Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3122

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
5997210 \ HA VERZ 17-80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ. Ontslag om bedrijfseconomische redenen nadat werknemer is gere-integreerd. Verschil van mening over welke functie werknemer heeft na zijn re-integratie en of zijn arbeidsplaats door de reorganisatie komt te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1004
AR 2017/4143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 5997210 \ HA VERZ 17-80

Beschikking van de kantonrechter van 20 juli 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap SENZORA B.V.,

gevestigd te Deventer,

verzoekende partij, hierna te noemen werkgever,

gemachtigde: mr. P. Hulsegge

tegen

[X] ,

wonende te [plaats],

verwerende partij, hierna te noemen werknemer,

gemachtigde: mr. D. van den Bergh-Beck (SRK Rechtsbijstand).

1 De procedure

1.1.

Werkgever heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Werknemer heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 6 juli 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Werkgever en werknemer hebben een pleitnota overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen (verder) ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

Werkgever houdt zich bezig met de productie en verkoop van (vaat)wasmiddelen, soda en suikerwerk.

2.2.

Werknemer, geboren op 15 oktober 1958, is op 1 februari 1996 in dienst getreden bij werkgever in de functie van operator.

2.3.

Op 14 februari 2014 is werknemer als gevolg van een hersenbloeding volledig arbeidsongeschikt geraakt. Na een succesvolle re-integratie is werknemer thans onder meer werkzaam aan de Oxi-lijn, een productielijn die gerund wordt door werknemers van de sociale werkvoorziening.

2.4.

In een arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV d.d. 13 januari 2016 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Verloop van de re-integratie

Klant heeft zich per 14-2-2014 arbeidsongeschikt gemeld. Klant is voor zijn klachten behandeld en staat nog onder controle van de behandelaar. De behandeling heeft niet geleid tot een volledig herstel.

De werkgever heeft een arbeidskundig onderzoek laten instellen naar de re-integratiemogelijkheden van klant in het eerste spoor. De arbeidsdeskundige concludeert dat het eigen werk niet meer als passend is aan te merken en ook niet passende te maken is. Wel zijn er andere passende werkzaamheden voorhanden: werkzaamheden aan de Oxi-lijn. Momenteel heeft hij hervat in ander werk voor 36 uur per week bij de eigen werkgever. Tevens is een traject tweede spoor gestart om te onderzoeken waar de grenzen van de mogelijkheden van klant liggen (Salcon). Hoewel de klant de werkzaamheden goed en naar tevredenheid leidt dit niet tot een werkplek, daar de heer Manuhutu niet valt onder het doelgroepenregister.”

2.5.

Op 1 november 2016 heeft werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd getekend, en wel voor de functie van inpakker, ingaande per 10 november 2016.

2.6.

Het salaris van werknemer bedraagt thans € 831,84 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en 13e maand. Naast dit salaris ontvangt werknemer momenteel een loongerelateerde WGA-uitkering van 54,98%. Deze uitkering loopt tot en met 11 maart 2019.

2.7.

Werkgever heeft het totale klantenbestand en de omzetportefeuille van haar afdeling suikerwerk per 1 juli 2017 verkocht aan een bedrijf in Dokkum. In verband hiermee, heeft werkgever besloten om alle operators en voormannen van de afdeling suikerwerk te herplaatsen binnen haar eigen organisatie en alle arbeidsplaatsen van de inpakkers in haar organisatie te laten vervallen.

2.8.

Alvorens tot voornoemde verkoop over te gaan, heeft werkgever advies ingewonnen bij de ondernemingsraad (hierna te noemen de OR). In dat kader heeft werkgever de OR in januari 2017 een memo gestuurd, waarin onder meer het volgende vermeld staat:
“In 2007 heeft een extern bureau, na uitgebreid onderzoek naar de levensvatbaarheid van Senzora, op verzoek van de Banken, een advies tot verkoop, fusie of gehele liquidatie van suikerwerk afgegeven.

(..)
Voorgenomen besluit:

Senzora is voornemens de afdeling suikerwerk te verkopen aan een geïnteresseerde koper in Dokkum.

