Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:33

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-01-2017
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
C/08/194778/ KG ZA 16-406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verwijdering/verplaatsing satellietschotel en betaling voorschot energieverbruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/194778/ KG ZA 16-406

Vonnis in kort geding van 6 januari 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEMAJO ONROEREND GOED B.V.,

gevestigd te Almelo,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTO CENTER LOSSER B.V.,

gevestigd te Hengelo (Ov),

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. Th. F. de Jong te Groningen,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A.F.M. den Hollander te Rotterdam,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

in persoon verschenen,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

in persoon verschenen.

Partijen zullen hierna ook Demajo, Bedrijfswagens Twente dan wel (gezamenlijk)
Demajo c.s. en [gedaagde 1], [gedaagde 2] (gezamenlijk: [gedaagden 1 en 2]) en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] genoemd worden.

1
1. Het verloop van de procedure

in conventie en in reconventie:

1.1.

De behandeling ter terechtzitting van dit kort geding heeft op verzoek van (een van) partijen bij vervroeging plaatsgevonden (en kennelijk met vrijwillige verschijning) op 9 december 2016 ten overstaan van de rechter mr. G.G. Vermeulen. Tijdens die zitting is op enig deel van het gevorderde door die rechter mondeling uitspraak gedaan. De behandeling ter zitting is toen voor wat betreft de overige geschilpunten in conventie en in reconventie aangehouden en is voortgezet op 20 december 2016, zijnde de oorspronkelijk daartoe bepaalde zittingsdatum waartegen ook was gedagvaard. Enige tijd voor die datum heeft

mr. Vermeulen zich teruggetrokken van deze zaak. De rechter die dit vonnis wijst, heeft daarop deze zaak (verder) behandeld, te beginnen bij die zitting op 20 december 2016. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben zowel in conventie als in reconventie hun standpunten (verder) toegelicht. Na verder debat is zowel in conventie als in reconventie vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op 11 januari 2017, dan wel eerder in het geval het vonnis eerder gereed is. Partijen hebben desgevraagd daartoe toestemming gegeven. Toegezegd is dat partijen de uitspraak ook per emailbericht als bijlage ontvangen.

2 Waarvan kan worden uitgegaan

in conventie en in reconventie:

2.1.

Demajo c.s. en [gedaagden 1 en 2] hebben al geruime tijd een geschil omtrent de verkoop door [gedaagden 1 en 2] aan Demajo van een aantal onroerende zaken, waaronder het perceel aan de [adres 1] te Hengelo.

2.2.

Bij vonnis van 6 oktober 2015 heeft de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland, locatie Assen, rechtdoende in reconventie het volgende tussen Demajo enerzijds en [gedaagde 1] sr en jr en [gedaagde 2] anderzijds, beslist:

vernietigt de koopovereenkomst van 13 april 2012 tussen [gedaagde 1] jr. en sr. en (de rechtsvoorgangster van) Demajo gesloten ten aanzien van de onroerende zaken aan de [adres 1] en [adres 2] te Hengelo, alsmede de rechtshandeling van mw. [gedaagde 1] strekkende tot het geven van toestemming van die koopovereenkomst, alsmede alle verdere in die koopovereenkomst opgenomen overeenkomsten tussen partijen en de uit die overeenkomst voortvloeiende notariële akte van levering van 20 juni 2012, althans de leveringshandeling zelf.

en voor zover hier relevant:

verklaart de beslissingen in reconventie uitvoerbaar bij voorraad”.

2.3.

Demajo is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep gekomen van dat haar in reconventie gewezen onwelgevallige vonnis. Eerst een dezer weken zal door Demajo van grieven worden gediend. Duidelijk is dat een beoordeling in hoger beroep nog zeer geruime tijd op zich zal laten wachten. Niet is gebleken dat dat gerechtshof door Demajo is verzocht om de gegeven uitvoerbaarheid bij voorraad ongedaan te maken in afwachting van de beslissing in hoger beroep.

2.4.

Op het moment dat voornoemd vonnis van 6 oktober 2015 werd gewezen was Bedrijfswagens Twente al langere tijd gevestigd en werkzaam aan de [adres 1] te Hengelo. Bedrijfswagens Twente exploiteert in het pand een garagebedrijf voor bedrijfswagens. Tot op heden is daarin geen verandering gebracht.

2.5.

Bij vonnis van 25 augustus 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Almelo, - onder meer - [gedaagden 1 en 2] gelast om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de toegang tot het bedrijfsterrein en het bedrijfspand aan de [adres 1] te Hengelo volledig te herstellen en hersteld te houden zodat Demajo en Bedrijfswagens Twente weer volledig en vrijelijk van het bedrijfsterrein, het bedrijfspand en de zich daar op of in bevindende zaken gebruik kunnen maken.

2.6.

Bij vonnis van 26 september 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Almelo, - voor zover hier relevant - in conventie bepaald dat het gebod als gegeven in dictumonderdeel I van voornoemd vonnis van 25 augustus 2016 wordt versterkt met een dwangsom en Demajo c.s. gemachtigd om, indien en voor zover [gedaagden 1 en 2] het gebod overtreden, zichzelf met behulp van een deurwaarder toegang tot het bedrijfspand en het bedrijfsterrein te verschaffen door het verwijderen van door [gedaagden 1 en 2] aangebrachte belemmeringen, indien [gedaagden 1 en 2] niet op eerste verzoek van de deurwaarder deze verwijdert en verwijderd houdt, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie. Het gevorderde in reconventie door [gedaagden 1 en 2], waaronder de gevorderde ontruiming van de panden en het terrein, is door de voorzieningenrechter afgewezen.

3 De standpunten van partijen

In conventie

3.1.

Door Demajo c.s. is in de inleidende dagvaarding - samengevat weergegeven -gevorderd om gedaagden dan wel een deel daarvan op verbeurte van een dwangsom:

  • -

    te verbieden zich te begeven op het terrein dat thans in gebruik is bij Bedrijfswagens Twente;

  • -

    te verbieden enige veranderingen aan te (laten) brengen aan de onroerende zaak die thans in gebruik is bij Bedrijfswagens Twente;

  • -

    te verbieden om de medewerkers en bezoekers van Bedrijfswagens Twente die zich op het terrein van Bedrijfswagens Twente bevinden op enigerlei wijze te benaderen, waaronder het ongevraagd fysiek en verbaal contact maken met hen;

  • -

    te gebieden over te gaan tot herstel van het hekwerk dat de toegang tot de Sluitersdijk afsluit;

  • -

    te verbieden enige verandering aan te brengen aan dat hekwerk;

  • -

    te bepalen dat Demajo c.s. en hun medewerkers de enigen zijn die de beschikking mogen hebben over sleutels van het hek en dat zij gerechtigd zijn het hek af te sluiten;

  • -

    te gebieden over te gaan tot verwijdering van de satellietschotel;

  • -

    te bepalen dat een deurwaarder is gemachtigd op de naleving van de geboden en verboden toe te zien en te handhaven, zo nodig met inschakeling van de sterke arm.

3.2.

Door Demajo c.s. is de eis in conventie achtereenvolgens - weer samengevat weergegeven - als volgt vermeerderd:

- primair: gedaagden hoofdelijk op verbeurte van een dwangsom te gebieden om over te gaan tot herstel van de aansluiting van de nutsvoorzieningen alsmede tot herstel van de toegebrachte schade zoals boorgaten en schilderwerk, en subsidiair: gedaagden hoofdelijk op verbeurte van een dwangsom een verbod op te leggen zich toegang te (doen) verschaffen, al dan niet door of vergezeld van derden, teneinde de nutsvoorzieningen aan de [adres 1] te Hengelo (Ov) af te sluiten en dat verbod in stand te laten totdat in rechte anders is beslist.

3.3.

Tevens is een hoofdelijke kostenveroordeling van gedaagden in conventie verzocht alsmede uitvoerbaarheid bij voorraad.

In reconventie:

3.4.

Door [gedaagden 1 en 2] is in reconventie - samengevat weergegeven - gevorderd om Demajo c.s. gezamenlijk te veroordelen tot betaling aan [gedaagden 1 en 2] van:

  • -

    de maandelijkse bijdrage in de nutsvoorzieningen ad € 485,- primair vanaf
    februari 2014, zijnde de maand waarop Bedrijfswagens Twente het onroerend goed in gebruik heeft genomen, en subsidiair vanaf een nader te bepalen datum tot en met de datum van de ontruiming;

  • -

    de maandelijkse (schade)vergoeding van € 5.950,- per maand inclusief BTW primair per 13 april 2012 (datum van het sluiten van de vernietigde overeenkomst); subsidiair per 6 oktober 2015 (datum vernietiging overeenkomst) en steeds tot de dag van de ontruiming, en meer subsidiair per een door de voorzieningenrechter te bepalen datum.

3.5.

Voorts wordt door [gedaagden 1 en 2] in reconventie gevorderd om Demajo c.s. op straffe van een dwangsom te verbieden “om camera’s te richten op de woning van [gedaagden 1 en 2] zodanig dat de woning in beeld is”.

3.6.

Een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van Demajo c.s. in de kosten van dit geding.

In conventie en in reconventie:

3.7.

Er is steeds gemotiveerd verweer gevoerd tegen toewijzing van het gevorderde. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

In conventie en in reconventie:

4.1.

De na het wijzen van het meergenoemde (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 6 oktober 2015 tussen Demajo c.s. en [gedaagden 1 en 2] ontstane ondoorzichtige situatie, is reeds geschetst in het tussen partijen door de voorzieningenrechter in deze rechtbank gewezen vonnis van
26 september 2016. Die schets klopt nog steeds en de voorzieningenrechter volstaat hier met daarnaar te verwijzen.

4.2.

Demajo blijft stellen de feitelijke macht te hebben (behouden) over de hier aan de orde zijnde onroerende zaken, en dat zij daarop het retentierecht (artikel 3:290 – 295 Burgerlijk Wetboek) is gaan uitoefenen. Dit als zekerheid voor nakoming door [gedaagden 1 en 2] van hun uit de vernietiging van de koopovereenkomst volgende ongedaanmakingsverplichting tot (terug)betaling van wat - kort gezegd – op complexe wijze als koopsom is betaald c.q. gedaan.

4.3.

Voorshands oordelend lijkt voldoende samenhang te bestaan tussen de over en weer bestaande ongedaanmakingsverplichtingen waardoor de opschorting inderdaad lijkt te

worden gerechtvaardigd. Niet is vereist dat Demajo als retentor zelf de zaak feitelijk in haar macht heeft; dat mag ook door Bedrijfswagens Twente gebeuren. Het kan namelijk ook zo zijn dat iemand anders de zaak voor de retentor houdt, waardoor deze indirect de feitelijke macht uitoefent. Voorshands laat zich niet vaststellen of Demajo destijds op onrechtmatige wijze zichzelf de feitelijk macht heeft verschaft over de onroerende zaken. In dat geval zou haar geen retentierecht toekomen.

4.4.

De Hoge Raad heeft bepaald dat de afgifte van een onroerende zaak geschiedt door ontruiming van de zaak HR 23 juni 1995, NJ 1996, 216 ([naam 1]/[naam 2]). Als de onroerende zaak dus nog niet is ontruimd, is er nog geen afgifte gedaan van de onroerende zaak en kan de retentor dus nog de feitelijke macht daarover uitoefenen. Dit wordt niet anders in het geval de eigendom van die onroerende zaken - niet juridisch gezegd - terugvalt in handen van [gedaagden 1 en 2] alsof daar nimmer verandering in is gebracht; deze hebben dan immers hun eigendomsrecht “terugverkregen” onder bezwaar van het retentie-/opschortingsrecht, dat de retentor eventueel de mogelijkheid biedt zich daarop te verhalen in het geval van geen (terug)betaling.

4.5.

[gedaagden 1 en 2] spreken inmiddels zelf ook van een voortdurende feitelijk en juridisch onzekere situatie over wie als rechthebbende heeft te gelden van de meergenoemde onroerende zaken. Ook volgens [gedaagden 1 en 2] is een beslissing in hoger beroep daarvoor onontbeerlijk, en hebben partijen daarop noodgedwongen te wachten. In die tijd hebben Demajo c.s. naar zeggen van [gedaagden 1 en 2] niet alleen de (achterstand) in de bijdrage aan kosten voor water en licht maar ook een gebruiksvergoeding te betalen voor het gebruik van wat [gedaagden 1 en 2] in eigendom is blijven toebehoren behoren om reden van voormelde vernietiging door de kantonrechter in Assen, tot welke beslissing die rechter naar zeggen van [gedaagden 1 en 2] op goede grond heeft beslist. De gebruiksvergoeding is vooral vereist om in 2017 te beginnen met noodzakelijk en achterstallig onderhoud aan de onroerende zaken, aan welk onderhoud naar zeggen van [gedaagden 1 en 2] door Demajo c.s. geen aandacht wordt besteed. Als die bedragen worden voldaan kan – zo begrijpt de voorzieningenrechter het standpunt van [gedaagden 1 en 2] zoals dat ook nog eens mondeling ter zitting in het slotwoord is toegelicht – de huidige feitelijke situatie worden gehandhaafd totdat in het ingestelde hoger beroep is beslist.

4.6.

Het is vooral hierom dat de voorzieningenrechter eerst wenst te beslissen op de door [gedaagden 1 en 2] gevorderde veroordelingen tot betaling van een (maandelijkse) geldsom.

4.7.

In dit kort geding is door de voorzieningenrechter reeds ter zitting van
9 december 2016 een betalingsveroordeling uitgesproken van Demajo c.s. om ingaande
26 september 2016 maandelijks aan [gedaagden 1 en 2] te betalen € 485,- als bijdrage in de nutsvoorzieningen, en zulks tot de datum dat Demajo c.s. geen nutsvoorzieningen meer afnemen.

4.8.

Partijen waren het er tijdens de vervolgzitting genoegzaam over eens dat deze betalingsveroordeling aldus tijdens de eerste zitting door de voorzieningenrechter reeds is uitgesproken, en dat dat dictum nog moet worden vastgelegd in een (deel)vonnis. Dit is voldoende voor de opvolgend voorzieningenrechter om het er voor te houden dat aldus reeds in zoverre – uitvoerbaar bij voorraad – tussen partijen uitspraak is gedaan en hier dus alleen in zoverre niet alsnog behoeft te worden beslist. Overigens verdient hier vermelding dat bij gelegenheid van de vervolgzitting namens Demajo c.s. is verklaard dat daar alle bereidheid bestaat om die maandelijkse bijdrage in de nutsvoorzieningen te voldoen aan [gedaagden 1 en 2] ingaande die datum van 26 september 2016. Duidelijk moge zijn dat het hier steeds een bevoorschotting betreft op de definitieve afrekening van het gebruik/verbruik van de nutsvoorzieningen door Demajo c.s..

4.9.

Nog niet is – dus – beslist op de vordering van [gedaagden 1 en 2] dat die maandelijkse vergoeding van € 485,- ook als bevoorschotting (op de definitieve afrekening van het gebruik) moet worden betaald over de periode van februari 2014 tot en met de maand september 2016. Demajo c.s. hebben zich verweerd tegen toewijzing daarvan: deze hoogte van de vereiste bevoorschotting zou niet zijn gebleken en bovendien wordt niet voldaan aan de vereisten voor toewijzing van een geldvordering in kort geding, waarbij in het bijzonder wordt gewezen op bij [gedaagden 1 en 2] bestaand restitutierisico.

