Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3277

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
C/08/205302 / KG ZA 17-245
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering tot opheffing conservatoir beslag. Ondeugdelijkheid van het recht. Vrees voor verduistering niet nader geconcretiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/205302 / KG ZA 17-245

Vonnis in kort geding van 15 augustus 2017 (fs)

in de zaak van

de stichting

STICHTING RUITERBELANGEN,

gevestigd te Enschede,

eiseres,

advocaat mr. G.A.G. Warfman te Enschede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J. Klomp te Enschede.

Partijen zullen hierna Stichting Ruiterbelangen en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties 1 tot en met 16

  • -

    productie 17 aan de zijde van Stichting Ruiterbelangen

  • -

    de producties 1 tot en met 3 aan de zijde van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Stichting Ruiterbelangen

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Stichting Ruiterbelangen is eigenaresse van de manege (rijhal, kantine stallen en dienstwoning, c.a.), gelegen aan de Haaksbergerstraat 1045/1047 (7548 PB) te Enschede.

2.2.

Eind 2011 hebben Stichting Ruiterbelangen en [gedaagde] een overeenkomst gesloten die gekwalificeerd diende te worden als huurkoopovereenkomst en die op een later tijdstip alsnog bij notariële akte is opgemaakt. De feitelijke levering van de manege zou geschieden op 1 december 2011 en de juridische levering uiterlijk op 30 november 2016.

2.3.

Na de feitelijke levering in 2011 is tussen partijen discussie ontstaan over de onderhoudsverplichtingen.

2.4.

Omdat [gedaagde] de financiering niet rond kreeg, heeft de juridische levering aan [gedaagde] nimmer plaatsgevonden. Stichting Ruiterbelangen heeft de huurkoopovereenkomst vervolgens ontbonden.

2.5.

Partijen stellen over en weer vorderingen jegens elkaar te hebben.

2.6.

Krachtens verlof van 3 mei 2017 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft [gedaagde] op 4 mei 2017 conservatoir beslag gelegd op de manege.

2.7.

Aangezien niet is ingegaan op het verzoek om het beslag tegen vervangende zekerheid op te heffen, heeft Stichting Ruiterbelangen zich genoodzaakt gezien om dit kort geding aanhangig te maken.

3 Het geschil

3.1.

Stichting Ruiterbelangen vordert samengevat - primair de opheffing van het op

4 mei 2017 op de manege gelegde conservatoire beslag en subsidiair opheffing van het conservatoire beslag onder de voorwaarde dat de Stichting Ruiterbelangen ten behoeve van [gedaagde] zekerheid verleent. Tevens vordert Stichting Ruiterbelangen om [gedaagde] - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te verbieden om na opheffing van het beslag opnieuw beslag te leggen op de manege. Tot slot vordert Stichting Ruiterbelangen [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, althans een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter juist acht.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.2.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is

(HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.3.

De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

4.4.

Stichting Ruiterbelangen stelt dat het gelegde beslag moet worden opgeheven omdat de vordering waarvoor het beslag werd gelegd ondeugdelijk is. [gedaagde] heeft de schade die zij stelt te hebben geleden uit hoofde het door haar gestelde – doch door Stichting Ruiterbelangen betwiste – niet nakomen van de verplichtingen van Stichting Ruiterbelangen als eigenaar van de manege, niet onderbouwd. Stichting Ruiterbelangen is

- zo stelt zij - ingevolge artikel 9.4 van de notariële akte waarin de huurkoopovereenkomst is vastgelegd, uitsluitend gehouden de opstallen te verzekeren tegen brand- en stormschade. Aan deze verplichting is voldaan, aangezien de opstallen gedurende de gehele periode van de huurkoopovereenkomst verzekerd zijn geweest bij Univé Verzekeringen en alle verzekeringspremies tijdig en volledig zijn betaald, aldus Stichting Ruiterbelangen. De gemelde schades zijn door Univé opgepakt en door derden gerepareerd. Het onderhoud van de stallen was voor rekening van [gedaagde] . Los van de omstandigheid dat Stichting Ruiterbelangen niet verantwoordelijk was voor de reparaties, maar enkel voor de verzekering, is door [gedaagde] enkel niet onderbouwd gesteld dat de reparaties niet juist zouden zijn uitgevoerd. De stelling dat daardoor lekkages zouden zijn ontstaan is volgens Stichting Ruiterbelangen door [gedaagde] evenmin onderbouwd.

4.4.1.

Uit hoofde van de eerder tussen partijen gewezen vonnissen stelt Stichting Ruiterbelangen nog een vordering op [gedaagde] van € 103.052,28 te hebben. Daarin is nog niet begrepen de op grond van de notariële akte verschuldigde boete van € 54.000,- en de schade die de Stichting Ruiterbelangen heeft geleden vanwege de niet conforme oplevering van de manege bij de ontruiming ervan door [gedaagde] . De totale vordering van de Stichting Ruiterbelangen overschrijdt in haar visie dan ook de vordering van

[gedaagde] aanzienlijk. Stichting Ruiterbelangen heeft de manage inmiddels verkocht. De koopovereenkomst is tot stand gekomen onder de ontbindende voorwaarde dat uiterlijk

15 september 2017 het beslag, rustende op de manege is opgeheven. De manege dient uiterlijk op 15 november 2017 vrij van beslag geleverd te worden, bij gebreke waarvan een boete van 10% verschuldigd is, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding.

4.5.

[gedaagde] stelt bewijs te hebben overgelegd, waaruit blijkt dat zij een vordering heeft op de Stichting Ruiterbelangen. Zij wijst erop dat zij bij haar beslagrekest een aantal producties heeft overgelegd, die ook reeds in eerste aanleg aan de orde zijn geweest. Daarnaast heeft zij een aantal nieuwe producties overgelegd. De vordering is door

[gedaagde] thans, zo stelt zij, voor het leggen van het beslag voldoende aangetoond, gelet op het door de voorzieningenrechter verleende verlof voor het leggen van conservatoir beslag op de manege, ter hoogte van € 125.000,-. Het beslag is gelegd ter zekerheid van de vordering van [gedaagde] en de vrees voor verduistering, nu de manege het enige vermogen is van Stichting Ruiterbelangen. [gedaagde] meent dat de focus in de procedure in eerste aanleg vooral heeft gelegen op de huurkoopovereenkomst en dat er geen of te weinig focus is gelegd op de schade die [gedaagde] heeft geleden door het handelen of nalaten van Stichting Ruiterbelangen. Inmiddels is hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank van 23 november 2016.

4.5.1.

In hoger beroep wil [gedaagde] aantonen dat zij de begrote schade van

€ 125.000,- heeft geleden, of meer schade, en zij wil hiervoor nieuw bewijs overleggen. [gedaagde] heeft de schadebegroting, die zij ten behoeve van de procedure in hoger beroep heeft opgesteld, ook in dit kort geding in het geding gebracht. In haar visie leent dit kort geding zich er niet voor om uitvoerig bewijs aan te dragen van de vordering.

4.5.2.

[gedaagde] betwist dat het de bedoeling van partijen, althans dat het haar bedoeling is geweest om in de huurkoopovereenkomst op te nemen dat Stichting Ruiterbelangen als verkoper enkel opstallen zal verzekeren tegen brand- en stormschade en dat alle overige risico’s, waaronder ook het risico van bedrijfsschade, voor rekening van [gedaagde] als koper zullen zijn. [gedaagde] meent dat, indien er sprake is geweest van een deugdelijke verzekering, Stichting Ruiterbelangen als eigenaar en de partij die de verzekering afneemt, de opdrachtgever is voor de herstelwerkzaamheden, die door de verzekering dienen te worden vergoed. Stichting Ruiterbelangen heeft een niet deugdelijke opdracht verstrekt en daarnaast heeft zij te laat de opdracht tot herstel verstrekt, waardoor [gedaagde] schade heeft geleden. Een uitsluiting van gevolgschade in een contract kan onder omstandigheden onaanvaardbaar zijn.

4.5.3.

Of, zoals Stichting Ruiterbelangen stelt, zij een vordering op [gedaagde] heeft, zal in hoger beroep worden beslist. In het kader van het door Stichting Ruiterbelangen gestelde spoedeisend belang stelt [gedaagde] dat Stichting Ruiterbelangen wist dat er beslag op de manege was gelegd. Desondanks heeft zij de manege verkocht en zich verplicht in november 2017 vrij van beslag te leveren op straffe van een boete van 10%. Dit kan [gedaagde] niet worden verweten. Indien het beslag wordt opgeheven vreest [gedaagde] voor verduistering van de gelden, althans dat er na verkoop van de manege verder geen vermogensobjecten meer aanwezig zijn waarop [gedaagde] haar vordering kan verhalen.

4.6.

Wat betreft de schadevergoedingsvordering die [gedaagde] uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking en het niet nakomen van de huurkoopovereenkomst op Stichting Ruiterbelangen stelt te hebben, geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat summierlijk is gebleken dat die vordering ondeugdelijk is. Daarbij heeft - anders dan [gedaagde] stelt - naar het oordeel van de voorzieningenrechter als uitgangspunt te gelden dat uit artikel 9.4 van de huurkoopovereenkomst volgt dat Stichting Ruiterbelangen de opstallen tijdens de huurkoopperiode uitsluitend tegen brand- en stormschade zou verzekeren en dat alle overige risico’s, voor rekening [gedaagde] als koper zouden zijn.

De tekst van dat artikel luidt als volgt:

“9.4.

De koper verklaart ermee bekend te zijn, dat de verkoper de verkochte opstallen en inrichting gedurende het gebruik door koper van die opstallen uitsluitend tegen brand- en stormschade zal verzekeren; alle overige risico, waaronder ook de risico’s van bedrijfsschade, inboedel en wettelijke aansprakelijkheid zijn voor rekening van koper.”

Hoewel de tekst van voornoemd artikel op zichzelf niet doorslaggevend is, vormt deze tekst naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval wel een bijzondere aanwijzing dat [gedaagde] wel degelijk de bedoeling heeft gehad, althans bewust heeft ingestemd, met de in het artikel verwoorde risicoverdeling. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] in haar stelling dat een dergelijke uitsluiting van gevolgschade in een contract in bepaalde gevallen onaanvaardbaar kan zijn. De thans uit de stukken blijkende en naar voren gebrachte omstandigheden, waarin sprake was van een lange overgangsperiode waarin het gehuurkochte nog niet in eigendom aan [gedaagde] zou toebehoren, rechtvaardigen naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter juist de in het in het artikel neergelegde risicoverdeling.

4.7.

Indien en voor zover [gedaagde] stelt dat er door Stichting Ruiterbelangen geen deugdelijke verzekering is afgesloten, volgt de voorzieningenrechter dit standpunt niet. Uit de door Stichting Ruiterbelangen als productie 10 in het geding gebrachte bankafschriften en pakketoverzichten, blijkt dat Stichting Ruiterbelangen in ieder geval in de periode van

1 januari 2011 tot 1 januari 2017 voor de manege een opstalverzekering bij Univé heeft gehad en dat de premies daarvoor zijn betaald. Het door [gedaagde] gestelde dekkingsprobleem blijkt daaruit niet. Dat de verzekering niet toereikend was is gesteld noch gebleken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de manege tijdens de huurkoopperiode dan ook deugdelijk tegen brand- en stormschade verzekerd is geweest. De bodemrechter heeft overwogen dat Stichting Ruiterbelangen de schademeldingen (bestaande uit de brandschade van 17 mei 2013, de stormschade van 15 januari 2014 en de stormschade van 31 maart 2015) naar opstalverzekeraar Univé heeft doorgeleid. Dat Stichting Ruiterbelangen een ondeugdelijke opdracht tot herstel heeft verstrekt en dat de schade door de ingeschakelde derden niet afdoende is hersteld, waardoor [gedaagde] gevolgschade heeft geleden, heeft [gedaagde] weliswaar gesteld, maar is door haar niet onderbouwd.

4.8.

De voorzieningenrechter deelt niet het standpunt van [gedaagde] dat op de schadevergoedingsvordering in de bodemprocedure te weinig focus is gericht. De rechtbank is in haar vonnis van 23 november 2016 uitvoerig ingegaan op de schadevergoedingsvordering uit hoofde van de opstalverzekering. Zij heeft in dit kader overwogen dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen om haar vorderingen uit hoofde van de opstalverzekering nader te onderbouwen. Daarbij is expliciet overwogen dat de foto’s die door [gedaagde] zijn overgelegd en waarnaar zij verwijst, in dat verband niet volstaan. [gedaagde] beroept zich ter onderbouwing van haar stelling dat er op goede gronden conservatoir beslag is gelegd op dezelfde stukken die reeds voorhanden waren tijdens de bodemprocedure en die de bodemrechter mede tot het oordeel hebben geleid dat [gedaagde] haar schadevergoedingsvordering onvoldoende heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter komt thans op basis van diezelfde stukken en de nieuwe stukken die [gedaagde] in het kader van de kort gedingprocedure nog in het geding heeft gebracht, te weten een expertiserapport van een dakdekker en een schrijven van een weggelopen klant van [gedaagde] , niet tot een ander oordeel dan de bodemrechter. Ook de voorzieningenrechter is van oordeel dat de schadevergoedingsvordering van [gedaagde] onvoldoende is onderbouwd. Uit de omstandigheid dat verlof is verleend voor het leggen van conservatoir beslag tot € 125.000,-, volgt niet dat daarmee de door [gedaagde] gestelde vordering deugdelijk is. Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat verlof tot het leggen van beslag na summier onderzoek wordt verleend, en dat zonodig eerst in een door de beslagene aan te spannen opheffingskort geding, op de wijze zoals beschreven onder 4.2 wordt beoordeeld of er gronden zijn om het beslag op te heffen.

4.9.

Dat [gedaagde] belang heeft bij het handhaven van het beslag op de manege voor het geval de schadevergoedingsvordering in hoger beroep zou worden toegewezen, staat buiten kijf. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt echter het belang van Stichting Ruiterbelangen bij het effectueren van de verkoop van de manege zwaarder dan het belang van [gedaagde] . Ter zitting is door [gedaagde] de mogelijkheid van een faillissement van Stichting Ruiterbelangen opgeworpen. Gesteld noch gebleken is echter dat de financiële positie van Stichting Ruiterbelangen dusdanig slecht is dat een faillissement te verwachten valt. In tegendeel. Met de verkoop van de manege voor een bedrag van

€ 575.000,-, wordt een overwaarde gerealiseerd, zodat er vermogen is waarop [gedaagde] zich zou kunnen verhalen, mocht zij in hoger beroep in het gelijk worden gesteld. De gestelde vrees voor verduistering is door [gedaagde] niet nader geconcretiseerd, zodat hierin evenmin een reden is gelegen om het beslag op de manege te laten rusten.

4.10.

Alles afwegende ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de vordering van Stichting Ruiterbelangen tot opheffing van het conservatoir beslag op de manege als volgt toe te wijzen.

4.11.

De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als na te melden.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Ruiterbelangen worden begroot op:

- dagvaarding € 97,31

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.531,31

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het beslag dat is gelegd op de onroerende zaak aan de

Haaksbergerstraat 1045 en 1047 (7548 PB) te Enschede,

5.2.

verbiedt [gedaagde] om, totdat in hoger beroep eindarrest is gewezen, na opheffing van het beslag opnieuw beslag te leggen op voornoemde onroerende zaak aan de Haaksbergerstraat 1045 – 1047 te (7548 PB) Enschede, zulks op straffe van het verbeuren van een dwangsom ter grootte van € 1.000,- per dag door [gedaagde] aan Stichting Ruiterbelangen, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt, indien [gedaagde] handelt in strijd met dit verbod,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, daarover de wettelijke rente ex artikel 6:119 van het Burgerlijke Wetboek (BW) is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening. De kosten aan de zijde van Stichting Ruiterbelangen worden tot op deze uitspraak begroot op € 1.531,31,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening, indien en voor zover gedaagde niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, [gedaagde] daarover de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op

15 augustus 2017.1

1 type: coll: