Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3278

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
08/730177-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 24-jarige man tot een gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast krijgt de man een taakstraf opgelegd van 120 uur en moet hij zijn slachtoffers een schadevergoeding betalen van 4.752 euro. De man deed belastingaangifte voor kennissen en liet het bedrag aan kinderbijslag bijschrijven op zijn eigen bankrekening. Voor de aankoop van een auto boekt de man geld over naar een rekeningnummer dat niet bestaat in plaats van naar het rekeningnummer van de verkoopster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer : 08/730177-17 (P)

Datum vonnis: 18 augustus 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ( [land] ),

[adres]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. M. van Leussen, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 4 augustus 2017, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel, dan wel (subsidiair) zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift;

feit 2: zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2014 tot en met 2 januari 2015 te Delden, gemeente Hof van Twente, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere geldbedrag(en) (een geldbedrag van 1752,19 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door het onbevoegd gebruik maken van de Digi-D code van die [slachtoffer 1] en/of om (vervolgens) het rekeningnummer voor de kinderbijslag te veranderen in zijn, verdachtes, rekeningnummer ( [rekeningnummer 1] );

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 30 oktober 2014 te Delden, gemeente Hof van Twente, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meerdere belastingpapier(en) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door namens [slachtoffer 1] de belasting aangifte te doen en/of (daarbij) gebruik te maken van zijn, [slachtoffer 1] , Digi-D code en/of een of meerdere gegevens voor die belastingaangifte in te vullen en/of (vervolgens) op het formulier van de kinderbijslag het rekeningnummer van die [slachtoffer 1] te wijzigen in zijn, verdachtes, rekeningnummer ( [rekeningnummer 1] ), met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken;

2.

hij op of omstreeks 18 maart 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens/geldbedrag, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag (van 3000 euro), in elk geval een geldbedrag, door

- zich voor te doen als een bonafide koper van een (personenauto merk Nissan, kenteken [kenteken 1] ) en/of

- ( vervolgens) aan die [slachtoffer 2] op zijn, verdachtes, telefoon te laten zien dat hij overeengekomen geldbedrag van 3000 euro (zogenaamd) op het rekeningnummer ( [rekeningnummer 2] ) overboekte en/of

- ( de volgende dag) van die overboeking een zogenaamd screenshot van een valselijk opgemaakt bankafschrift, per e-mail, aan die [slachtoffer 2] te verzenden en/of

- dit overeengekomen geldbedrag (3000 euro) nooit aan die [slachtoffer 2] te betalen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden op basis van de verklaringen van beide aangevers, de verklaring van de getuige [getuige] met de daarbij gevoegde inkoopverklaring van 20 maart 2015, de bijgevoegde rekeningafschriften van verdachte, het bescheid van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) met betrekking tot het gewijzigde rekeningnummer wat betreft de over te maken kinderbijslag en het bijgevoegde rekeningafschrift van verdachte (blz. 39). Wat betreft feit 2 heeft de officier van justitie nog opgemerkt dat het in de tenlastelegging vermelde automerk (Nissan) een verschrijving is en dient te worden gelezen als Mitsubishi.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting het standpunt van verdachte weergegeven, inhoudende dat verdachte erkent dat de SVB het bedrag van € 1.752,19 op zijn rekening heeft bijgeschreven, maar dat verdachte dacht dat het geld betrekking had op de kinderbijslag voor zijn eigen kind. Verdachte ontkent dat hij het gewijzigde bankrekeningnummer aan de SVB heeft doorgegeven.

Wat betreft feit 2 erkent verdachte dat hij de personenauto van het merk Mitsubishi heeft gekocht van [slachtoffer 2] en stelt hij dat hij het aankoopbedrag contant heeft betaald.

Het standpunt van verdachte is dat hij van beide feiten dient te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit het verhandelde ter terechtzitting en uit de inhoud van de overgelegde stukken, zoals die hierna in de bijlage bewijsmiddelen zijn opgenomen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Het standpunt van verdachte met betrekking tot feit 1 dat niet hij (en dus een ander) aan de SVB heeft doorgegeven dat de kinderbijslag op een ander (zijn) rekeningnummer moest worden overgemaakt, passeert de rechtbank als zijnde ongeloofwaardig en niet aannemelijk, mede gelet op het op het wijzigingsformulier (blz. 30) van de SVB vermelde telefoonnummer waarop de SVB de aanvrager (aangever [slachtoffer 1] ) overdag kan bereiken terwijl dit telefoonnummer niet van aanvrager [slachtoffer 1] is maar - gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer 1] (blz. 28) - aan verdachte toebehoort.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 30 oktober 2014 tot en met 2 januari 2015 te Delden, gemeente Hof van Twente, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 1752,19 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door het onbevoegd gebruik maken van de Digi-D code van die [slachtoffer 1] en door vervolgens het rekeningnummer voor de kinderbijslag te veranderen in zijn, verdachtes, rekeningnummer ( [rekeningnummer 1] );