4.10.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook dit deel van het door [gedaagden 1 en 2] gevorderde zich wel degelijk leent voor toewijzing in kort geding. Het zijn [gedaagden 1 en 2] die worden aangeslagen voor de betreffende meterstanden en niet Demajo c.s.. Genoegzaam is op basis van wat daartoe door [gedaagden 1 en 2] in dit geding is aangereikt aan verbruiksgegevens, komen vast te staan dat een dergelijke bevoorschotting adequaat is te noemen. Het betreft hier een inschatting van het eigen gebruik door Demajo c.s. zonder dat op andere wijze adequaat is geregeld/afgesproken hoe dat verbruik zal moeten worden vastgesteld en betaald.

4.11.

[gedaagden 1 en 2] worden aangeslagen voor de meterstanden inclusief het gebruik/verbruik door Demajo c.s.. Aldus hebben [gedaagden 1 en 2] al een zeer aanzienlijk bedrag voor hun rekening moeten nemen zonder dat daarbij door Demajo c.s. enige duidelijkheid/zekerheid is verschaft hoe zij het daarin begrepen deel eigen gebruik voor hun rekening nemen c.q. gaan nemen. Evenmin is gesteld dat partijen een andere betalingsafspraak hebben gemaakt c.q. moeten hebben gemaakt over de betaling van dat eigen gebruik. Uit niets is gebleken dat het de bedoeling van partijen is geweest dat
daarvoor hebben op te draaien. Deze omstandigheden zijn relevant voor de inschatting van het restitutierisico, dat door de voorzieningenrechter laag wordt ingeschat. Immers is niet in te zien dat de hier aan de orde zijnde bevoorschotting veel te hoog is en om die reden zou moeten leiden tot een aanmerkelijke terugbetalingsverplichting van [gedaagden 1 en 2]. Ook voor de maanden na september 2016 wordt die bevoorschotting immers door Demajo c.s. deugdelijk bevonden, terwijl de energieprijzen in de periode vanaf 2014 eerder zijn gedaald dan gestegen.

4.12.

Aldus ligt in reconventie voor onmiddellijke toewijzing gereed een bevoorschotting voor 32 maanden x € 485,- = € 15.520,-.

4.13.

Voorts wordt door [gedaagden 1 en 2] in reconventie een maandelijkse gebruiksvergoeding of vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking gevorderd tot het moment waarop de onroerende zaken zijn ontruimd door Demajo c.s. Door Demajo c.s. is de verschuldigdheid daarvan gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter stelt hier allereerst vast dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over het betalen van een gebruiksvergoeding aan [gedaagden 1 en 2]. Een dergelijke vergoeding leent zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter eerst dan voor toewijzing als bevoorschotting op verschuldigde schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen, per het moment dat Demajo c.s. onrechtmatig handelen door de onroerende zaken zonder recht of titel te (blijven) gebruiken en te weigeren deze te ontruimen en ter beschikking van [gedaagden 1 en 2] te stellen. Volgens Demajo kan in deze situatie niet sprake zijn van onrechtmatig handelen; dit niet alleen omdat van misbruik van omstandigheden geen sprake kan zijn geweest en de daarop geënte veroordeling in eerste aanleg in hoger beroep naar zeggen van Demajo c.s. ongedaan zal worden gemaakt, maar ook omdat Demajo zich beroept op een haar toekomend retentierecht totdat [gedaagden 1 en 2] op hun beurt hebben voldaan aan de op hen rustende ongedaanmakingsverplichtingen jegens Demajo, welke verplichtingen eveneens voortspruiten uit de uitgesproken vernietiging.

4.14.

De verschuldigdheid van die gevorderde vergoeding kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in elk geval niet zijn ontstaan voor 6 oktober 2015, de datum waarop uitvoerbaar bij voorraad de vernietiging is uitgesproken van de hier aan de orde zijnde koopovereenkomst. Voorts heeft hier dus te gelden dat Demajo een retentierecht toekomt op deze onroerende zaken totdat [gedaagden 1 en 2] de op hen rustende ongedaanmakingsverplichtingen zijn nagekomen die voortspruiten uit voormelde vernietiging. In dit kader oordelend kan niet worden gezegd dat Demajo onrechtmatig handelt door het jegens [gedaagden 1 en 2] inroepen van een retentierecht/ opschortingsrecht. Er bestaat voorshands oordelend geen grond voor het bij wijze van voorschot toekennen van een gebruiksvergoeding c.q. een voorschot op schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking aan [gedaagden 1 en 2]. Overigens laat die verrijking zich ook slecht vaststellen in de situatie dat [gedaagde 1] c.s profijt trekken uit de situatie dat de ongedaanmaking van de betaling van de koopsom niet plaatsvindt. De voorzieningenrechter zal dit deel van het door [gedaagden 1 en 2] gevorderde dan ook afwijzen.

4.15.

Wat dan nog resteert is de beoordeling of in de voorliggende situatie – en naast hetgeen reeds eerder tussen partijen is geoordeeld - op dit moment (meer) spoedeisende ordemaatregelen met dwangsomveroordelingen zijn vereist. Partijen vorderen over een weer dat een aantal van dergelijke maatregelen moeten worden getroffen ter bescherming/conservering van hun rechten. Voor de noodzaak daartoe wordt over en weer incidenten gemeld.

4.16.

Partijen zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter inmiddels genoegzaam van doordrongen geraakt dat behoudens andere afspraken de huidige feitelijke situatie blijft zoals die is, in afwachting van dus het resultaat van het meergenoemde hoger beroep. Daar waar Demajo c.s. op basis van retentierecht recht en belang heeft (gehouden) om over de hier aan de orde zijnde onroerende zaken de feitelijke macht uit te oefenen, gaat het [gedaagden 1 en 2] niet aan om daarop inbreuk te maken door zich toegang tot die onroerende zaken te verschaffen en daar te zijn. De aanwezigheid van [gedaagden 1 en 2] op die onroerende zaken kan daarom dus alleen geschieden met voorafgaand verkregen toestemming van Demajo c.s..

4.17.

Eigenmachtig mogen [gedaagden 1 en 2] (en de andere gedaagden in conventie) die onroerende zaken dus niet betreden en zich daartoe de toegang verschaffen. Gedaagden in conventie schijnen zich daarvan inmiddels voldoende bewust te zijn, zo blijkt met name ook uit voormeld standpunt van [gedaagden 1 en 2] inhoudende dat als de door [gedaagden 1 en 2] gewenste betalingen worden gedaan, het resultaat van het hoger beroep in relatieve rust kan worden afgewacht onder handhaving van de bestaande feitelijke situatie. Daarbij komt dat de over en weer gestelde overtredingen inmiddels niet meer “vers” zijn en het oogt dat partijen zich er voldoende bewust van zijn geworden dat eigenrichting alleen escalerend werkt en niets (meer) oplost. Van hiermee samenhangende (nieuwe) dwangsomveroordelingen over en weer is in de huidige situatie ook alleen maar escalatie te verwachten in de vorm van executiegeschillen. De conclusie luidt dan ook dat thans over en weer onvoldoende spoedeisend belang bestaat bij toewijzing van de verzochte ordemaatregelen gekoppeld aan dwangsomveroordelingen, zulks met uitzondering van het volgende.

4.18.

Er is wel genoegzaam reden gebleken reden om Demajo c.s. op verbeurte van na te noemen (te maximeren) dwangsom te veroordelen om om redenen van privacy/onrechtmatigheid geen camera’s gericht te houden op de woning van [gedaagden 1 en 2] Ter zitting is namelijk van enige onwil gebleken aan de zijde van Demajo c.s. om de camera (‘s) niet langer gericht te houden op de woning van [gedaagden 1 en 2]. Ook is onvoldoende informatie verschaft waarop die camera (‘s) dan wel is/zijn gericht.