Personele gevolgen:
Gezien de afstand tussen het bedrijf van de geïnteresseerde koper in Dokkum en de plaats waar Senzora gevestigd is in Deventer verwachten wij dat dit personele problemen zal gaan opleveren. (..)
Gelet daarop zullen we proberen medewerkers die thans werkzaamheden verrichten voor de afdeling suikerwerk elders in het bedrijf in te zetten.

Wij kunnen gedwongen ontslagen op de productie afdelingen en direct daar aan gerelateerde functies in de overhead echter niet uitsluiten. Om de gevolgen voor de medewerkers die niet binnen de organisatie van Senzora herplaatst kunnen worden te verzachten, heeft Senzora een Sociaal Plan opgesteld. Dit Sociaal Plan legt Senzora graag aan de ondernemingsraad voor en is als bijlage bij deze adviesaanvraag gevoegd. (..)


Plan van aanpak:

De komende periode zullen we de totale impact op het personeelsbestand onder de loep nemen om te proberen zoveel mogelijk medewerkers intern te herplaatsen. (..)”

2.9.

In het door werkgever opgestelde sociaal plan staat, voor zover relevant, vermeld:

“1.1 Inleiding

1.1.1 (..)

In het Sociaal Plan zijn de maatregelen neergelegd die de werkgever zal uitvoeren ter beperking van de voor het betrokken personeel nadelige gevolgen van de verkoop van de afdeling suikerwerk en de daaraan gekoppelde reorganisatie die binnen haar onderneming zal plaatsvinden.

1.2

Toepassing

Het Sociaal Plan is (..) uitsluitend van toepassing op werknemers die op de datum van inwerkingtreding van deze regeling, voor onbepaalde tijd in dienst zijn van werkgever en waarvan als direct gevolg van de onder 1.1.1 genoemde aanpassing van het Personeelsbestand, de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever wordt beëindigd, c.q. werknemers die worden herplaatst. (..)

(..)

4.1

Vergoeding

(..)
De transitievergoeding waar de werknemer aanspraak op maakt wordt vermenigvuldigd met factor 1,35 in het geval de werknemer meewerkt aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door ondertekening van de vaststellingsovereenkomst.”

2.10.

Het advies van de ondernemingsraad d.d. 9 februari 2017 betreffende de verkoop luidt, voor zover relevant, als volgt:

Inleiding:
Op 17 januari 2017 is de ondernemingsraad in een overlegvergadering door de directie op de hoogte gesteld van het voorgenomen besluit om de afdeling suikerwerk te verkopen en zich volledig te richten op verdere ontwikkeling van de detergenten business.

(..)
Direct gevolg is het gedwongen ontslag van medewerkers, waarbij de ontslagen zowel binnen de productieafdelingen als in de overhead vallen.

(..)

Advies:

Na het bereiken van het gezamenlijk akkoord over een gepast en solide sociaal plan tussen Senzora bv, De Unie en de ondernemingsraad dd. 08-02-217 stemt de ondernemingsraad in met de verkoop van de afdeling suikerwerk en het hieruit volgende gedwongen ontslag van medewerkers volgens de aangegeven verdeelsleutel.

(..)”

2.11.

Op 23 januari 2017 heeft werkgever het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) verzocht voor werknemer een ontslagvergunning af te wegens bedrijfseconomische redenen.

2.12.

Per brief van 13 februari 2017 heeft werkgever aan werknemer kenbaar gemaakt dat zijn arbeidsplaats komt te vervallen en heeft zij hem een vaststellingsovereenkomst toegestuurd. Werknemer heeft die overeenkomst niet getekend.

2.13.

Bij besluit van 13 april 2017 heeft het UWV de door werkgever aangevraagde ontslagvergunning geweigerd, omdat werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat werknemer feitelijk werkzaam is als inpakker.

3 Het verzoek

3.1.

Werkgever verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden wegens het noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub a BW, een en ander op de vroegst mogelijke datum, onder toekenning aan werknemer van de transitievergoeding en met compensatie van de kosten van deze procedure.

3.2.

