Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3378

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
206531 / KG RK 17-756 (ib)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af. Volgend verzoek tot wraking wordt niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: 206531 / KG RK 17-756 (ib)

Beslissing van 25 augustus 2017

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende op [adres] ,

verzoeker tot wraking,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Op 22 augustus 2017 heeft verzoeker een verzoek tot wraking gedaan van

mr. A. Flos, rechter in deze rechtbank en in zijn hoedanigheid van kinderrechter belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder [nummer] . Het verzoek is opgenomen in het proces-verbaal van deze terechtzitting.

1.2.

Bij schrijven van 23 augustus 2017 heeft mr. Flos medegedeeld niet in de wraking te berusten.

1.3.

Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 25 augustus 2017 ter terechtzitting behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker, ondanks dat hij behoorlijk was opgeroepen, niet verschenen. Mr. Flos heeft laten weten niet te zullen verschijnen, tenzij de wrakingskamer dit noodzakelijk zou achten.

1.4.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat mr. Flos hem aan het slot van de behandeling ter terechtzitting van 22 augustus 2017 geen gelegenheid meer heeft gegeven om zijn mening te geven over de onderliggende stukken bij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing met betrekking tot zijn dochter [naam] .

3 Het standpunt van mr. Flos

3.1.

Mr. Flos heeft niet in de wraking berust. Hij heeft - kort gezegd - aangevoerd dat uit zijn beslissing dat hij voor het geven van zijn beslissing voldoende is geïnformeerd en daarom de zitting kan worden gesloten, geen schijn van vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daartoe is gevolgd. Het is aan de behandelend rechter om te oordelen of hij door partijen die informatie heeft gehad die hij nodig heeft om weloverwogen een oordeel op een verzoek te kunnen geven. Het principe van hoor- en wederhoor is daarbij van groot belang, maar gaat niet zover dat de behandelend rechter elke partij in de gelegenheid moet stellen alles naar voren te brengen wat die partij wenselijk acht. Mr. Flos stelt zich op het standpunt dat verzoeker tijdens de zitting op 22 augustus 2017 ruimschoots, althans voldoende, in de gelegenheid is geweest om zijn mening te geven op het verzoekschrift.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

4.2.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.3.

Vooropgesteld moet worden dat het aan de rechter is om de orde ter zitting te bepalen, hetgeen mede inhoudt de bevoegdheid om te beslissen wanneer, hoe vaak en gedurende hoeveel tijd de procespartijen ter zitting aan spreektijd hebben. De (impliciete) beslissing om verzoeker aan het slot van de zitting van 22 augustus 2017 niet meer de gelegenheid te bieden om zijn mening te geven over de onderliggende stukken bij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing met betrekking tot zijn dochter [naam] , is in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk en rechtvaardigt niet de conclusie dat mr. Flos vooringenomen of partijdig is.

4.4.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal van de zitting van 22 augustus 2017, dat inhoudelijk niet wordt betwist door verzoeker, blijkt dat alle procesdeelnemers, inclusief verzoeker, voldoende in de gelegenheid zijn geweest om hun standpunten op het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing naar voren te brengen. Ook verzoeker is diverse keren aan het woord geweest en heeft zijn mening gegeven over het verzoekschrift. Het is aan de rechter om te bepalen wanneer hij zich voldoende voorgelicht acht.

Uit het voorgaande volgt dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

4.5.

In de onderliggende zaak is sprake van een aanzienlijke tijdsdruk omdat de
OTS-maatregel, over de verlenging waarvan mr. Flos heeft te oordelen, op 29 augustus 2017 zal aflopen. Hierboven is in feite ook geconcludeerd dat in het wrakingsverzoek van
22 augustus 2017 geen feiten of omstandigheden zijn gesteld, waaruit in redelijkheid kan worden afgeleid dat sprake is van partijdigheid of van een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Bij deze stand van zaken moet worden geconcludeerd dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven en met name gebruikt om de voortgang van de procedure te frustreren. Dat is misbruik. De wrakingskamer zal daarom op de voet van artikel 39 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

5 De beslissing

De wrakingskamer

5.1.

wijst het verzoek tot wraking af,

5.2.

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. M.L.J. Koopmans, W.K.F. Hangelbroek en
J.H. Keuzenkamp in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A.M. Booijink en in openbaar uitgesproken op 25 augustus 2017.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.