Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:308

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
5332901 \ CV EXPL 16-6434
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na zogeheten ‘treintje-rijden’ bij het verlaten van een parkeergarage spreekt de exploitant daarvan de kentekenhouder aan van de auto die ‘treintje heeft gereden’. Het is echter de bestuurder van de auto met wie de exploitant een overeenkomst heeft gesloten en aan wie een tekortkoming kan worden verweten. Er is geen grond voor het aannemen van een buitencontractuele aansprakelijkheid van de kentekenhouder nu deze de feitelijk bestuurder met naam en toenaam heeft aangewezen. Volgt afwijzing van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 5332901 \ CV EXPL 16-6434

Vonnis van 24 januari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS II B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Maastricht,

eiseres,

gemachtigde: M.M.J. Haenen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde [X] , haar partner.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 augustus 2016

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eiseres exploiteert een aantal parkeergarages, waaronder het Maagjesbolwerk te Zwolle. Op 1 december 2015 bevond zich een auto, merk Volkswagen, type Polo met [kenteken] in deze parkeergarage. Het kenteken is afgegeven aan gedaagde.

2.2.

De bestuurder van deze auto heeft op 1 december 2015 zonder een kaartje in de uitrijd-terminal te stoppen de parkeergarage verlaten door kort achter zijn voorganger langs de geopende slagboom te rijden.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres acht deze gang van zaken uiterst laakbaar en vindt dat daartegen hard moet worden opgetreden. Zij omschrijft de gewraakte gedraging als treintje-rijden. Zij stelt dat gedaagde een overeenkomst met haar is aangegaan, waarop haar voorwaarden van toepassing zijn. Gedaagde is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen door zonder te betalen een parkeerplek in beslag te nemen en op gevaarzettende wijze de parkeergarage te verlaten. Tevens stelt zij dat gedaagde als kentekenhouder aansprakelijk is voor deze toerekenbare tekortkoming.

Eiseres stelt dat zij van gedaagde te vorderen heeft het tarief van een verloren kaart (€ 49,50) alsmede een bedrag van € 300,00 als aanvullende schadevergoeding. Omdat gedaagde het tarief van een verloren kaart heeft betaald, vordert zij in deze procedure alleen de aanvullende schadevergoeding, vermeerderd met een bedrag van € 45,00 aan incassokosten.

3.2.

Gedaagde bestrijdt de vordering.

In de eerste plaats betwist zij, dat zij de bestuurder was en voert aan dat haar partner [X] (tevens gemachtigde in deze zaak) de feitelijke bestuurder was. Haar partner is al langere tijd de vaste gebruiker van dit voertuig, hetgeen moge blijken uit het feit dat hij de wegenbelasting en de verzekering betaalt. [X] erkent de bestuurder te zijn geweest.

In de tweede plaats ontkent zij dat haar partner zonder te betalen de parkeergarage is uitgereden. Zij overlegt ten bewijze van de juistheid van haar standpunt een kopie van een afschrift van een ten name van [X] staande ING-bankrekening, waarop te zien is dat ten behoeve van eiseres op 1 december 2015 om 12:32 uur een bedrag van € 1,00 is afgeschreven, terwijl de gewraakte uitrij-gedraging om 12:34 heeft plaatsgevonden.

In de derde plaats betwist gedaagde dat haar partner gevaarzettend heeft gereden bij het uitrijden van de garage, voert aan dat de boete disproportioneel hoog is en dat de schade door eiseres geenszins is aangetoond.

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de kantonrechter moet worden onderzocht op welke grondslag eiseres haar vordering baseert. In het vijfde ‘Aangezien’ van de dagvaarding stelt eiseres met gedaagde een overeenkomst te zijn aangegaan. Daar heeft zij het oog op de contractuele aansprakelijkheid van gedaagde. In het elfde ‘Aangezien’ van de dagvaarding stelt zij dat gedaagde kentekenhoudster is van het voertuig en dat zij uit dien hoofde aansprakelijk is voor de tekortkoming. Deze formulering wijst naar een vorm van wettelijke aansprakelijkheid, waarin gedaagde, ook als zij niet de contractspartij van eiseres is, aansprakelijk kan zijn. Zij verwijst naar de Wegenverkeerswet, maar maakt niet duidelijk waarom zij op basis van de Wegenverkeerswet voor zichzelf een schadevergoeding kan claimen.

4.2.

Eiseres stelt terecht dat door het afnemen van een parkeerticket en aansluitend de garage binnenrijden een overeenkomst tot stand komt onder de voorwaarden van eiseres. Die overeenkomst kent als contractspartijen enerzijds eiseres als aanbieder van de parkeergelegenheid en anderzijds de bestuurder van de auto, die dat aanbod heeft aanvaard. Het enkele feit dat gedaagde kentekenhoudster is maakt haar niet tot wederpartij van eiseres bij de overeenkomst. Evenmin is juist dat gedaagde bij een voldoende gemotiveerde betwisting van haar hoedanigheid als contractspartij dan maar moet bewijzen wie wel de bestuurder en dus de contractspartij was. Deze constructie zou juist zijn indien deze betwisting rechtens zou moeten worden gekwalificeerd als een bevrijdend verweer. Het is evenwel geen bevrijdend verweer, het is een betwisting van de feiten die eiseres aan haar vordering ten grondslag legt. Eiseres draagt de bewijslast van het bestaan van een overeenkomst tussen haar en gedaagde. Dit bewijs is geenszins geleverd, te meer niet waar gedaagde de feitelijke bestuurder met zijn volledige naam en adres aanwijst en aldus haar betwisting voldoende motiveert. In de stukken erkent de gemachtigde van gedaagde ( [X] ) deze bestuurder te zijn geweest, hetgeen eiseres trouwens ook al uit de brief van [X] van 19 februari 2016 (vóór dagvaarding) bekend was. Dit betekent dat eiseres haar vordering bij de verkeerde persoon tracht te incasseren met als gevolg dat de vordering jegens gedaagde moet worden afgewezen.

4.3.

Eiseres heeft nog geopperd dat gedaagde haar partner, de werkelijke bestuurder, dan maar in vrijwaring had moeten oproepen. Deze gedachte is onjuist, omdat er geen enkele grondslag bestaat voor een veroordeling van gedaagde jegens eiseres en er daarmee niets is waarvoor gedaagde moet worden gevrijwaard.

4.4.

Tot slot en ten overvloede verdient opmerking dat, anders dan eiseres op de tiende bladzijde en in het 39e ‘Aangezien’ van de dagvaarding stelt, gedaagde het tarief van een verloren kaart niet heeft betaald. Gedaagde maakt aannemelijk dat haar partner / de bestuurder de parkeerkosten op 1 december 2015 om 12:32 uur gewoon heeft betaald, maar de juiste uitrijd-procedure heeft veronachtzaamd.

4.5.

De vordering moet worden afgewezen met veroordeling van eiseres in de kosten van de procedure, die tot op heden aan de zijde van gedaagde op nihil worden gesteld.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt eiseres in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.O.M. van Aerde, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2017.