Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3197

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
08/770051-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 33-jarige man uit Almelo tot 12 maanden cel en tbs met dwangverpleging voor een gewapende winkeloverval in Almelo op 27 januari 2017. Terwijl de twee medeverdachten in de vluchtwagen bleven, liep de man met een bivakmuts over zijn gezicht de winkel in en pleegde de overval. De 33-jarige is verminderd toerekeningsvatbaar. Tbs met dwangverpleging is noodzakelijk vanwege de grote kans op herhaling en eerdere mislukte behandelingen. De mannen moeten schadevergoedingen betalen van in totaal ruim 4500 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: (P) 08/770051-17

Datum vonnis: 11 augustus 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in de PPC te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Hoekstra en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet in vereniging een overval heeft gepleegd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 27 januari 2017, in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (in/tijdens haar functie van/als medewerker/eigenaresse) heeft gedwongen tot de afgifte van (een) (hoeveelheid) geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel] (gelegen aan het [adres] ) en/of aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- voorzien van een geheel of gedeeltelijk voor/over zijn/hun hoofd/gezicht getrokken capuchon/(bivak)muts, althans (in ieder geval) voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt gezicht - zich naar/in voornoemde winkel ( [winkel] ) heeft/hebben begeven en/of

- ( vervolgens) (daarbij) (aan) die [slachtoffer 1] en/of aan een of meer (aldaar) in die winkel ( [winkel] ) aanwezige perso(o)n(en) (waaronder de eigenaar, genaamd [slachtoffer 2] ) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond/voorgehouden en/of

- ( vervolgens) voornoemd pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp op die [slachtoffer 1] en/of op die andere aanwezige perso(o)n(en) (waaronder de eigenaar, genaamd [slachtoffer 2] ) heeft/hebben gericht (gehouden) en/of

- ( vervolgens) (daarbij) (naar/in de richting van) die [slachtoffer 1] heeft/hebben meegedeeld/geroepen: "Overval, geld, geld" en/of "Geld, geld alles" en/of "geld, geld, godverdomme geld", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- ( vervolgens) heeft die [slachtoffer 1] (telkens) (een) (hoeveelheid) (brief)geld uit de kassa(lade) gepakt/gehaald en/of dit/deze (telkens) in een – door verdachte(n) verstrekte - (plastic)tas (welke verdachte(n) (reeds) op de balie/toonbank had(den) (neer)gezet) gestopt en/of

- ( vervolgens) heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemd(e) - met (brief)geld gevulde - (plastic) tas meegenomen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die daarbij worden genoemd.

Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Oost-Nederland, districtsrecherche Twente met als dossiernummer ON2RO17012 van 28 februari 2017. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

4.1

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte het tenlastegelegde feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.

Als bewijsmiddelen daarvoor gelden:

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv);

2. Het proces-verbaal van aangifte van 27 januari 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] , blz. 123-125;

3. Het proces-verbaal van aangifte van 27 januari 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , blz. 129-132.

4.2

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 januari 2017, in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (medewerkster/eigenaresse) heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [winkel] , gelegen aan het [adres] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte:

- voorzien van een over zijn hoofd getrokken bivakmuts, zich met zijn mededaders naar voornoemde winkel ( [winkel] ) heeft begeven en

- vervolgens in die winkel aan die [slachtoffer 1] en aan de aldaar in die winkel aanwezige personen, waaronder de eigenaar, genaamd [slachtoffer 2] , een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond/voorgehouden en

- vervolgens voornoemd op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en die andere aanwezige personen, waaronder de eigenaar [slachtoffer 2] , heeft gericht gehouden en

- daarbij naar die [slachtoffer 1] heeft geroepen: "overval, geld, geld" en "geld, geld, alles" en "geld, geld, godverdomme geld", en

- vervolgens heeft die [slachtoffer 1] briefgeld uit de kassa(lade) gepakt en dit in een – door verdachte verstrekte – plastictas, welke verdachte reeds op de balie/toonbank had neergezet, gestopt en

- vervolgens heeft verdachte samen met zijn mededaders, voornoemde - met briefgeld gevulde - plastic tas meegenomen.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd en tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, wat betreft de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, en zich op het standpunt gesteld dat naast de oplegging van de (noodzakelijk geachte) maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, volstaan dient te worden met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor strafoplegging de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Daarin staat dat bij een overval met licht geweld en/of bedreiging een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren past en dat (onder meer) recidive strafverhogend kan werken.

Verdachte is, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatiedienst meermalen veroordeeld, ter zake van delicten waarbij de geweldscomponent meerdere keren nadrukkelijk naar voren komt, zoals bij de veroordeling van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juni 2014, waarbij verdachte ter zake van afpersing (eveneens een overval) werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Verdachte heeft zich thans wederom schuldig gemaakt aan een overval op een winkel. Daartoe hebben verdachte en zijn mededaders weloverwogen een winkel uitgekozen van welke plaats delict men ook snel en eenvoudig weg kon komen. Verdachte en zijn mededaders zijn met de auto van een mededader voorbij die winkel gereden en eerst toen gestopt, waarna verdachte zich onherkenbaar heeft gemaakt door een bivakmuts over zijn hoofd te trekken. Verdachte is vervolgens de winkel binnengegaan, heeft de aanwezigen in die winkel bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en onder het schreeuwen van ‘overval, geld, geld, geld alles’ de echtgenote van de eigenaar van die winkel gedwongen geld af te staan om vervolgens in de gereedstaande auto met zijn mededaders de plaats van het delict te verlaten en zich in die auto om te kleden en daarna zich te ontdoen van de bivakmuts en donkere kleding, teneinde herkenning te voorkomen.

Dat het feit grote impact heeft gehad op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] blijkt wel uit de door hen opgestelde (en door de voorzitter ter zitting voorgedragen) slachtofferverklaringen.

De ervaring leert in het algemeen dat slachtoffers van dit soort misdrijven daarvan nog langdurig nadelige lichamelijke en/of psychische gevolgen ondervinden. Ook in het onderhavige geval is komen vast te staan dat deze ondernemer en zijn echtgenote door dit misdrijf diep zijn getroffen.

Door het plegen van een gewapende overval hebben verdachte en zijn mededaders geen enkel respect getoond voor andermans eigendom en hebben verdachte en zijn mededaders door hun handelen de gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij ondernemers en in de maatschappij versterkt.

De rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook ernstig aan.

Omtrent verdachte is op 12 mei 2017 gerapporteerd door de deskundige H.E.M. van Beek, psychiater, en op 20 mei 2017 door D. Breuker, forensisch psycholoog.

De deskundigen hebben onder meer het volgende bevonden en geconcludeerd.

De psychiater Van Beek:

Onderzochte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de

vorm van ADHD, gecombineerd beeld; stoornis in het gebruik van amfetamine, ernstig, thans in een gereguleerde omgeving; stoornis in het cannabisgebruik, ernst: matig, thans in een gereguleerde omgeving. Daarnaast is er sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was dit hetzelfde.

De eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde.

Het tenlastegelegde vond plaats door het impulsief handelen van onderzochte, hetgeen ten grondslag ligt aan zijn ADHD-problematiek. Daarnaast is hij afhankelijk van

amfetamine om zijn onrust te bestrijden. Dit in combinatie met zijn antisociale

persoonlijkheidsstoornis, waarbij hij nagenoeg geen empathie heeft voor zijn slachtoffers

en ook geen spijt heeft van zijn daden, heeft geleid tot het tenlastegelegde.

Geadviseerd wordt om onderzochte het hem tenlastegelegde voor zover dat zij bewezen, verminderd toe te rekenen.

Hoewel onderzochte impulsief handelde en weinig remmingen heeft tijdens het tenlastegelegde, heeft hij dit gedaan om aan geld te komen voor zijn middelengebruik. Hij heeft dus in enige mate grip op zijn handelen.

Onderzochte heeft geen ziektebesef en ook geen ziekte-inzicht. Daarnaast is er sprake van een gering empathisch vermogen. Zelf ziet hij ook in, dat de recidivekans op het tenlastegelegde of een soortgelijk delict groot is, indien er geen adequate behandeling volgt.

Er zijn nagenoeg geen beschermende functies in de persoonlijkheid of functioneren.

Van belang is, dat niet alleen zijn ADHD-problematiek adequaat behandeld wordt, maar ook zijn verslavingsproblematiek. Voorts is van belang, dat hij na de klinische behandeling niet meer terugkeert naar zijn kameraden in het criminele en drugscircuit.

Al deze factoren en condities kunnen elkaar negatief beïnvloeden.

Om de kans op recidive van het tenlastegelegde of een soortgelijk delict te beperken is een intensieve klinisch-psychiatrische behandeling in een gesloten setting voor de duur van waarschijnlijk meer dan een jaar noodzakelijk.

TBS met voorwaarden is daarbij niet aangewezen, aangezien onderzochte in het recente verleden vele malen de voorwaarden bij de behandeling heeft overtreden.

Geadviseerd wordt TBS met dwangverpleging.

