Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3161

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
AK_ZWO_17_856
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen vanaf 12 april 2018; enkele toetsing aan de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) niet aan te merken als een deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last bij eiseres; enkel gekeken naar het inkomen van eiseres op 64,5-jarige leeftijd; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/856

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: W.F.K. ter Hennepe,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: K. van Ingen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 23 februari 2017 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 mei 2017 (bestreden besluit II) heeft verweerder bestreden besluit I ingetrokken en – met een gewijzigde motivering – het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op 12 april 1952, heeft op 7 januari 2017 bij verweerder een aanvraag voor AOW-pensioen ingediend.

Hierop heeft de besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2. In bestreden besluit II is overwogen dat aan eiseres vanaf 12 april 2018 een AOW-pensioen wordt toegekend. Hierbij is betrokken dat de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd in verband met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd op 1 januari 2013 in werking is getreden. Met deze wet is artikel 7a van de AOW aangepast. Verweerder heeft tevens beoordeeld of eiseres door de wijziging van de ingangsdatum van haar AOW-pensioen en de verhoging van de AOW-leeftijd een onevenredig zware last draagt. Volgens verweerder zijn bij deze beoordeling de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) doorslaggevend. Nu eiseres geen overbruggingsuitkering kan krijgen, is volgens verweerder geen sprake van een onevenredig zware last.

3. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte geen gedegen feitenonderzoek heeft verricht bij de beoordeling of sprake is van een onevenredig zware last. Verweerder heeft zich slechts op inkomensgegevens gebaseerd waarbij niet duidelijk is wat de herkomst van die gegevens is. Verder is eiseres van mening dat het bij de toetsing van de onevenredig zware last niet slechts kan gaan om de hoogte van het inkomen in enige maand. Meerdere factoren zouden in deze toets meegewogen moeten worden. Volgens eiseres had de toereikende opvang van het inkomensverlies in feitelijke zin onderzocht moeten worden. Voorts zou de toets moeten aansluiten bij het moment dat de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt en niet bij 64,5 jaar. Eiseres is ten slotte van mening dat met hantering van verweerders beleidsregel indirect inkomenspolitiek wordt bedreven, wat volgens haar niet thuishoort in de toets naar de onevenredig zware last.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Nu verweerder bestreden besluit I heeft ingetrokken en eiseres geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van dit besluit, moet het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk worden verklaard. Het beroep van eiseres wordt met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II, aangezien verweerder hiermee niet aan haar bezwaren is tegemoet gekomen.

4.2

Met betrekking tot bestreden besluit II wordt als volgt overwogen.

4.3

De juistheid van de inkomensgegevens van eiseres is niet (langer) in geding.

4.4

Op grond van artikel 7a van de AOW zijn met ingang van 1 januari 2013 de pensioengerechtigde leeftijd (voorheen 65 jaar) en de aanvangsleeftijd (voorheen 15 jaar) per leeftijdscohort opgeschoven. Als gevolg van deze wetswijziging is het

AOW-pensioen van eiseres twaalf maanden later ingegaan dan voor de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd het geval zou zijn geweest.

4.5

Eiseres heeft onder meer een beroep gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol (Eerste Protocol) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit artikel luidt in de Nederlandse vertaling:

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

4.6

Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in enkele uitspraken van 18 juli 2016 (onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:2613 en ECLI:NL:CRVB:2016:2609) heeft overwogen, is met de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de aanvangsleeftijd sprake van inmenging in het eigendomsrecht van een betrokkene.

De CRvB heeft hierbij geconcludeerd dat de verhoging van de AOW-leeftijd in het algemeen proportioneel te achten is en in het algemeen niet leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Dit laat onverlet dat het mogelijk is dat door de wetswijziging in concrete gevallen sprake is van een onevenredig zware last als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en daarmee van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Of er sprake is van een onevenredig zware last moet van geval tot geval op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beoordeeld, aldus de CRvB.

4.7

Verweerder heeft het onderzoek naar een eventuele onevenredig zware last bij eiseres ingevuld door te toetsen aan de voorwaarden van de OBR. Volgens het gevoerde beleid is sprake van een onevenredig zware last als een betrokkene een overbruggingsuitkering kan krijgen. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat verweerder overgaat tot toetsing aan de voorwaarden van de OBR wanneer iemand in bezwaar gaat en daarbij stelt een onevenredig zware last te moeten dragen.

4.8

Bij de beoordeling van de situatie van eiseres heeft verweerder vastgesteld dat het inkomen van eiseres in de maand waarin zij 64,5 jaar werd, hoger was dan € 3.074,40 bruto. Daarom kan zij geen overbruggingsuitkering krijgen. Op grond daarvan heeft verweerder geconcludeerd dat de verhoging van de AOW-leeftijd bij eiseres niet leidt tot een onevenredig zware last.

4.9

Het EHRM heeft in het arrest van 13 december 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013, zaaknummer 53080/13), over artikel 1 van het Eerste Protocol en voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

“In addition, Article 1 of Protocol No. 1 requires that any interference be reasonably proportionate to the aim sought to be realised (see Jahn and Others/Germany [GC], 46720/99, 72203/01 and 72552/01, §§ 81-94, ECHR 2005-VI). The requisite fair balance will not be struck where the person concerned bears an individual and excessive burden.

(…)

The Court reiterates that the deprivation of the entirety of a pension is likely to breach the provisions of Article 1 of Protocol No. 1 and that, conversely, reasonable reductions to a pension or related benefits are likely not to do so. However, the fair balance test cannot be based solely on the amount or percentage of the reduction suffered, in the abstract. In a number of cases the Court has endeavoured to assess all the relevant elements against the specific background.”

4.10

Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele toetsing aan de voorwaarden van de OBR niet aan te merken als een deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last bij eiseres. Bij verweerders toetsing is enkel gekeken naar het inkomen van eiseres op 64,5 jarige leeftijd. De rechtbank is van oordeel dat ook andere omstandigheden dan enkel het inkomen op dit specifieke moment van belang kunnen zijn bij de beoordeling of eiseres een onevenredig zware last draagt doordat haar AOW-pensioen twaalf maanden later is ingegaan. Door uitsluitend te toetsen aan de voorwaarden van de OBR vallen veel omstandigheden buiten de beoordeling, zoals bijvoorbeeld iemands (vaste) lasten, het vermogen waarover iemand beschikt of eventuele andere effecten van de gewijzigde inkomenspositie. Hiermee voldoet verweerders beoordeling niet aan de eisen, zoals die bijvoorbeeld in voormelde passage van het EHRM zijn geformuleerd, te weten een beoordeling van alle relevante elementen tegen de specifieke achtergrond van de betrokkene. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. Wat betreft de kosten in beroep veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op € 990,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 495,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt bestreden besluit II;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 990,-- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.R. Schimmel, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en mr. W.R.H. Lutjes, leden, in aanwezigheid van mr. drs. H. Richart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.