Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3300

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
ak_ 17 _ 1072
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op goede gronden omgevingsvergunning kunnen verlenen voor het plaatsen van een slagboominstallatie op camping; Stoetendijk geen openbare weg meer; verder niet onmogelijk om Stoetendijk als toegangsweg te gebruiken voor de woning van eisers; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1072

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2], te Rheeze, eisers,

gemachtigde: [naam 3]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg, verweerder,

gemachtigde: H.J. Jipping.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Vakantiepark Hardenberg B.V., te Hardenberg.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Vakantiepark Hardenberg B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een slagboominstallatie op de Stoetendijk te Rheeze.

Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en bij brief van 1 juli 2017 nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2017.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van K. Bolks.

Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Janssen en T.J. de Bruin, werkzaam bij “Familiecamping De Belten”, onderdeel van deze procespartij.

Tegelijkertijd met deze zaak is op zitting behandeld de zaak met nr. AWB 17/1073. In die zaak is separaat uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eisers, moeder en zoon, zijn eigenaren van de woning Stoetendijk 1 te Rheeze. Eiseres en wijlen haar echtgenoot [naam 4] waren in het verleden eigenaar van de aan de Stoetendijk gelegen camping, thans geheten “Familiecamping De Belten”. De camping en de daartoe behorende gronden met gebouwen en toebehoren zijn, met inbegrip van de ondergrond van de weg Stoetendijk, voor zover gelegen langs de camping, tezamen met andere register-goederen op 21 februari 2014 geleverd aan derde-partij. Eiseres en haar inmiddels overleden echtgenoot zijn aan de Stoetendijk 1 te Rheeze blijven wonen.

Na de levering heeft derde-partij een slagboominstallatie laten plaatsen over de rijbaan voor auto’s op de Stoetendijk teneinde ongeautoriseerde toegang tot het campingterrein langs de zijingang aan de Stoetendijk tegen te gaan. De toegang tot de woning van eiseres ligt achter die slagboominstallatie. Derde-partij zorgt voor opening van de slagboom voor eiseres en haar bezoekers door middel van herkenning van door eiseres opgegeven kentekens. Ook kan met een knop op de installatie contact worden opgenomen met de receptie van de camping om de slagboom te openen. Nadat een ambulance de woning Stoetendijk 1 niet kon bereiken, is apparatuur geplaatst, waarmee hulpdiensten de slagboom elektronisch kunnen openen.

2. Omgevingsvergunning

Op 27 oktober 2016 heeft derde-partij een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een slagboominstallatie ter hoogte van de Stoetendijk 1 te Rheeze. De aanvraag dient ter legalisatie van de reeds gebouwde installatie. Bij het primaire besluit heeft verweerder voor dit project op grond van artikel 2.1, eerste lid, sub a en sub c, en artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd, indien – voor zover in deze zaak relevant – de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Krachtens het tweede lid wordt in dat geval de aanvraag voor bouwen mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor afwijken van het bestemmingsplan en wordt de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan slechts geweigerd, indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ter plaatse van het betrokken gedeelte van de Stoetendijk geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg”. Het perceel heeft de enkel bestemmingen “Natuur – Besloten heideontginningslandschap” en “Agrarisch met waarden - Besloten heideontginnings-landschap” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4”. Niet in geschil is dat het bouwplan voor de slagboominstallatie in strijd is met het bestemmingsplan.

Op grond van het bepaalde in artikel 4, derde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevings-recht kan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2º, van de Wabo, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo worden verleend ten behoeve van:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 10 m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 50 m².

Het bouwplan voldoet in beginsel aan de voorwaarden, waaronder verweerder vergunning kan verlenen voor afwijken van het bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg”, mits de installatie niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

3. Gronden van beroep

De rechtbank vat de argumenten van eisers zo op, dat zij menen dat afwijken van het bestemmingsplan om omgevingsvergunning te kunnen verlenen voor de slagboominstallatie niet getuigt van een goede ruimtelijke ordening, zodat verweerder geen vergunning mocht verlenen.

Eisers voeren daarvoor primair aan dat de Stoetendijk een openbare weg is in de zin van de Wegenwet en dat het om die reden niet is toegestaan om deze weg af te sluiten met een slagboominstallatie.

Subsidiair beroepen zij zich op een erfdienstbaarheid van weg ten laste van de Stoetendijk, eigendom van derde-partij, waardoor afsluiting van de weg niet is toegestaan, wat eveneens reden is om geen vergunning te verlenen.

Verweerder meent dat deze argumenten geen doel treffen en dat hij de vergunning mocht verlenen, omdat het belang van derde-partij om ongenode gasten te weren zwaarder weegt dan het belang van eisers.

4. Stoetendijk openbaar?

Het primaire argument van eisers treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. De Stoetendijk was weliswaar van oorsprong een openbare weg, in beheer en onderhoud bij het Rijk, maar is dat thans niet meer.

De Stoetendijk was vermeld op de wegenlegger van de gemeente Hardenberg. Artikel 49 van de Wegenwet bepaalt dat een weg, die op de legger voorkomt, wordt aangemerkt openbaar te zijn, tenzij uit tegenbewijs volgt dat de weg heeft opgehouden openbaar te zijn.

De Stoetendijk is bij Koninklijk Besluit van 17 oktober 2005, nr. 05.003924, door het bevoegd gezag, aan het openbaar verkeer onttrokken voor het merendeel van de lengte van die weg. Tot het aan het openbaar verkeer onttrokken gedeelte van de weg behoort dat deel van de weg langs de camping, dat in 1986 door wijlen de heer [naam 4] in eigendom is verkregen. Volgens de overwegingen van dit KB heeft Staatsbosbeheer om de onttrekking verzocht, dient de onttrekking het openbaar belang en sluit zij aan bij de wensen van de campingbeheerders en -gebruikers. Daarmee is het tegenbewijs als bedoeld in artikel 49 van de Wegenwet geleverd, dat de Stoetendijk vanaf de datum van het KB heeft opgehouden openbaar te zijn. Dat het gemeentebestuur niet op de hoogte was van dit KB doet aan de werking van dat besluit niet af.

Ter zitting heeft verweerder onweersproken gesteld dat de wegenlegger inmiddels is gewijzigd en dat het onttrokken gedeelte van de Stoetendijk er niet meer opstaat. Op zich is denkbaar dat de Stoetendijk weer openbaar wordt, indien de weg overeenkomstig artikel 4, aanhef en onder II, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap. Dat aan die voorwaarden is voldaan, hebben eisers echter niet althans onvoldoende onderbouwd.

5. Erfdienstbaarheid van weg?

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt ook het subsidiaire argument van eisers niet.

Tot de gedingstukken behoren twee notariële aktes.

De eerste akte dateert van 15 december 2003, waarbij door Staatsbosbeheer en wijlen de heer [naam 4] ten behoeve van een perceel, eigendom van de heer [naam 5] , als heersend erf ten laste van de Stoetendijk, eigendom van [naam 4] , als dienend erf een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd om te komen van en te gaan naar de openbare wegen, genaamd Oldemeijerweg en Grote Beltenweg.

De tweede akte dateert van 21 februari 2014 en betreft de levering van registergoederen als bedoeld onder r.o. 1. In die akte wordt voor de vestiging van erfdienstbaarheden verwezen naar een eerdere notariële akte van 3 september 2003, die niet is overgelegd.

Eisers ontlenen aan deze aktes dat ten dienste van de woning Stoetendijk 1 een recht van weg geldt om de Stoetendijk als toegangsweg te gebruiken zonder belemmering van een slagboominstallatie.

Het ontgaat de rechtbank dat het perceel, waarop de woning Stoetendijk 1 is gesitueerd en dat eigendom is van eisers, in één van beide aktes is genoemd als “heersend erf”. Of in rechte heeft te gelden dat en onder welke condities eisers zich kunnen beroepen op een erfdienst-baarheid van weg, behoort echter tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter. De rechtbank – als bestuursrechter – laat zich daarover dan ook niet uit in deze zaak.

Er veronderstellende wijs van uitgaand dat wel sprake is van een recht van weg als bedoeld door eisers, staat ter beoordeling van de rechtbank – als bestuursrechter – of als gevolg van het toestaan van de slagboominstallatie, in afwijking van het bestemmingsplan, sprake is van een evidente schending van de erfdienstbaarheid. De rechtbank vindt steun voor deze wijze van toetsing in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1997).

Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat zo een evidente schending zich hier niet voordoet. De beperking van de toegang tot het perceel, waarop de woning Stoetendijk 1 is gesitueerd, betreft alleen bestuurders van auto’s, niet fietsers en voetgangers. Derde-partij heeft maatregelen getroffen om de toegang voor auto’s tot het perceel met de woning Stoetendijk 1 te faciliteren met behulp van kentekenherkenning, een verbinding met de receptie van de camping en elektronische apparatuur voor hulpdiensten. De rechtbank begrijpt dat eisers de plaatsing van de slagboominstallatie, ondanks die maatregelen, ervaren als een inbreuk op hun gestelde erfdienstbaarheid, maar stelt vast dat het niet onmogelijk is om de Stoetendijk als toegangsweg te gebruiken voor de woning Stoetendijk 1.

6. Conclusie

Omdat de argumenten van eisers niet opgaan, komt de rechtbank tot het oordeel dat afwijken van het bestemmingsplan voor de bouw van de slagboominstallatie niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft meer gewicht mogen toekennen aan het belang van derde-partij en in redelijkheid met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2º, van de Wabo vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor dat afwijken kunnen verlenen.

Dit betekent verder dat de activiteit bouwen van de slagboominstallatie niet (meer) in strijd is met het bestemmingsplan. Deze weigeringsgrond doet zich dus niet voor. Omdat het bestaan van andere weigeringsgronden, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, niet is gesteld of gebleken, heeft verweerder terecht vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a voor het bouwen van het bouwwerk.

Daaruit volgt dat de omgevingsvergunning, het primaire besluit, de rechterlijke toets doorstaat en dat het bestreden besluit in rechte in stand blijft.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

******************************************************************

Samenhang met Awb 17/1073:

Deze zaak (Awb 17/1072) wordt op de zitting van 18 juli 2017 tegelijkertijd behandeld met de zaak met nummer Awb 17/1073. Awb 17/1072 heeft betrekking op de verlening van een omgevingsvergunning voor de slagboominstallatie; Awb 17/1073 heeft betrekking op de weigering om hiertegen handhavend op te treden. Vanwege de samenhang tussen beide zaken volsta ik hier met één concept.

Wie is de derde-partij?

Als belanghebbende is Vakantiepark Hardenberg B.V. aangeschreven (dossierstuk A5). Volgens de gegevens in het dossier is dit bedrijf eigenaar van de weg en van het aangrenzende recreatiepark. Bij brief van 22 mei 2017 (dossierstuk A8) heeft “familiecamping De Belten” gereageerd en aangegeven te willen meedoen als derde-partij. Wellicht kan ter zitting aan de vertegenwoordiger van de derde-partij worden gevraagd of deze naam een andere naam is voor Vakantiepark Hardenberg B.V. Vooralsnog ga ik hiervan uit.

Feiten en voorgeschiedenis:

Op enig moment (vóór 20 april 2015) heeft de derde-partij een slagboominstallatie te laten plaatsen over de rijbaan voor auto’s op de Stoetendijk (zie de als dossierstuk J in de B-map opgenomen foto’s). Wellicht kan ter zitting aan partijen worden gevraagd wanneer dit precies is gebeurd. Een aparte baan voor voetgangers en fietsers is niet afgesloten. Op deze manier kan de derde-partij voorkomen dat mensen die niets op het terrein van de camping te zoeken hebben via de zijingang op het terrein van de camping komen. De woning van eiseres ligt echter ook achter de slagboom. Al hoewel de derde-partij heeft aangegeven dat zij bereid is om de slagboom te openen voor eiseres en voor bezoekers, is dit in de praktijk regelmatig niet goed gegaan. Volgens de als productie 3 bij het beroepschrift (dossierstuk A2) opgenomen emailberichten, kon op 22 juni 2015 een ambulance de woning aan de Stoetendijk 1 niet bereiken, toen de inmiddels overleden echtgenoot van eiseres acuut hulp nodig had. Volgens deze emailwisseling zijn (blijkbaar n.a.v. dit incident) op 25 juni 2015 slagbomen van ‘SOS toegang’ gemonteerd, waarmee hulpdiensten de slagbomen elektronisch kunnen openen. Wellicht kan ter zitting aan eisers gevraagd worden of er sindsdien nog problemen zijn geweest met de bereikbaarheid van het perceel Stoetendijk 1 voor hulpdiensten.

Op 20 april 2015 hebben eisers verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de slagboominstallatie. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Wel heeft verweerder de derde-partij er op gewezen dat voor het oprichten van de slagboominstallatie een omgevingsvergunning vereist is. Deze is op 27 oktober 2016 alsnog aangevraagd (achter dossierstuk B in de B-map). Bij besluit van 7 december 2016 is deze verleend. Eisers komen zowel op tegen de weigering om handhavend op te treden als tegen de verlening van een omgevingsvergunning.

De weg ‘Stoetendijk’ is een weg in het buitengebied van de gemeente Hardenberg (vgl. de als dossierstuk A in de B-map opgenomen kaart). De weg loopt van de Grote Beltenweg (aan de welke kant de camping en de woning van eiseres liggen) door tot de provinciale weg N34. De weg wordt doorkruist door de ‘Oldemeijerweg’. Uit fotomateriaal in het dossier (en ook Google Streetview) blijkt dat het eerste deel van de Stoetendijk, dat langs de camping loopt, verhard is. Verderop, in ieder geval in het bosgebied, wordt de Stoetendijk een zandpad. De Stoetendijk was oorspronkelijk een openbare weg, die op de legger van de gemeente Hardenberg stond. De Stoetendijk werd onderhouden door het Rijk (Staatsbosbeheer). Bij KB van 17 oktober 2005 (dossierstuk E in de B-map) is de Stoetendijk onttrokken aan het openbaar verkeer. Uit de motivering van het KB blijkt dat de onttrekking was ingegeven door de belangen van de campingbeheerders en –bezoekers en door de wens om de rust in het natuurgebied te bevorderen. Volgens het KB was het dan ook

tevens de bedoeling om te voorkomen dat fietsers het zandpad bleven gebruiken. Ten behoeve van eisers is een recht van overpad gevestigd. Uit wat partijen hebben aangevoerd en uit het fotomateriaal in het dossier krijg ik de indruk dat in de praktijk de verkeerssituatie in 2005 niet is gewijzigd; van borden waaruit blijkt dat de Stoetendijk is afgesloten voor het verkeer blijkt niets. Bij de kruising van de Oldemeijerweg zijn door Staatsbosbeheer (sinds 1998 een zelfstandig bestuursorgaan) borden geplaatst (zie foto achter dossierstuk I in de B-map) met, voor zover hier van belang, de volgende tekst: vrij wandelen op wegens en paden, geen toegang (……..) met fietsen of paarden buiten de daarvoor aangegeven route, voor gemotoriseerd verkeer. Naast de door de derde-partij geplaatste slagboominstallatie lijken geen borden te zijn geplaatst. Wellicht kan hier ter zitting nog navraag naar worden gedaan.

Wettelijk kader:

Bij de beoordeling van deze zaak spelen verschillende bestuursrechtelijke wettelijke kaders een rol. Naast het op grond van de Wabo geldende wettelijk kader speelt de Wegenwet een belangrijke rol in de zaak die betrekking heeft op het verzoek om handhaving. Ik zal eerst het op grond van de Wabo geldende kader bespreken, dat zowel in de handhavingszaak als in de zaak die betrekking heeft op de verlening van een omgevingsvergunning speelt. Daarna zal ik het op grond van de Wegenwet geldende wettelijk kader bespreken. Het privaatrechtelijke kader (de erfdienstbaarheid; Boek 5, titel 6, van het Burgerlijk Wetboek) valt buiten dit bestuursrechtelijke geschil. Dat zal ik hier dan ook niet bespreken

Wettelijk kader o.g.v. de Wabo:

De Stoetendijk ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg”. De relevante delen van dit bestemmingsplan zijn niet opgenomen in het door verweerder toegezonden dossier. Wel valt dit bestemmingsplan via ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen (wat ik bij de voorbereiding van deze zaak ook heb gedaan). Omdat de inhoud van het bestemmingsplan geen discussiepunt is tussen partijen heb ik er vooralsnog van afgezien om dit op te vragen. In het besluit waarbij de omgevingsvergunning wordt verleend (dossierstuk B in de B-map) worden meerdere bestemmingen genoemd; Wellicht kan ter zitting worden gevraagd wat de bestemming is van het stuk grond waar de slagboominstallatie is geplaatst. Gezien de kaart op ruimtelijkeplannen.nl ligt voor de hand dat dit ‘agrarisch met waarden – besloten heideontginningslandschap’ is. Op gronden waaraan deze bestemming is toegekend is artikel 4 van de planvoorschriften van toepassing. De slagboominstallatie is niet in overeenstemming met deze bestemming. Op grond van het bepaalde in artikel 4, derde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 2º, van de Wabo een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo worden verleend ten behoeve van:

  • -

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • -

    a. niet hoger dan 10 m, en

  • -

    b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²

De slagboominstallatie voldoet aan de voorwaarden zoals geformuleerd in deze bepaling.

Voor de bouw van de slagboominstallatie is echter ook een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, vereist. De slagboominstallatie is niet vergunningvrij. In het kader van de beoordeling van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor deze activiteit dient o.g.v. het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo tevens getoetst te worden aan de voorschriften die gelden op grond van het Bouwbesluit 2012. De bereikbaarheid voor hulpdiensten is geregeld in afdeling 6.8 van het Bouwbesluit 2012. Voor de beoordeling van deze zaak lijkt met name artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012 van belang. In het vijfde lid van artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat hekwerken die een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid van artikel 6.37 afsluiten, door hulpdiensten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Wettelijk kader o.g.v. de Wegenwet:

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wegenwet is deze wet alleen van toepassing op openbare wegen. Op grond van het tweede lid van artikel 1 van deze wet worden onder wegen mede verstaan voetpaden, fietspaden, etc.

In artikel 4 van de Wegenwet is bepaald wanneer een weg openbaar is. Hierbij worden drie situaties onderscheiden, namelijk:

I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap;

III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.

Op grond van het bepaalde in artikel 7 van de Wegenwet houdt een weg slechts in twee situaties op openbaar te zijn, namelijk:

  • -

    I. wanneer hij gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor een ieder toegankelijk is geweest;

  • -

    II. wanneer hij door het bevoegd gezag aan het openbaar verkeer is onttrokken.

Terzijde noem ik hier nog Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer. Sinds 1998 is Staatsbosbeheer een zelfstandig bestuursorgaan (artikel 2 Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer). De taken van Staatsbeheer en de relatie tot het Rijk zijn vooral geregeld in artikel 3 van deze wet.

Inhoudelijke beoordeling:

Ik zal eerst de vraag bespreken of verweerder gelet op de Wabo heeft mogen weigeren om handhavend op te treden en heeft kunnen besluiten om een omgevingsvergunning te verlenen voor de slagboominstallatie.

M.i. heeft verweerder bij het bestreden besluit in redelijkheid kunnen besluit om de verlening van een omgevingsvergunning voor de slagboominstallatie en de weigering om hiertegen handhavend op te treden te handhaven. Nu sinds 25 juni 2015 slagbomen van ‘SOS toegang’ zijn gemonteerd, kan m.i. worden aangenomen dat voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 6.37, vijfde lid, van het Bouwbesluit 2012 (overigens had de motivering op dit punt wel wat uitgebreider gekund). Al hoewel de slagboominstallatie in strijd is met het bestemmingsplan, was verweerder bevoegd om met toepassing van artikel 4, derde lid, van bijlage II bij het Bor, hiervoor een omgevingsvergunning te verlenen. Verweerder heeft hiertoe m.i. in redelijkheid kunnen besluiten, gelet op het belang van de campingeigenaar en de campinggasten. Het voorkomen dat personen die daar niets te zoeken hebben met de auto het terrein van de camping op kunnen komen, verhoogt m.i. de veiligheid. In het kader van de belangenafweging diende verweerder ook rekening te houden met het belang van eiseres dat haar woning voldoende bereikbaar blijft. Ervan uitgaande dat de mogelijkheid om kentekens van bezoekers (en het eigen kenteken) door te geven normaal gesproken wel werkt, denk ik dat verweerder hiermee voldoende rekening heeft gehouden. M.i. zijn de beroepen, voor zover hiertegen gericht, dan ook ongegrond.

Ik zal vervolgens de vraag bespreken of verweerder gelet op de Wegenwet heeft mogen weigeren om handhavend op te treden tegen de slagboominstallatie. Duidelijk is dat de Stoetendijk tot de inwerkingtreding van het KB van 20 april 2005 een openbare weg was. Het karakter van openbare weg is met dit KB verloren gegaan (artikel 7, onder II, Wegenwet). Op grond van het bepaalde in artikel 4, onder II, van de Wegenwet kan een niet-openbare weg (weer) openbaar worden als deze gedurende tien jaar voor een ieder toegankelijk is geweest en indien de weg is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap. De eerste vraag is dan of de Stoetendijk in de periode van tien jaar na 20 april 2005 (althans m.i.v. de datum van inwerkingtreding van het KB van die datum) voor een ieder toegankelijk is geweest. In het dossiers zijn foto’s opgenomen van bordjes die verderop, bij de kruising van de Stoetendijk met de Oldemeijerweg, zijn geplaatst door Staatsbosbeheer. Uit deze bordjes volgt, voor zover hier van belang, dat op (dit deel van) de Stoetendijk vrij kan worden gewandeld en gefietst. Van enig ander bordje, waaruit blijkt dat van de weg slechts ‘ter bede’ gebruik kan worden gemaakt, blijkt niets uit het dossier. In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7552; bijgevoegd bij dit concept), waar sprake was van een ongeveer gelijkluidend bord bij de ingang van een pad, is geoordeeld dat niet kon worden geoordeeld dat sprake was van een weg die slechts ‘ter bede’ toegankelijk was. In die zaak is toen geoordeeld dat sprake was van een openbare weg. M.i. kan de enkele plaatsing van de slagboominstallatie ook niet af doen aan het gegeven dat de Stoetendijk gedurende tien jaar na 20 april 2005 voor een ieder toegankelijk is geweest. De slagboom beperkt immers alleen het soort verkeer dat vrij gebruik kan maken van deze weg (in beginsel geen motorrijtuigen). Een baan voor voetgangers en fietsers is blijkens de foto’s in het dossier gewoon voor een ieder toegankelijk gebleven. Uit niets blijkt dat bij de slagboominstallatie borden zijn geplaatst waaruit blijkt dat sprake is van een ‘eigen weg’ die slechts ter bede toegankelijk was. De vraag is dan nog wel of sprake is van een door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap onderhouden weg. Wellicht kan hierover ter zitting duidelijkheid worden verkregen. Een lastige vraag is of hiervan ook sprake is indien en voor zover de Stoetendijk door Staatsbosbeheer (dat bordjes bij het begin van de Stoetendijk heeft geplaatst) is onderhouden. Staatsbosbeheer is sinds 1998 een zelfstandig bestuursorgaan. In zoverre is in dat geval dan ook geen sprake van een door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap onderhouden weg. Aan de andere kant kan ik mij niet goed voorstellen dat het, bij de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer, de bedoeling van de wetgever is geweest om wegen die onderhouden zijn door Staatsbosbeheer uit te sluiten van de werking van artikel 4, onder II, van de Wegenwet. Als moet worden aangenomen dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 4, onder II, van de Wegenwet, dan was de weg ten tijde van het nemen van het bestreden besluit weer openbaar.

Zelfs al zou moeten worden aangenomen dat de weg weer openbaar is, dan nog kan de aanwezigheid van de slagboominstallatie er niet aan afdoen dat de weg gewoon voor een ieder – zij het niet voor ieder soort voortuig - toegankelijk is. Iedereen kan immers de Stoetendijk op lopen of fietsen. Strikt genomen is voor de beperking van de toegankelijkheid van een openbare weg voor motorrijtuigen dan wel een verkeersbesluit (met plaatsing van verkeersborden) op grond van de Wegenverkeerswet 1994 nodig. Daarvan was noch ten tijde van het primaire besluit, noch ten tijde van het bestreden besluit sprake. Voor de hand ligt dat verweerder wel bereid is om medewerking te verlenen aan een dergelijk besluit (dit kan eventueel ter zitting gevraagd worden).

V.w.b. de Wegenwet zal m.i. dan ook ter zitting meer duidelijkheid moeten worden gekregen.

******************************************************************