2.

hij op 18 maart 2015 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, door

- zich voor te doen als een bonafide koper van een personenauto en

- vervolgens aan die [slachtoffer 2] op zijn, verdachtes, telefoon te laten zien dat hij het overeengekomen geldbedrag van 3000 euro (zogenaamd) op het rekeningnummer ( [rekeningnummer 2] ) van die [slachtoffer 2] overboekte en

- de volgende dag van die overboeking een zogenaamd screenshot van een valselijk opgemaakt bankafschrift, per e-mail, aan die [slachtoffer 2] te verzenden en

- dit overeengekomen geldbedrag (3000 euro) nooit aan die [slachtoffer 2] te betalen.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 311 (feit 1) en 326 (feit 2) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 2 het misdrijf: oplichting.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte voor beide feiten dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee vermogensdelicten. Hij heeft daarbij op uiterst laakbare en doortrapte wijze het vertrouwen dat beide aangevers in hem hadden gesteld, beschaamd. Verdachte heeft tegenover de politie gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht en ter zitting is hij niet verschenen en ontkent hij via zijn gemachtigd raadsman de feiten te hebben gepleegd. Verdachte wenst klaarblijkelijk, naar het oordeel van de rechtbank, niet de verantwoordelijkheid voor zijn daden te willen dragen.

Hoewel de rechtbank in beginsel een hogere straf dan geëist op zijn plaats acht, zal de rechtbank daartoe niet overgaan, gelet op de omstandigheid dat beide feiten al enkele jaren geleden door verdachte zijn gepleegd en hij, blijkens zijn uittreksel uit de justitiële documentatiedienst, nadien niet meer met justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegend, waaronder ook de door de verdediging geschetste huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zal de rechtbank een straf opleggen gelijk aan de eis van de officier van justitie.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partijen vorderen verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een bedrag respectievelijk van € 1.752,19 en € 3.196,00 telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

wat betreft de vordering van [slachtoffer 1]:

- kinderbijslag 4e kwartaal 2014: € 1.752,19;

en wat betreft de vordering van [slachtoffer 2] :

- Mitsubishi Colt: € 3.000,00;

- juridisch advies: € 196,00.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen geheel dienen te worden toegewezen, telkens met de wettelijke rente en telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat gelet op de bepleite vrijspraken voor beide feiten de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. De opgevoerde schadeposten zijn onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] opgevoerde post “proceskosten” niet als rechtstreekse schade is aan te merken. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51f lid 1 Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit (Hoge Raad, 16-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:890, 2973.15). Dat brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f lid 1 Sr voorziene maatregel (HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413).

De rechtbank zal het gevorderde toewijzen tot na te noemen bedragen en vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop verdachte geacht moet worden met de betaling in verzuim te zijn geraakt (feit 1) en vanaf de datum waarop het onder 2 vermelde strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd telkens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal telkens de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens beide benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht (feit 1: [slachtoffer 1] en feit 2: [slachtoffer 2] ).

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 2 het misdrijf: oplichting.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) weken;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten:

- kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van twee (2) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van honderdtwintig (120) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zestig (60) dagen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.752,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2015;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.752,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2015 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 27 dagen zal worden toegepast.

Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor een deel van € 196,00 niet-ontvankelijk is in

de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de

burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2015;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2015 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Skerka, voorzitter, mr. A.M. Rikken en

mr. B.W.M. Hendriks, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Oost-Nederland met het registratienummer PL0600-2017082168 van 21 februari 2017 en welk geheel is doorgenummerd blz. 1 tot en met blz. 62. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Blz. 3-6: de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] , afgelegd op 11 mei 2015:

Zij deed aangifte van oplichting op 18 maart 2015. De oplichting vond als volgt plaats:

Ik ben de eigenaar van een Mitsubishi Colt, kleur zwart, voorzien van het kenteken

[kenteken 2] . Ik wilde mijn auto verkopen en heb deze te koop aangeboden op Autotrack en later op Marktplaats. Twee weken nadat mijn auto op Marktplaats had gestaan werd ik gebeld door een jongeman die belangstelling had voor mijn auto. Ik hoorde dat hij zei dat hij [verdachte] heette. Ik heb met hem een afspraak gemaakt voor 17 maart 2015 om 19.30 uur. Hij kwam op deze afspraak. Hij heeft de auto bekeken en ik hoorde dat hij zei: Ja een mooie auto, ik wil hem wel overkopen. Hij bood mij 3000 euro en daar ging ik mee akkoord. Het was een jongeman van ongeveer eind 20-begin 30 jaar en hij had een licht getinte huid. Hij kwam heel rustig en normaal over. We hebben afgesproken dat hij de volgende dag terug zou komen. Hij zou dan het geld overmaken en we zouden dan de auto overschrijven.

Hij verscheen de volgende dag 18 maart 2015. Toen hij bij mij in de woning was, heeft hij zijn telefoon gepakt en liet hij mij zien dat hij 3000 euro overboekte op mijn rekening [rekeningnummer 2] . Hij had zelf een rekening bij de Rabobank. Ik zag dat hij een random reader bij zich had en het geld overmaakte. Zijn rekening is: [rekeningnummer 3] . Daarna zijn we naar de Bruna in Hengelo gereden. Hij kwam rustig op mij over, niet zenuwachtig. In de Bruna zit een postagentschap van TNT en daar hebben we de auto overgeschreven op zijn naam. Hij heeft toen ook een rijbewijs laten zien. Ik hoorde dat hij daar wederom zei dat zijn voornaam [verdachte] was. De man achter de balie kon zijn achternaam niet uitspreken. Toen de auto op zijn naam stond, ontving ik een vrijwaringsbewijs. We zijn daarna weer samen naar mijn woning gereden.

Ik heb hem daar de autosleutels en het kenteken gegeven.

Hij is daarna weggegaan en ik zag dat hij wegreed in de door mij verkochte auto.

De volgende dag 19 maart 2015 zag ik dat het geld, de 3000 euro niet op mijn rekening stond. Ik heb een dag gewacht. Toen op 20 maart 2015 het geld er nog niet opstond

heb ik hem gebeld op zijn telefoonnummer [telefoonnummer 1] .

Hij stond mij vriendelijk en rustig te woord en ik hoorde dat hij zei: ik heb het geld overgemaakt en ik stuur je wel een bewijs. Wat later stuurde hij mij via de mail een screenshot-video. Hij maakte gebruik van het emailadres: [emailadres] .

Maar tot op heden heb ik het geld nooit ontvangen. Ik heb geen idee hoe hij het bankafschrift heeft veranderd of vervalst. Zijn telefoonnummer kan ik niet meer bereiken.

Ik heb geprobeerd om een klein bedrag over te maken op zijn bankrekeningnummer,

maar dan krijg ik direct een foutmelding.

Ik heb contact gehad met de Rabobank en deze konden mij vertellen dat zijn

bankrekening niet bestaat. Ik heb nooit het gevoel of het vermoeden gehad dat ik werd opgelicht. Ik heb nooit getwijfeld. Als ik wel had getwijfeld, had ik nooit de auto aan hem verkocht. Een afdruk van het screenshot kan als bijlage bij de aangifte worden gevoegd.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Blz. 7: het bescheid, te weten een afdruk van een screenshot, waarop onder meer is vermeld:

Rabo-zakelijk pakket: datum: 19-03-2015: tegenrekening: [slachtoffer 2] , [rekeningnummer 2] : omschrijving: auto; bedrag EUR: af: -3.000.00.

Blz. 11: het relaas van de verbalisant [verbalisant 1]:

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb op 10 maart 2016 een vordering verstrekking historische gegevens artikel 126nd opgemaakt om de bankgegevens van de verdachte [verdachte] in te willen zien. Dit gaat om rekening nummer [rekeningnummer 3] . Dit in verband met een oplichting van 3000 euro. Ik heb de vordering op 19 juli 2016 teruggekregen van de Rabobank via de mail. Hierin staat dat het door mij opgevraagde bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] een niet bestaand rekeningnummer is en dat de Rabobank dan ook niets kan uitleveren over dit rekeningnummer. De Rabobank gaf aan dat er ten name van [verdachte] twee rekeningnummers bekend zijn, te weten rekening nummer [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 1] .

Verdachte: [verdachte] (man), geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] in [land] .

Blz. 18: het relaas van de verbalisant [verbalisant 2]:

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een gedane aangifte met betrekking tot het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken 2] .

Ik heb via het politiesysteem de tenaamstelling opgevraagd van bovengenoemd voertuig. Ik zag dat het voertuig op 18 maart 2015 van eigenaar is overgegaan. Ik zag dat het voertuig van [slachtoffer 2] was overgeschreven op naam van [verdachte] .

Blz. 27-29: de verklaring van aangever [slachtoffer 1]:

Ik doe hierbij aangifte van oplichting.

Doordat de verdachte een valse naam en/of valse hoedanigheid aannam, dan wel

gebruik maakte van listige kunstgrepen en/of samenweefsel van verdichtsels, werd ik

bewogen tot afgifte van mijn Digi-D.

Als ik zou hebben geweten, dat de verdachte een valse naam en/of valse hoedanigheid

had aangenomen, dan wel gebruik maakte van listige kunstgrepen en/of een samenweefsel

van verdichtsels, dan zou ik niet tot afgifte van mijn Digi-D zijn overgegaan.

De oplichting vond als volgt plaats:

Ik ben via via in contact gekomen met een man die [verdachte] heet. [verdachte] is 3 keer bij mij thuis geweest. De eerste twee keer dat [verdachte] bij mij thuis kwam was omdat hij internet en software op mijn computer ging installeren. Deze [verdachte] vertelde mij toen ook dat hij de belastingaangifte voor mij in kon vullen. [verdachte] vertelde aan mij dat hij dit voor meer mensen had gedaan. Hij vroeg voor het invullen van de belastingaangifte 20 euro. De derde keer dat [verdachte] bij mij thuis kwam, heeft hij de belastingaangifte voor mij ingevuld. Ik heb hem hiervoor dus 20 euro betaald. Alle informatie die hij mij gevraagd heeft, heb ik hem

toen gegeven. Waaronder ook mijn Digi-D code. [verdachte] zou met deze gegevens mijn

belastingpapieren invullen.

In januari 2015 viel het mij op dat ik mijn kinderbijslag niet had gekregen. Ik heb

toen naar Vluchtelingen Werk Nederland gebeld. De medewerkster zei toen tegen mij dat ik nog een paar dagen moest wachten. Ik heb toen nog twee weken gewacht. Maar toen ik nog niets op mijn rekening had ontvangen ben ik weer naar Vluchtelingen Werk Nederland gegaan. De medewerkster heeft toen gebeld met SVB, Sociale Verzekerings Bank, en deze vertelde toen dat de kinderbijslag al lang was overgemaakt op mijn rekening. De medewerkers van de SVB zijn bij mij thuis geweest en hebben mij toen een wijzigingsformulier betaalgegevens overhandigd. Op dit formulier zag ik dat mijn rekeningnummer was gewijzigd. Dit formulier was door de SVB ontvangen op 30-10-2014. Ik voeg dit formulier toe als bijlage bij deze aangifte. Op dit formulier zag ik bij nieuwe betaalgegevens een rekeningnummer staan dat niet van mij is. Ik ken dit rekeningnummer ook niet. De nieuwe betaalgegevens op dit formulier zijn: rekeningnummer

[rekeningnummer 1] . Onderaan het wijzigingsformulier staat ook een telefoonnummer

namelijk [telefoonnummer 2] . Ik ken dit nummer als zijnde het nummer van [verdachte] . De ingangsdatum van het formulier is 31-10-2014. De kinderbijslag is door SVB dus

overgemaakt op dit rekeningnummer. De dader heeft via de SVB mijn rekening gewijzigd, zonder dat ik hiervoor toestemming heb gegeven. Het totaalbedrag aan kinderbijslag dat op dit rekeningnummer is overgemaakt is ongeveer 1740 euro (de rechtbank heeft geconstateerd dat op 2 januari 2015 een bedrag van € 1.752,19 is overgemaakt op de rekening van verdachte en leest het door aangever opgegeven bedrag als € 1.752,19). Dit is kinderbijslag van 1 kwartaal. Het geld is geheel mijn eigendom. Ik heb niemand toestemming gegeven voor het plegen van dit feit.

Blz. 30: het bescheid, te weten een formulier van de SVB, ontvangen door de SVB op 30 oktober 2014 betreffende “wijzigen rekeningnummer:

overzicht: persoonsgegevens: Dhr. [slachtoffer 1] ; het rekeningnummer dat u met één wijziging wilt vervangen: [rekeningnummer 5]

Nieuwe betaalgegevens: rekeningnummer waarop u het geld wilt ontvangen:

[rekeningnummer 1] ; ingangsdatum: 31-10-2014.

Blz. 33: het relaas van de verbalisant [verbalisant 3]:

Op 15 juli 2015 deelde aangever [slachtoffer 1] mij mede dat hij zijn Digi-D code waarschijnlijk in mei of juni 2014 aan verdachte had afgegeven.

Het bescheid, te weten een kopie van een rekeningafschrift ten name van [verdachte] te Enschede:

Nieuw afschrift: 30-01-2015; Datum: 02-01: tegenrekening/naam/omschrijving: Sociale Verzekeringsbank, kinderbijslag, 4e kwartaal: bij: 1.752,19.