Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3373

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
17/664
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtgenote verblijft in China omdat zij geen definitieve verblijfsvergunning heeft gekregen in Nederland; eiser en echtgenote hebben gemiddeld één keer per week contact; samenleving kan elders worden aangavangen of voortgezet; rechtbank niet gebleken van een situatie van duurzaam gescheiden leven; hoogte van AOW-uitkering naar norm voor gehuwden wijzigt niet; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/664

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de hoogte van zijn uitkering op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) niet wijzigt.

Bij besluit van 3 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] Van de zijde van verweerder is, met kennisgeving vooraf, niemand verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft op 30 mei 2016 bij verweerder een AOW-pensioen aangevraagd. Bij deze aanvraag – en de daarop gegeven toelichting – heeft eiser aangegeven dat zijn echtgenote, [naam 2] geen verblijfsvergunning heeft en dat hij sinds 1 juni 2016 gescheiden van haar leeft. Vervolgens is aan hem bij besluit van 6 juni 2016 met ingang van zijn AOW-leeftijd op 15 juli 2016 een AOW-pensioen toegekend naar de norm voor gehuwden.

Door verweerder is een zogenaamd “onderzoek DGL” verricht teneinde te beoordelen of eiser duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. In dit kader is onder meer een huisbezoek afgelegd.

De bevindingen van het onderzoek hebben geleid tot de besluitvorming zoals die hierboven onder ‘Procesverloop’ is uiteengezet.

2. Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat eiser niet duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiser of zijn echtgenote niet meer wil samenwonen. Doordat er aan de echtgenote van eiseres geen definitieve verblijfsvergunning is afgegeven, zijn eiser en zijn echtgenote volgens verweerder ongewild gedwongen om apart van elkaar te wonen. Wanneer zij wel een verblijfsvergunning had gekregen of zou krijgen, was zij in Nederland blijven wonen. Hieruit blijkt volgens verweerder dat zij dan van plan zijn om weer bij elkaar te gaan wonen. Verweerder heeft aan de motivering tevens ten grondslag gelegd dat eiser gemiddeld één keer per week contact heeft met zijn echtgenote en dat hij zijn echtgenote mogelijk zou bezoeken als hij de in de gelegenheid is om naar China te gaan.

3. Eiser voert – samengevat – aan dat zijn vrouw sinds 25 juni 2016 weer in China woont en dat hij sinds die tijd alleen woont en alle vaste lasten betaalt. Dat hij contact heeft met zijn vrouw kan volgens eiser geen reden zijn om niet in aanmerking te komen voor een pensioen naar de norm voor een alleenstaande. Wanneer de mogelijkheid zich voordoet zou zijn vrouw weer naar Nederland komen, maar vooralsnog kan dit niet en het is volgens eiser de verwachting dat dit niet zal gaan gebeuren.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Tussen partijen is in geschil of eiser sinds het verblijf van zijn echtgenote in China per 25 juni 2016 al dan niet is aan te merken als duurzaam gescheiden levend van zijn echtgenote in de zin van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW bepaalt dat in deze wet en de

daarop berustende bepalingen als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.2

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Voorts kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben om – al dan niet in een echtelijke samenleving – voor elkaar zorg te dragen, maar niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van de CRvB van respectievelijk 19 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1852) en 22 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2153).

Voor de uitleg van het begrip duurzaam gescheiden leven is – naast hetgeen hierboven is overwogen – van belang het arrest van de Hoge Raad (HR) van 10 februari 1960, RSV 1960/67, waarin betreffende dit begrip is overwogen:

“dat een gehuwde vrouw geacht moet worden duurzaam gescheiden van haar echtgenoot te leven (…), indien ten aanzien van haar en haar echtgenoot de toestand is ingetreden, dat, na de door beiden of een hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt, als ware hij niet met den ander gehuwd, en deze toestand voor hen beiden, althans door een hunner, als bestendig is bedoeld;

dat evenzeer een gehuwde vrouw als duurzaam gescheiden van haar echtgenoot levend moet worden aangemerkt, indien de echtelijke samenleving is verbroken doordat een door geen van beide echtelieden gewilde toestand is ingetreden, welke voor de voorzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt, terwijl redelijkerwijze niet valt te verwachten, dat in die toestand binnen afzienbare tijd een wijziging zal komen, welke de mogelijkheid tot hervatting van de echtelijke samenleving zou openen;.”

Dat deze uitleg nog steeds gelding heeft, blijkt uit de uitspraak van de CRvB van

17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1810.

4.3

Op grond van alle omstandigheden van het geval zal dus moeten worden beoordeeld of in het geval van eiser al dan niet sprake is van duurzaam gescheiden leven. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Niet ter discussie staat dat de echtgenote van eiser in China verblijft omdat zij geen definitieve verblijfsvergunning heeft gekregen in Nederland. Eiser en zijn echtgenote hebben gemiddeld één keer per week contact. Ter zitting is namens eiser verklaard dat hij één keer bij zijn echtgenote in China is geweest, ongeveer een jaar geleden. Wanneer eiser daartoe in de gelegenheid is dan zal hij haar weer opzoeken en wanneer zijn echtgenote alsnog een verblijfsvergunning krijgt dan zal zij terugkomen naar Nederland.

4.4

Onder de hiervoor gegeven omstandigheden is de rechtbank niet gebleken van een situatie van duurzaam gescheiden leven.

Weliswaar bestaat voor eiser en zijn echtgenote (al dan niet tijdelijk) geen mogelijkheid om in Nederland samen te leven, dat betekent niet dat die samenleving niet elders kan worden aangevangen of voortgezet. In zoverre dient de verbreking van de samenwoning te worden beschouwd als eigen keuze, en kan dus niet worden gesproken van een door geen van beide echtelieden gewilde toestand die de echtelijke samenwoning daadwerkelijk belette, zoals in de uitleg van de HR bedoeld. Voor zover echter zou moeten worden aangenomen dat sprake is van een gewilde verbreking van de samenleving, is de rechtbank niet gebleken dat die toestand door eiser en/of zijn echtgenote als bestendig is bedoeld.

5. Het beroep is daarom ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Elderman, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.D. Moeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.