Kamer van Koophandel en een volmacht van de directie/bestuurder, waaruit blijkt dat deze [naam 3] de organisatie mocht vertegenwoordigen, ontbreken. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen wegens het ontbreken van een adequate onderbouwing van de vordering.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank zich eerst buigen over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering.

De rechtbank constateert dat mr. A. Verbruggen door [naam 3] , vertegenwoordiger van het [vereniging] , is gemachtigd om namens de benadeelde partij op te treden in de strafzaak en namens deze een vordering in te dienen. De rechtbank constateert voorts dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [naam 3] voornoemd niet is gebleken uit een overgelegd uittreksel van de Kamer van Koophandel dan wel een schriftelijke volmacht van de directie/bestuurder, waaruit blijkt dat deze [naam 3] het [vereniging] mocht vertegenwoordigen. De rechtbank is desondanks van oordeel dat het [vereniging] ontvankelijk is in de vordering. Uit algemeen toegankelijke bronnen is de rechtbank immers gebleken dat deze [naam 3] als manager vrijwilligers-/verenigingsmanagement betrokken is bij het [vereniging] . De rechtbank acht het verweer van de raadsman dat niet genoegzaam is komen vast te staan dat [naam 3] bevoegd was het [vereniging] te vertegenwoordigen onvoldoende gemotiveerd, aangezien het formele verweer over het ontbreken van genoemde stukken, niet inhoudelijk met enig concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van deze [naam 3] is onderbouwd. Het is evident dat het [vereniging] door het handelen van verdachte is benadeeld en die schade op verdachte wenst te verhalen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en stelt vast dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte over de periode van 5 september 2011 tot en met

30 juni 2014 samen met zijn mededader 395 keer contante geldbedragen van in totaal

€ 49.580,00 vanaf de betaalrekening van het [vereniging] bij een geldautomaat heeft opgenomen. Op 11 juni 2012 is door de verdachte een contante betaling van € 15,00 verricht voor de aanschaf van postzegels. Deze contante betaling is te verifiëren aan de hand van de kasadministratie van het [vereniging] . De overige contante geldopnames zijn niet te verifiëren aan de hand van de kasadministratie van het [vereniging] .

Daarnaast heeft de verdachte in voormelde periode zes overboekingen voor een bedrag van in totaal € 1.375,39 vanaf de deze betaalrekening naar zijn eigen rekening dan wel rekeningen van derden verricht, alsmede elf pinbetalingen voor een bedrag van in totaal

€ 515,24 vanaf de deze betaalrekening. Deze pinbetalingen en overboekingen zijn niet te verifiëren aan de hand van de kasadministratie van het [vereniging] . Het totaalbedrag dat door de verdachte en zijn mededader is ontnomen van de betaalrekening van het [vereniging] bedraagt zodoende € 51.465,63 (zie tabel 1). Door middel van 34 stortingen heeft de verdachte een bedrag van in totaal € 6.863,05 gestort op de betaalrekening van het [vereniging] . Aldus bedraagt de som van het ontvreemde bedrag minus de stortingen door verdachte op de betaalrekening van het [vereniging] , € 44.602,58 (zie tabel 2).

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank is, in afwijking van de vordering van de benadeelde partij en de onderbouwing die daaraan ten grondslag ligt, van oordeel dat aannemelijk is dat de schade een bedrag van in totaal € 44.602,58 behelst. De rechtbank heeft overigens geconstateerd dat ten behoeve van vergoeding van de door de verdachte toegebrachte schade twee geldbedragen van in totaal € 245,00 zijn overgemaakt op de betaalrekening van het [vereniging] . De rechtbank zal het gevorderde daarom hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 44.357,58.

De rechtbank zal tevens de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Tabel 1: Niet te verifiëren afschrijvingen

AF

Geldopnames

Pinbetalingen

Overboekingen

Totaal afschrijvingen

Aantal

Geldbedrag

Aantal

Geldbedrag

Aantal

Geldbedrag

Aantal

Geldbedrag

2011

19

€ 2.560,00

0

€ 0,00

2

€ 110,00

21

€ 2.670,00

2012

144

€ 23.415,00

9

€ 263,74

4

€ 1.265,39

157

€ 24.944,13

2013

207

€ 20.920,00

2

€ 251,50

0

€ 0,00

209

€ 21.171,50

2014

25

€ 2.680,00

0

€ 0,00

0

€ 0,00

25

€ 2.680,00

+

Tot.

395

€ 49.575,00

11

€ 515,24

6

€ 1.375,39

412

€ 51.465,63

Tabel 2: Niet te verifiëren bijschrijvingen en de totaalsom

BIJ

Stortingen

Totaalsom

Aantal

Geldbedrag

2011

0

€ 0,00

Afschrijvingen

€ 51.465,63

2012

16

€ 3.550,00

Bijschrijvingen

€ 6.863,05

-/-

2013

17

€ 3.250,00

Totaal

€ 44.602,58

2014

1

€ 63,05

+

Tot.

34

€ 6.863,05

De overige opgevoerde schade is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan, omdat die gestelde schade onvoldoende is onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schade alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij zal om die reden voor dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering voor dat gedeelte slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 27 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid van het feit

  • -

    verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd;

strafbaarheid van de verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

  • -

    bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

  • -

    kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van drie jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in voorarrest doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [vereniging] van een bedrag van € 44.357,58, voor zover dit bedrag niet door de mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat de veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 44.357,58, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 256 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door de mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat als de veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Skerka, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. F.H.W. Teekman, rechters, in tegenwoordigheid van J.J.J. Bernsen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van Regiopolitie Twente met nummer 2014101247 van 4 augustus 2015. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.