4.19.

De zich op het erf van [gedaagden 1 en 2] nabij de begrenzing bevindende satellietschotel is een bron van voortdurende discussie gebleken, waarbij [gedaagden 1 en 2] slechte ontvangst wijten aan het doelbewust parkeren door Demajo c.s. van auto’s (“busjes”) op het bij hen in gebruik zijnde terrein nabij de erfgrens, en wel zodanig dat de goede werking van die schotel daardoor negatief wordt beïnvloed. Daar waar het Demajo c.s. in beginsel is toegestaan om auto’s te plaatsen op het terrein, kan [gedaagden 1 en 2] niet volhouden dat dat terrein ten behoeve van een goede werking van die schotel moet worden vrijgehouden door Demajo c.s.. Terecht wordt door Demajo c.s. dan ook gevorderd dat die schotel bij wijze van ordemaatregel wordt verplaatst naar zodanige plaats op her erf van [gedaagde 1] dat de werking daarvan niet door Demajo c.s. kan worden gestoord door de plaatsing van auto’s. Dit is reden om na te melden maatregel te bepalen.

4.20.

Daar waar door Demajo c.s. is verzocht om declaratoire uitspraken te doen (“te bepalen dat…”), geldt dat dat de voorzieningenrechter in een procedure als deze niet vrijstaat.

4.21.

Inmiddels staat vast dat voorafgaand aan dit kort geding de aansluitingen van Demajo c.s. met de nutsvoorzieningen zijn hersteld, zodat op basis daarvan geen voorziening meer zal worden getroffen anders dan de eerder genoemde betalingsveroordelingen van Demajo c.s.. Bij voldoening door Demajo c.s. aan die betalingsveroordelingen valt in redelijkheid geen afsluiting van die nutsvoorzieningen te duchten in de periode totdat in hoger beroep arrest zal zijn gewezen. Het gevraagde verbod om (weer) de nutsvoorzieningen af te sluiten, zal vanwege gebrek aan spoedeisend belang dan ook worden afgewezen.

4.22.

Herstel van de toegebrachte schade zoals boorgaten en schilderwerk ontbeert eveneens een spoedeisend belang.

4.23.

De slotsom in conventie en in reconventie luidt dan ook dat in na te melden zin moet worden beslist. Zowel in conventie als in reconventie zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld. Reden om de kosten van het geding steeds te compenseren op na te melden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie:

5.1.

Gebiedt [gedaagden 1 en 2] om binnen 14 dagen na de datum van het wijzen van dit vonnis over te gaan tot verwijdering/verplaatsing van de satellietschotel, en wel zodanig dat Demajo c.s. niet langer kan worden verweten door het parkeren van auto’s het goed functioneren daarvan in de weg te staan, en zulks op verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag dat dit gebod niet wordt nagekomen en zulks tot een maximum van € 2.000,-.

5.2.

Verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.3.

Wijst af hetgeen in conventie meer of anders is verzocht.

5.4.

Compenseert de gedingkosten in conventie aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

In reconventie onder handhaving van wat reeds op 9 december 2016 is beslist:

5.5.

Veroordeelt Demajo c.s. voorts tot betaling aan [gedaagden 1 en 2] van € 15.520,-.

5.6.

Verbiedt Demajo c.s. om vanaf 7 dagen na de datum van het wijzen van dit vonnis camera’s te richten op de woning van [gedaagden 1 en 2] zodanig dat die woning in beeld is, en zulks op verbeurte van een dwangsom van € 400,- per dag dat dit gebod niet wordt nagekomen en zulks tot een maximum van € 4.000,-.

5.7.

Verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.8.

Wijst af hetgeen in reconventie meer of anders is verzocht.

5.9.

Compenseert de gedingkosten in reconventie aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op

6 januari 2017.