De psycholoog D. Breuker:

Betrokkene heeft impulsief het plan opgevat om een gewapende overval te plegen. Hij benoemt naast egocentrische en opportunistische motieven (‘gemakkelijk veel geld’ verkrijgen) ook de grote prikkelzucht en behoefte aan spanning. Er is geen schuld en schaamte. Betrokkene voelt zich van binnenuit niet geremd om het weer te doen. Hij doorvoelt de ernst van het plegen van een overval en het gebruik van een wapen niet aan. Er zijn minder aanwijzingen dat de speedverslaving een bepalende rol heeft gehad in het plegen van het feit.

Geadviseerd wordt om het plegen van het tenlastegelegde feit in een verminderde mate toe te rekenen.

Aspecten die een doorwerkende invloed hebben gehad zijn het gebrek aan empathie en de gebrekkige gewetensfunctie geweest waardoor egocentrische en opportunistische motieven steeds prevaleren en betrokkene geen rekening houdt met zijn omgeving. Daarnaast speelt de aanwezigheid van impulsiviteit en grote behoefte aan spanning (thrill-seeking) een rol. Hij voelt zich mede hierdoor niet geremd maar eerder extra gedreven tot het plegen van spanningsvolle en risicovolle criminele activiteiten.

De kans op geweldsrecidive is hoog.

Betrokkene zegt hulp nodig te hebben omdat hij verwacht dat hij anders gemakkelijk weer zal recidiveren. Dit duidt op enig probleembesef en bereidheid om mee te werken aan een behandeling. Betrokkene heeft aangegeven dat hij niet afwijzend staat tegenover een TBS-kader.

Het gebruik van de ADHD-medicatie zorgt nu voor enige rust, maar het is niet afdoende om hem voldoende stabiel te krijgen. Er is dagelijks ook veel onrust en agitatie over het feit dat hij niet genoeg medicatie krijgt. Het vermoeden is dat dit mede wordt veroorzaakt door zijn drang naar speed wat hij nu niet kan verzadigen.

Tot slot kan als beschermende factor de laaggemiddelde tot gemiddelde intelligentie

worden genoemd. Al met al zijn de beschermende factoren beperkt aanwezig en ook niet consistent.

Betrokkene was vrij recent (december 2016) uit de forensische behandelinstelling Transfore ontslagen, omdat hij na een jaar behandeling in de FPK en FPA, hier onvoldoende van kon profiteren. Drugsmisbruik en het niet nakomen van tijdafspraken waren een terugkerend patroon. Ook verliep de begeleiding moeizaam, omdat hij zich nauwelijks liet sturen in de zaken waar hij volgens het team hulp bij nodig heeft.

Op 6 december 2016 is hij, na een aantal waarschuwingen, gedwongen ontslagen uit de kliniek wegens het herhaaldelijk schenden van de gemaakte afspraken.

De risicofactoren versterken elkaar op negatieve wijze. Dit geldt vooral voor de

impulsiviteit en de prikkelzucht.

Betrokkene heeft een intramurale behandeling nodig voor de lastig te beïnvloeden en complexe combinatieproblematiek in een rustige, overzichtelijke en stevig gestructureerde behandelsetting als die van een TBS-kliniek. Alleen door middel van een dergelijke langdurende behandeling, wordt verwacht dat de kans op geweldsrecidive kan worden verlaagd.

Naar aanleiding van dit onderzoek wordt geadviseerd om betrokkene een behandeling op te leggen vanwege de ernstige persoonlijkheidspathologie en hoge recidivekans in een

TBS-kliniek middels oplegging van een TBS maatregel met dwangverpleging.

Meerdere detenties en behandeling opgelegd in een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) of forensisch psychiatrische afdeling (FPA) hebben niet geleid tot stabilisering van de problematiek. Betrokkene is na gedwongen ontslag binnen drie maanden gerecidiveerd met het huidige geweldsdelict.

Het is gebleken dat hij niet in staat is zich te conformeren aan een minder dwingend voorwaardelijk kader. Het is ook duidelijk dat hij baat heeft bij een zeer stevige behandelstructuur met weinig tot geen vrijheden. Dit kan hem in een voorwaardelijk kader onvoldoende worden geboden. Zodra er enige ruimte komt voor zelfbepalend gedrag, is hij geneigd tot het maken van onverantwoordelijke, egocentrische en deviante gedragskeuzes, zo ook tijdens zijn opname bij Transfore. Betrokkene wil behandeling en zegt dit ook nodig te hebben, maar ondertussen is hij geneigd zijn eigen problematiek en delictgedrag te onderschatten en af te zwakken. Op basis van het onderzoek wordt verwacht dat hij kan profiteren van een behandeling in het kader van een TBS met dwangverpleging.

De rapporten van de deskundigen zijn naar het oordeel van de rechtbank grondig onderbouwd, terwijl de conclusies volgen uit de bevindingen van de deskundigen. De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Zij maakt die conclusie tot de hare, mede gelet op wat de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting omtrent de persoon van verdachte is gebleken.

Door de deskundigen wordt geadviseerd de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Aan de wettelijke voorwaarden daarvoor is voldaan. Er zijn adviezen van gedragsdeskundigen van twee verschillende disciplines die niet ouder zijn dan een jaar. Op het door verdachte begane feit staat naar de wettelijke omschrijving een straf van meer dan vier jaren. Ten tijde van dit feit bestond bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist zowel de terbeschikkingstelling als de verpleging van overheidswege. De rechtbank wijst in dit verband op de ernst van het gepleegde feit, de grote kans op herhaling en de eerdere mislukte (ambulante) behandelingen.

De rechtbank overweegt dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 359, zevende lid, Sv, te weten afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.

Omtrent verdachte is op 27 maart 2017 gerapporteerd door de reclasseringswerker J. Zwart, werkzaam bij de Reclassering Nederland.

Bij de vaststelling van na te melden straf en maatregel heeft de rechtbank ook acht geslagen op de inhoud van dit rapport.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een straf en maatregel, gelijk aan de eis van de officier van justitie, passend en geboden is.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

1. [slachtoffer 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.367,80 (tweeduizenddriehonderd en zevenenzestig euro en 80/100 cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- slaapmedicatie: € 15,24

- kalmeringsmiddel € 41,64

- eigen risico € 310,92.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.000,00 gevorderd.

2. [slachtoffer 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.550,00 (duizendvijfhonderd en vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De schade bestaat uit de post immateriële schade.

3. [winkel] Almelo, vertegenwoordigd door [slachtoffer 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.739,82 (zesduizendzevenhonderd en negenendertig euro en 82/100 cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- parkeerkosten: € 10,40

- reiskosten: € 15,68

- winstderving: € 399,00

- loonkosten: € 6.214,74

- geld: € 620,00 (af: teruggave van € 520,00): € 100,00.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie vorderingen voldoende zijn onderbouwd en aannemelijk gemaakt en dat de vorderingen geheel kunnen worden toegewezen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2017 en telkens met oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet betwist en zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen geheel kunnen worden toegewezen. De civiele vordering van [winkel] wordt alleen betwist wat betreft de post ‘loonkosten’. De verdediging is van mening dat er bij deze post meerdere onduidelijkheden zijn, zoals het op voorhand aanstellen van een vervanger voor een periode van zeven maanden, zodat de vordering wat betreft deze post niet van zodanig eenvoudige aard is dat het zich leent voor een behandeling in het kader van de strafzaak.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. Voor zover de vorderingen zullen worden toegewezen zal de rechtbank deze hoofdelijk toewijzen.

Wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd, aannemelijk en niet betwist.

De rechtbank zal de vorderingen daarom toewijzen tot de gevorderde bedragen van respectievelijk € 2.367,80 ( [slachtoffer 2] ) en € 1.550,00 ( [slachtoffer 1] ), telkens te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Wat betreft de vordering van de benadeelde partij [winkel]

De opgevoerde schadeposten zijn, met uitzondering van de post ‘loonkosten’, voldoende onderbouwd, aannemelijk en niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 525,08, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ten aanzien van de onder de post ‘loonkosten’ opgevoerde schade is de rechtbank van oordeel dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of die voor vergoeding in aanmerking komt en de beoordeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel (€ 6.214,74) niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd telkens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal telkens de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 37a en 37b Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd;

schadevergoedingen

- bepaalt dat de benadeelde partij [winkel] voor een deel van € 6.214,74 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [winkel] van een bedrag van respectievelijk € 2.367,80, € 1.550,00 en € 525,08, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2017 en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor de gehele bedragen aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, de ander daarvan telkens in zoverre zal zijn bevrijd, om deze bedragen tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partijen;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden telkens begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invorderingen;

- legt telkens de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.367,80, € 1.550,00 en € 525,08 , telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2017 ten behoeve van de benadeelden, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van respectievelijk 33, 25 en 11 dagen zal worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan).

Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichtingen onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoelde bedragen daarmee telkens de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partijen het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partijen het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee telkens de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. G. van Eerden en

mr. A. Skerka, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2017.