Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3179

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
C/08/204770 / KG ZA 17-232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing executoriaal beslag. Misbruik van executiebevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/204770 / KG ZA 17-232

Vonnis in kort geding van 21 juli 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. J.W. Haafkes te Hengelo Ov,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. T. Hermans te Enschede.

Partijen zullen hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de producties van [gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest.

2.2.

In het kader van de echtscheidingsprocedure bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo is een aantal beschikkingen gewezen, waaronder:

- een tussenbeschikking op 29 april 2016 ter zake de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden waarbij een deskundige is benoemd;

- een eindbeschikking op 14 februari 2017 ter zake de afstorting van het pensioen, waarbij [gedaagde] is veroordeeld om ter zake ouderdomspensioen een bedrag van € 155.411,00 te voldoen in zes maandelijkse termijnen van € 25.902,00;

- alsmede een eindbeschikking op 19 mei 2017 (hierna ook te noemen: de beschikking) ter zake de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden en de vaststelling van definitieve kinder- en partneralimentatie, waarbij partijen over en weer een aantal bedragen aan elkaar dienen te voldoen.

2.3.

[eiseres] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van 29 april 2016 en 14 februari 2017.

2.4.

Op 23 juni 2017 heeft de deurwaarder in opdracht van [gedaagde] uit hoofde van de beschikking van 19 mei 2017 executoriaal derdenbeslag laten leggen onder Rabobank op alle gelden van [eiseres] die de Rabobank onder zich heeft.

2.5.

Op 14 juli 2017 heeft de deurwaarder in opdracht van [gedaagde] een herstelexploot uitgebracht, waarbij het bedrag waarvoor beslag is gelegd, is gecorrigeerd in een bedrag in hoofdsom van € 33.822,50. Het herstelexploot is op 18 juli 2017 betekend aan [eiseres] .

3 De vordering en de standpunten van partijen

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de door [gedaagde] gelegde executoriale beslagen opheft, dan wel de executie door [gedaagde] schorst tot het moment dat de beschikking van 19 mei 2017 van deze rechtbank, locatie Almelo in kracht van gewijsde is gegaan;

II. [gedaagde] verbiedt tot verdere executie van de beschikking van 19 mei 2017 van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo tot het moment dat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het door [gedaagde] gelegde beslag vexatoir is, nu er beslag is ingelegd voor een aanzienlijk hogere vordering dan opeisbaar is. Het totale bedrag dat uit hoofde van de beschikking van 19 mei 2017 opeisbaar is voor [gedaagde] bedraagt € 33.822,50. Uit dezelfde beschikking komt [eiseres] echter eveneens een groot bedrag toe, namelijk een bedrag van € 31.520,38, waaronder de helft van de waarde van de polis Reaal/Zwitserleven en de waarde van de polis Metaal & Techniek. Per saldo zou [gedaagde] dan ook een bedrag van € 2.311,63 toekomen. Zij beroept zich ter zake dan ook op verrekening. [eiseres] lijdt schade door het gelegde beslag. Al haar bankrekeningen zijn geblokkeerd. [eiseres] kan niet meer voorzien in de kosten van haar levensonderhoud en evenmin in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen, [X] . Er is voor [gedaagde] geen enkele noodzaak om thans tot executie over te gaan.

3.3.

[gedaagde] betwist dat er sprake is van een vexatoir beslag. Aanvankelijk was er beslag gelegd voor een hoofdsom van € 55.938,50, maar de deurwaarder heeft op 14 juli 2017 een herstelexploot uitgebracht en beslag gelegd voor een bedrag in hoofdsom van € 33.822,50. Aan [eiseres] komt uit hoofde van de beschikking een bedrag toe van € 11.054,50 en niet van € 31.520,38, zodat [eiseres] aan [gedaagde] nog zou moeten betalen een bedrag van

€ 22.768,00. De vorderingen van [eiseres] uit hoofde van de polis Reaal/Zwitserleven en de polis Metaal & Techniek zijn nog niet opeisbaar en dus niet voor executie vatbaar. In de beschikking is niets opgenomen over de (wijze van) afwikkeling van beide polissen. [gedaagde] heeft voorgesteld om tot verrekening over te gaan, maar [eiseres] heeft dit voorstel afgewezen. [gedaagde] heeft dan ook het recht om beslag te leggen.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord is of de voorzieningenrechter de schorsing van de executie dient te bevelen - zoals door de

[eiseres] gevorderd - van de jegens [eiseres] uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 19 mei 2017 van deze rechtbank.

4.2.

Voorop staat dat de executant de bevoegdheid toekomt tot tenuitvoerlegging van een ten gunste van hem gewezen vonnis, tenzij sprake is van misbruik van executiebevoegdheid. [gedaagde] beschikt over een dergelijke titel. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de uitspraak, ook al is deze nog niet definitief vanwege de nog openstaande appèltermijn, executoriale kracht behoudt in het geval hoger beroep wordt ingesteld.

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is echter sprake van misbruik van executiebevoegdheid aan de zijde van [gedaagde] . Gelet op hetgeen in deze procedure naar voren is gekomen, is er een aanmerkelijke kans dat [eiseres] uit hoofde van de beschikkingen die in het kader van de echtscheidingsprocedure tussen partijen zijn gewezen en (in hoger beroep) nog zullen worden gewezen, uiteindelijk meer te vorderen heeft dan [gedaagde] . Immers, het dictum van de beschikking van 19 mei 2017 is complex en betreft aan [eiseres] toebedeelde vermogensbestanddelen, waarvan de waarde nog niet is vastgesteld.

4.4.

[gedaagde] heeft in dat kader de stelling van [eiseres] dat haar vordering op [gedaagde] hoger is dan de vordering van [gedaagde] op [eiseres] , niet dan wel onvoldoende weersproken. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat tenuitvoerlegging van de beschikking voor [eiseres] een noodtoestand doet ontstaan; het beslag kleeft immers aan de tegoeden op al haar bankrekeningen. Het reeds nu al executeren van de beschikking in het voordeel van [gedaagde] , moet dan ook als onredelijk worden aangemerkt en kan niet worden aanvaard.

Dat [eiseres] , zoals [gedaagde] heeft gesteld, zijn voorstel tot verrekening niet wil aanvaarden, maakt het voorgaande niet anders.

4.5.

Dit leidt ertoe dat de gevorderde opheffing van de door [gedaagde] gelegde executoriale beslagen zal worden toegewezen.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het gevorderde verbod tot het treffen van verdere executiemaatregelen eveneens zal worden toegewezen. Zekerheidshalve zal de gevorderde dwangsom worden toegewezen. De dwangsom wordt gemaximeerd.

4.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 97,31

- griffierecht 287,00

- salaris advocaat 527,00

Totaal € 911,31.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de door [gedaagde] gelegde executoriale beslagen tot het moment dat de

beschikking van 19 mei 2017 van deze rechtbank, locatie Almelo in kracht van gewijsde is

gegaan;

5.2.

verbiedt [gedaagde] tot verdere executie van de beschikking van 19 mei 2017 van de

rechtbank Overijssel, locatie Almelo tot het moment dat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,-,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 911,31,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2017.1

1type: coll: