Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3194

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
08/730230-17, 08/036268-16 (tul) en 08/251700-16 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 24-jarige man is veroordeeld tot 8 maanden celstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden en 600 euro boete. Ook verliest hij voor 1,5 jaar zijn rijbevoegdheid.

De man reed onder invloed van alcohol en drugs, zonder rijbewijs, op de A35 in een gestolen auto. Met hoge snelheid probeerde hij een achtervolgende politieauto af te schudden. Hij bedreigde de agenten door herhaaldelijk in de richting van de naast hem rijdende politieauto te sturen en die ook te raken. De man is vrijgesproken van poging doodslag en poging zware mishandeling.

Verder moet de man 50 uur taakstraf uitvoeren van eerdere voorwaardelijk opgelegde straffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/730230-17, 08/036268-16 (tul) en 08/251700-16 (tul) (P)

Datum vonnis: 11 augustus 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in HvB Ooyerhoekseweg te Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.P. Revis en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: met hoge snelheid tegen een politieauto met daarin twee politieagenten is aangereden, waarmee hij zich primair schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, subsidiair aan poging tot zware mishandeling en meer subsidiair aan bedreiging, telkens van die twee politieagenten;

feit 2: primair, een auto heeft geheeld, dan wel, subsidiair, een auto heeft weggenomen;

feit 3: cocaïne aanwezig heeft gehad;

feit 4: primair, onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd, dan wel, subsidiair, een auto heeft bestuurd onder invloed van een stof waarvan hij weet dat het de rijvaardigheid vermindert;

feit 5: zonder rijbewijs in een auto heeft gereden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 21 april 2017 op het traject Enschede - Rijssen, althans de Rijksweg A35, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] , hoofdagent van politie en/of [slachtoffer 2] , agent van politie opzettelijk van het leven te beroven, meermalen althans eenmaal als bestuurder van een auto

(Toyota, type Aygo) met ongeveer 130 km/u, in ieder geval met (zeer) hoge

snelheid tegen de (politie)auto (Volkwagen Touran), waarin die [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] zich bevonden en/of die als inzittende(n) van die (politie)auto met

(ongeveer) dezelfde (zeer) hoge snelheid reden naast en/of in de zeer nabije

omgeving van de auto, waarin verdachte als bestuurder zat, (telkens) is aan-

en/of ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 21 april 2017 op het traject Enschede - Rijssen, althans de Rijksweg A35, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] , hoofdagent van politie en/of [slachtoffer 2] , agent van politie opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal als bestuurder van een auto (Toyota, type Aygo) met ongeveer 130 km/u, in ieder geval met

(zeer) hoge snelheid tegen de (politie)auto (Volkwagen Touran), waarin die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden en/of die als inzittende(n) van die

(politie)auto met (ongeveer) dezelfde (zeer) hoge snelheid reden naast en/of

in de zeer nabije omgeving van de auto, waarin verdachte als bestuurder zat,

(telkens) is aan- en/of ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 21 april 2017 op het traject Enschede - Rijssen, althans de Rijksweg A35, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 1] , hoofdagent van politie en/of [slachtoffer 2] , agent van politie heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers is verdachte meermalen, althans eenmaal opzettelijk

dreigend als bestuurder van een auto (Toyota, type Aygo) met ongeveer 130

km/u, in ieder geval met (zeer) hoge snelheid tegen de (politie)auto

(Volkwagen Touran), waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden en/of die als

inzittende(n) van die (politie)auto met (ongeveer) dezelfde (zeer) hoge

snelheid reden naast en/of in de zeer nabije omgeving van de auto, waarin

verdachte als bestuurder zat, (telkens) is aan- en/of ingereden;

2.

hij op of omstreeks 21 april 2017 te Enschede, althans in Nederland,

een goed, te weten een (personen)auto (Toyota, type Aygo) heeft verworven,

voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving

of het voorhanden krijgen van dit goed wist of redelijkerwijs had moeten

vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 16 april 2017 tot en met 17

april 2017 te Enschede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

(personen)auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen auto onder zijn/haar/hun

bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

3.

hij op of omstreeks 21 april 2017 te Enschede en/of op het traject Enschede-Rijssen, althans op de Rijksweg A35, in ieder geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,37 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 21 april 2017 op het traject Enschede - Rijssen, althans de Rijksweg A35, in ieder geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, ((personen)auto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,45 milligram, in elk geval

hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 4 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 21 april 2017 op het traject Enschede - Rijssen, althans de Rijksweg A35, in ieder geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, ((personen)auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in

combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon

verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

5.

hij op of omstreeks 21 april 2017 op het traject Enschede - Rijssen, althans de Rijksweg A35, in ieder geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Rijksweg A35, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig

behoorde.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

Feit 1

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd zodat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken.

4.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de verklaring van verdachte, de verklaring van aangever verbalisant [slachtoffer 1] , het relaas van verbalisant [slachtoffer 2] en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.1.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, waartoe de raadsman, zakelijk weergegeven, heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij de agenten. Voor zover al sprake zou zijn geweest van het raken van de politieauto door de auto van verdachte, brengt de aard van verdachtes gedraging niet met zich mee dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanwezig is geweest. Verdachte heeft niet de opzet gehad en evenmin geprobeerd om de politieauto van de weg te drukken en indien en voor zover het tot een aanrijding zou zijn gekomen tussen de auto van verdachte en de auto van de politie, zou dat, gelet op de omvang van verdachtes auto (een kleine Toyota Aygo) en het politievoertuig (een zware Volkswagen Touran), hoogstwaarschijnlijk met name voor verdachte zelf ernstige gevolgen hebben gehad. Wat er ook zij van het mogelijk naar links sturen van verdachte, verdachte heeft zijn eigen leven nooit in gevaar willen brengen. In beide gevallen is dan ook geen sprake geweest van voorwaardelijk opzet van verdachte om de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen nu er bij verdachte geen sprake is geweest van een bewuste aanvaarding van de kans dat iemand lichamelijk letsel zou oplopen. De raadsman heeft zich gerefereerd wat betreft een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.

4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van het subsidiair tenlastegelegde stelt de rechtbank het volgende voorop.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Ook zeer gevaarlijke gedragingen in het verkeer kunnen onder omstandigheden (poging tot) zware mishandeling en zelfs doodslag opleveren, met dien verstande dat in een geval waarin de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, de rechter in zijn oordeel dient te betrekken dat - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - naar ervaringsregels niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een botsing met voor hem ernstige lichamelijke gevolgen zal plaatsvinden en ook de verdachte zelf als gevolg van zijn gedraging zwaar lichamelijk letsel zal oplopen en zelfs het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt. Voor het bepalen of sprake is van een aanmerkelijke kans gaat het niet om de waarschijnlijkheid van een ongeval maar om de aanmerkelijke kans op een ongeval met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Daarbij is van belang op welke wijze de confrontatie met het andere voertuig is gezocht en de omstandigheden ter plaatse.

Gelet op de hiervoor weergegeven overweging, beschouwd in samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van de verbalisanten. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat sprake was van twee totaal verschillende voertuigen: een kleine en daarmee lichtere personenauto van verdachte en een grotere en veel zwaardere politiewagen. In geval sprake is van zware voertuigen bestaat in het algemeen een veel lager risico aan een verkeersongeval ernstige lichamelijke gevolgen over te houden dan bij de inzittenden van lichte voertuigen. Vooral in gevallen waarin de auto’s onderling veel in gewicht verschillen, neemt de kans op ernstig letsel van de inzittenden van het lichtere voertuig aanzienlijk toe. Bovendien mag worden aangenomen dat de politieauto met de nodige veiligheidsvoorzieningen is toegerust. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het voorval plaats vond op de snelweg A35, waar van tegemoetkomend verkeer op dezelfde rijbaan geen sprake is, en waar de verbalisanten ter plaatse voldoende ruimte hadden om zich aan een forse aanrijding met mogelijk ernstige gevolgen te onttrekken. Al deze omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Verdachte wordt reeds daarom vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank acht op basis van het relaas van verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen het meer subsidiair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend bewezen. Aan de juistheid en betrouwbaarheid van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de rechtbank geen reden te twijfelen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de bedreiging mede naar de uiterlijke verschijningsvorm van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Verdachte heeft zich, door met hoge snelheid tegen de politieauto waarin verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, te rijden, schuldig gemaakt aan bedreiging van die verbalisanten, welke bedreiging verdachte overigens ter terechtzitting ook heeft bekend.

De rechtbank komt aldus tot bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen te weten:

1.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv;

2.

een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , van 23 april 2017, pagina’s 5 en 6;

3.

een proces-verbaal van bevindingen van 21 april 2017, pagina’s 11 en 12.

Feiten 2 t/m 5

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 2 primair, 3, 4 primair en 5 tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

1.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv

(feiten 2 t/m 5);

2.

een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] d.d. 17 april 2017, pagina’s 56 en 57 (feit 2 primair);

3.

een proces-verbaal van bevindingen van 22 april 2017, pagina 17 (feit 2 primair);

4.

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal “rijden onder invloed” nr. PL0600-2017180281-35 van 27 juni 2017, pagina’s 2 t/m 4 (feit 3 en 4 primair);

5.

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal “onderzoek verdovende middelen” van 1 juni 2017, pagina’s 8 t/m 10 (feit 3);

6.

een als bijlage bij het hiervoor onder 4 genoemd proces-verbaal gevoegd rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van 2 mei 2017, pagina 5 (feit 4 primair);

7.

een uitdraai van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, printdatum 22 april 2017, pagina 55 (feit 5).

4.1.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 21 april 2017 op het traject Enschede - Rijssen, [slachtoffer 1] , hoofdagent van politie en [slachtoffer 2] , agent van politie heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte meermalen, opzettelijk dreigend als bestuurder van een auto (Toyota, type Aygo) met (zeer) hoge snelheid tegen de politieauto (Volkwagen Touran), waarin die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden aan- en/of ingereden;

2.

hij op of omstreeks 21 april 2017 te Enschede, een goed, te weten een personenauto (Toyota, type Aygo) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op 21 april 2017 te Enschede en op het traject Enschede-Rijssen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,37 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op 21 april 2017 op het traject Enschede - Rijssen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,45 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

5.

hij op 21 april 2017 op het traject Enschede - Rijssen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Rijksweg A35, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer subsidiair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285 en 416 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), artikel 10 van de Opiumwet, en de artikelen 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 meer subsidiair

het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 2 primair

het misdrijf: opzetheling;

feit 3

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4 primair

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 5

de overtreding: overtreding van artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake de onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, en 4 primair tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde en met aftrek van het voorarrest, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.

Ter zake het onder 5 tenlastegelegde feit heeft de officier van justitie oplegging gevorderd van een geldboete van € 600,-- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur zes maanden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte, naast een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde, een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.

Met betrekking tot de verkeersdelicten merkt de raadsman op dat die doorgaans worden afgedaan met een geldboete.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij onder invloed van alcohol en drugs, zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs, op de Rijksweg A35 een van diefstal afkomstige auto heeft bestuurd en met die auto rijdend met hoge snelheid heeft getracht verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die hem in hun politieauto achtervolgden, van zich af te schudden teneinde een aanhouding te voorkomen. Bij de in gang gezette pogingen verdachte te doen stoppen heeft verdachte genoemde verbalisanten aan een ernstige vorm van bedreiging blootgesteld door herhaaldelijk met de door hem bestuurde auto in de richting van de politieauto te sturen en daarbij die politieauto te raken. Verdachte heeft met zijn gedrag doen blijken geen respect te hebben voor het openbaar gezag en van een behoorlijke en verantwoorde verkeersdeelname verstoken te zijn. Bovendien pleegde verdachte de feiten terwijl hij nog in twee proeftijden liep. Alles afwegende acht de rechtbank voor de door verdachte gepleegde misdrijven, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde passend en geboden. Daarnaast dient naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid ter zake het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde feit te worden opgelegd, nu verdachte zijn auto als wapen tegen politieagenten heeft ingezet.

Voor de bewezenverklaarde overtreding legt de rechtbank aan verdachte een geldboete en een ontzegging van de rijbevoegdheid op, waarbij de rechtbank, bij het bepalen van de hoogte van de geldboete, rekening heeft gehouden met de ter terechtzitting gebleken draagkracht van verdachte.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 3] , wonende te [adres] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.631,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit betreft materiële schade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de raadsman stellen zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering nu er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het onder 2 primair bewezen verklaarde feit en de door de benadeelde partij geleden schade.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is niet komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij, zodat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

9 De vorderingen tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de aan verdachte bij vonnissen van de politierechter Overijsel van 18 april 2016 en 15 maart 2017 voorwaardelijk opgelegde taakstraffen van respectievelijk 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis en 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, zullen worden tenuitvoergelegd.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van de officier van justitie moeten worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 62 en 91 Sr en artikel 178, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer subsidiair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 meer subsidiair

het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 2 primair

het misdrijf: opzetheling;

feit 3

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4 primair

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 5

de overtreding: overtreding van artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 meer subsidiair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte ter zake de onder 1 meer subsidiair, 2 primair, 3 en 4 primair bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van vier (4) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten:

- kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van drie (3) jaren de navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- ontzegt verdachte ter zake feit 1 meer subsidiair de bevoegdheid motorrijtuigen te

besturen voor de duur van 1 (één) jaar;

- veroordeelt verdachte ter zake het onder 5 bewezen verklaarde feit tot betaling van een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 3] , wonende te [adres] , niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van 19 augustus 2017. Dit bevel is afzonderlijk is geminuteerd;

tenuitvoerleggingen voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 18 april 2016 met parketnummer 08/036268-16 voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 15 maart 2017 met parketnummer 08/251700-16 voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Skerka, voorzitter, mr. G. van Eerden en

mr. B.W.M. Hendriks, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2017184303 Z van 23 april 2017. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.