Werkgever legt aan dit verzoek ten grondslag dat werknemer wel degelijk werkzaam is als inpakker en dat die functie als gevolg van de verkoop van de afdeling suikerwerk komt te vervallen, terwijl herplaatsing van werknemer in een andere passende functie niet mogelijk is. Werkgever stelt dat werknemer als gevolg van zijn hersenbloeding niet langer in staat was zijn werkzaamheden als operator te vervullen en dat hij daarom is gere-integreerd aan de Oxi-lijn. Volgens werkgever is werknemer daarna de functie van inpakker aan die lijn aangeboden, welke functie hij heeft aanvaard.

3.3.

Werknemer verweert zich tegen het verzoek en stelt zich primair op het standpunt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe primair aan dat hij nog altijd de functie van operator heeft, zulks met aangepaste werkzaamheden, en dat zijn werkzaamheden niet gelijk zijn te stellen met de werkzaamheden van een inpakker. Volgens werknemer zijn de werkzaamheden van een inpakker voor hem veel te zwaar en verricht hij maar voor 30 tot 50% de taken van een inpakker. Werknemer stelt ook dat werkgever geen rechten kan ontlenen aan de op 1 november 2016 getekende arbeidsovereenkomst, nu deze tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en misbruik van omstandigheden. Ter zitting heeft werknemer zich op het standpunt gesteld dat zijn werkzaamheden niet onder de functies van inpakker of operator vallen en dat hij inmiddels stilzwijgend de functie van productiemedewerker aan de Oxi-lijn heeft gekregen.

Subsidiair, namelijk voor zover geoordeeld wordt dat werknemer wel de functie van inpakker heeft, stelt werknemer zich op het standpunt dat de bedrijfseconomische noodzaak voor het opheffen van de functie van inpakker op de andere afdelingen dan de suikerafdeling ontbreekt. Volgens werknemer heeft werkgever hiervoor geen onderbouwing gegeven en is de OR op dit punt ook niet om advies gevraagd.

Meer subsidiair, namelijk voor zover geoordeeld wordt dat er wel een grondslag bestaat om de functie van alle inpakkers te laten vervallen, voert werknemer aan dat er voor hem passende werkzaamheden zijn. Hij stelt in dit kader dat werkgever het inpakwerk wil laten uitvoeren door de operators en dat, nu hij tot en met november 2016 de functie van operator heeft gehad, die werkzaamheden voor hem passend zijn. Volgens werknemer heeft werkgever zich niet ingespannen om hem te herplaatsen in een andere passende functie.

Voor zover de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt werknemer een transitievergoeding conform het sociaal plan ad € 17.408,25 bruto toe te kennen, althans een transitievergoeding van € 12.895,00 bruto, alsmede een billijke vergoeding van

€ 46.716,13 en bij het bepalen van de ontbindingsdatum rekening te houden met de duur van de onderhavige procedure. Zowel primair als subsidiair verzoekt werknemer werkgever te veroordelen dat betaling van de wettelijke rente over voornoemde vergoedingen en tot betaling van de kosten van deze procedure.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter kan het verzoek van werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer slechts inwilligen, indien aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:669 BW is voldaan en er geen opzegverboden als bedoeld in artikel 7:670 BW of met deze opzegverboden vergelijkbare opzegverboden gelden.

4.2.

Partijen zijn het er over eens dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met een opzegverbod, zodat hiervan zal worden uitgegaan.

4.3.

Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

4.4.

Werkgever heeft aan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag gelegd dat sprake is van een bedrijfseconomische reden, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub a BW. Gelet op artikel 7:671b lid 1 sub b BW, kan thans op deze grond een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden gedaan, aangezien het UWV bij besluit van 13 april 2017 heeft geweigerd om aan werkgever op die grond toestemming te geven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst.

4.5.

Werkgever heeft het verzoek tijdig ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de toestemming door het UWV is geweigerd.

4.6.

Werkgever stelt dat de arbeidsplaats van werknemer als gevolg van het afstoten van de afdeling suikerwerk komt te vervallen. Werknemer betwist de bedrijfseconomische noodzaak van de verkoop van de betreffende afdeling niet, zodat van die noodzaak kan worden uitgegaan. Partijen verschillen echter van mening of werknemer de functie heeft van inpakker en of zijn arbeidsplaats door de reorganisatie komt te vervallen.

4.7.

Vooropgesteld wordt dat voor de vraag welke functie werknemer thans heeft niet de naam van zijn functie, maar zijn feitelijke werkzaamheden doorslaggevend zijn. De kwestie of ten aanzien van de in november 2016 getekende arbeidsovereenkomst sprake is geweest van dwaling en/of misbruik van omstandigheden, doet in casu derhalve niet ter zake.

4.8.

Werknemer stelt dat hij nog altijd de functie heeft van operator, met aangepaste werkzaamheden, althans dat hij inmiddels de functie heeft van productiemedewerker aan de Oxi-lijn. Tussen partijen staat vast dat werknemer na het einde van zijn arbeidsongeschiktheid niet langer in staat was om de werkzaamheden behorend bij de functie van operator uit te voeren. Vast staat ook dat werkgever vervolgens naar ander passend werk voor werknemer heeft gezocht en dat dit heeft geleid tot het inzetten van werknemer op (onder meer) de Oxi-lijn. Ter zitting is gebleken dat de werkzaamheden die werknemer aan die lijn uitvoert er uit bestaan dat hij een beker op een band plaatst, hij – nadat deze beker gevuld is met (vaat)waspoeder – een lepeltje in de beker doet, hij vervolgens de deksel op de beker doet, de beker op een tray plaatst en dat hij volle trays op elkaar stapelt en inwikkelt. Gebleken is ook dat werknemer soms werkzaamheden aan de tablettenlijn verricht, welke werkzaamheden er (onder meer) uit bestaan dat hij tabletten opvangt in een emmertje, en dat hij zich ook regelmatig bezighoudt met het bestickeren van zakken en trays.

4.9.

Voornoemde werkzaamheden vallen naar het oordeel van de kantonrechter onder de functie van inpakker en niet onder die van een operator met aangepaste werkzaamheden.
Werkgever heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat er op de productieafdelingen slechts sprake is van twee verschillende functies, namelijk die van operator en inpakker, en dat de functie van productiemedewerker niet meer bestaat. Volgens werkgever is een operator verantwoordelijk voor het draaiend houden van een productielijn, dient een operator machines af te stellen en zorg te dragen voor productiedocumentatie en is snelheid in de functie van operator erg belangrijk. Gelet op de verantwoordelijkheden en vaardigheden die bij deze functie horen, kan niet volgehouden worden dat werknemer thans de functie vervult van operator (met aangepaste werkzaamheden). Aangezien er op de productieafdelingen slechts sprake is van één andere functie, moeten de werkzaamheden van werknemer naar het oordeel van de kantonrechter geacht worden te vallen onder de functie van inpakker.

4.10.

Nu geoordeeld wordt dat werknemer de functie van inpakker heeft, dient ingegaan te worden op de stelling van werknemer dat de bedrijfseconomische noodzaak voor het opheffen van de functie van inpakker op de andere afdelingen dan de afdeling suikerwerk ontbreekt.

4.11.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft werknemer niet weersproken dat er een bedrijfseconomische noodzaak bestaat voor het afstoten van de suikerafdeling. Tussen partijen is evenmin in geschil dat deze verkoop tot een verval van arbeidsplaatsen en dus tot een reorganisatie leidt. Werkgever heeft er in het kader van die reorganisatie voor gekozen om alle arbeidsplaatsen van de inpakkers in haar organisatie te laten vervallen en de werkzaamheden van de inpakkers voortaan door de operators te laten verrichten, aangezien medewerkers met de hogere functie van operator wel inpakwerkzaamheden kunnen verrichten, maar inpakkers andersom niet de functie van operator. Deze keuze betreft een beleidskeuze, waarvoor werkgever naar het oordeel van de kantonrechter geen nadere onderbouwing hoeft te geven. De kantonrechter acht de betreffende keuze in de gegeven omstandigheden niet onredelijk en het staat werkgever dan ook vrij deze beleidskeuze te maken.

4.12.

Werknemer heeft nog aangevoerd dat voor het laten vervallen van de functies van inpakker op de afdeling zeeppoeder geen advies aan de OR is gevraagd en dat de vakbonden hierover ook niet zijn ingelicht, maar ook aan deze stelling zal voorbij worden gegaan. In de hiervoor onder 2.8 genoemde memo, welke memo ook aan vakbond De Unie is verstuurd, staat nergens dat de voorgenomen verkoop van de suikerafdeling alleen gevolgen heeft voor de inpakkers op de suikerafdeling. Integendeel, in de betreffende memo staat vermeld dat gedwongen ontslagen op de productieafdelingen niet kunnen worden uitgesloten. In het advies van de OR wordt eveneens gesproken over ontslagen op de productieafdelingen. Ook de hiervoor onder 2.9 geciteerde bepalingen 1.1.1. en 1.2 uit het sociaal plan, welk plan aan de OR is voorgelegd, duiden er op dat er sprake is van een organisatiebrede reorganisatie. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het advies van de OR ook ziet op het vervallen van de functies van inpakker op de andere afdelingen dan de suikerafdeling.

4.13.

Nu geoordeeld is dat werkgever gerechtigd was te kiezen voor het vervallen van de arbeidsplaatsen van alle inpakkers binnen haar organisatie, stelt werknemer zich meer subsidiair op het standpunt dat er passende werkzaamheden voor hem zijn. Hij stelt daartoe dat het inpakwerk overgaat naar de operators en dat, nu hij de functie van operator ook jarenlang heeft gehad, die werkzaamheden voor hem passend zijn. De kantonrechter acht deze redenering onbegrijpelijk, nu vast staat dat werknemer niet langer in staat is de werkzaamheden behorend bij de functie van operator uit te voeren, terwijl hij zich anderzijds op het standpunt stel dat de werkzaamheden van een inpakker voor hem veel te zwaar zijn.

Het beroep dat werknemer kennelijk in dit kader doet op het arrest Goldsteen/Roeland gaat niet op, nu dat arrest ziet op een situatie van arbeidsongeschiktheid en niet, zoals het onderhavige geval, op een volledig gere-integreerde werknemer die te maken krijgt met een reorganisatie. Ook aan deze stelling van werknemer zal dus voorbij worden gegaan.

4.14.

De kantonrechter ziet geen reden om te oordelen dat herplaatsing van werknemer binnen een redelijke termijn in een andere passende functie nog mogelijk is. Werknemer heeft, afgezien van de stelling dat zijn eigen werkzaamheden blijven bestaan, niets aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat hij kan worden herplaatst in een andere functie.

4.15.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van werkgever zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2017. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.

4.16.

Werknemer verzoekt primair om toekenning van de in het sociaal plan genoemde transitievergoeding. Voor die toekenning bestaat echter geen aanleiding, nu werknemer niet tot ondertekening van de aan hem toegestuurde vaststellingsovereenkomst is overgegaan. De stelling dat in het sociaal plan een verboden onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers die vrijwillig aan hun ontslag meewerken en werknemers die verweer voeren, wordt niet gevolgd. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen sprake van gelijke gevallen en dus van strijd met het gelijksheidsbeginsel, nu aannemelijk is dat het dienstverband van de werknemers die tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zijn overgegaan, eerder beëindigd is. Werknemer kan derhalve slechts aanspraak maken op de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW. Op grond van artikel 7:686a BW is werkgever over de transitievergoeding wettelijke rente verschuldigd vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

4.17.

Werknemer heeft verzocht hem ook een billijke vergoeding toe te kennen, maar de kantonrechter ziet hiertoe geen aanleiding. Gelet op artikel 7:671b lid 8 sub c BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Niet gebleken is dat hiervan sprake is.

4.18.

Nu aan de ontbinding geen vergoeding anders dan de door werkgever erkende transitievergoeding wordt verbonden, hoeft werkgever geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

4.19.

De kantonrechter zal conform het verzoek van werkgever de proceskosten compenseren, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2017, onder toekenning van de transitievergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 7:673 BW, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2017 tot de dag der algehele voldoening,

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2017.

(md)