Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:3021

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
C/08/195137 / HA ZA 16-536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel oordeelt dat een baggerbedrijf ruim 61.000 euro moet terugbetalen aan de provincie Overijssel. Dit bedrag had de provincie teveel betaald als rente.

In een eerdere zaak waren beide partijen veroordeeld tot betalingen aan elkaar. De provincie moest ruim 814.000 euro betalen aan de baggeraar en de baggeraar bijna 410.000 euro aan de provincie. De provincie eiste dat ze niet de rente over de 814.000 hoefde te betalen, maar over het bedrag dat onderaan de streep overbleef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/195137 / HA ZA 16-536

Vonnis van 12 juli 2017

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE OVERIJSSEL,

zetelend te Zwolle,

eiseres,

advocaat mr. W.E.M. Klostermann te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] B.V.,

gevestigd te Ursem,

gedaagde,

advocaat mr. B.M. Vijverberg te Diessen.

Partijen zullen hierna de Provincie Overijssel en [eiser] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en de Provincie Overijssel hebben een procedure bij deze rechtbank gevoerd, geregistreerd onder C/08/166039 / HA ZA 14-636, omtrent door [eiser] in opdracht van de Provincie Overijssel uitgevoerde baggerwerkzaamheden.

2.2.

Bij vonnis van 4 mei 2016, hersteld bij vonnis van 1 juni 2016, (hierna: het vonnis van 4 mei 2016) heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen en beslist:

2.1 (...)

Partijen houdt verdeeld de vraag wat de omvang van de extra kosten van het verwijderen van zand/vaste bodem is geweest en welke afspraken over de vaststelling van de omvang daarvan zijn gemaakt. (…)

2.2

De rechtbank stelt voorop, dat (…) niet meer aan de orde is de vraag in welke mate [eiser] meer zand/vaste bodem heeft moeten verwijderen bij realisering van de ontgravingsprofielen dan wat [eiser] had opgemaakt uit het bestek. Op basis van het bindend advies geldt immers als uitganspunt dat [eiser] aanspraak kan maken op vergoeding van 80% van alle kosten van het verwijderen van zand/vaste bodem. (…)

2.6

Het voorgaande resulteert in een toewijsbare vordering van [eiser] van 80% van (1.109.347,50/1,15=) € 964.650,00 + € 53.250 = € 814.320,00.1 De provincie Overijssel heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde vermeerdering met BTW, de wettelijke handelsrente vanaf 18 juli 2014 en de extra wettelijke rente (2% verhoging) vanaf 29 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, zodat zulks toewijsbaar is. (…)

2.15

Een opdrachtgever kan op grond van paragraaf 42 van de UAV 1989 aan de aannemer kortingen op de aanneemsom opleggen wegens te late oplevering van het werk. (…) Kortingen worden verbeurd enkel ten gevolge van het verschijnen van de bepaalde dag, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling nodig is en worden bij de eerstvolgende betalingstermijn en zo nodig bij volgende termijnen van betaling ingehouden (…).

2.19

Niet in geschil is dat het totale werk is opgeleverd op 31 maart 2014, zodat sprake is van een overschrijding van de opleveringstermijn met 62 werkdagen. (…) Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de provincie Overijssel in beginsel aanspraak kan maken op een korting op de aanneemsom van 62 x € 6.600,-=
€ 409.200,-. (…)

De rechtbank

in conventie

3.1

veroordeelt de provincie Overijssel om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 814.320,00 (achthonderdveertienduizend driehonderdtwintig euro)2, te vermeerderen met BTW, de wettelijke handelsrente vanaf 18 juli 2014 en de extra wettelijke rente (2% verhoging) vanaf 29 september 2014 tot de dag van volledige betaling,

3.2

veroordeelt de provincie Overijssel in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 13.539,52, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in reconventie
3.3 veroordeelt [eiser] om aan de provincie Overijssel te betalen een bedrag van € 409.200 (vierhonderdnegenduizend tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2014 tot de dag van volledige betaling,

3.4

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de provincie Overijssel tot op heden begroot op € 5.619,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, (…)


In conventie en in reconventie

3.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

2.3.

Het vonnis van 4 mei 2016 is onherroepelijk geworden.

2.4.

De Provincie Overijssel heeft [eiser] op 15 juni 2016 een bedrag van
€ 688.500,02 betaald.

2.5.

Bij e-mail van 20 juni 2016 heeft [eiser] aangekondigd het vonnis van 4 mei 2016 te gaan executeren.

2.6.

De Provincie Overijssel heeft een kort geding bij deze rechtbank aanhangig gemaakt waarin zij – kort gezegd, onder meer – heeft gevorderd [eiser] te verbieden verdere executiemaatregelen te treffen.

2.7.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 28 juli 2016 de vorderingen van de Provincie Overijssel afgewezen en daartoe onder meer het volgende overwogen:

Provincie Overijssel voert aan dat zij aan de verplichtingen uit bedoeld (hersteld) vonnis heeft voldaan, stellende dat het bedrag waarop rechtsoverweging 3.1 en 3.2 van dit vonnis ziet, is voldaan door middel van verrekening met hetgeen zij nog van [eiser] diende te ontvangen, inclusief de daarover door [eiser] vanaf medio 2014 verschuldigde rente. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat dit een inhoudelijk bezwaar betreft tegen voormelde veroordeling: provincie Overijssel is (kennelijk) van mening dat zij minder aan [eiser] heeft te betalen dan waartoe zij is veroordeeld. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter met zich mee dat een dergelijk (inhoudelijk) bezwaar niet in een executiegeschil als het onderhavige kan worden aangevoerd. Als uitgangspunt moet worden genomen dat partijen aan hetgeen in het litigieuze vonnis is beslist zijn gebonden. Enkel bezwaren die nopen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid kunnen in dit executiegeschil worden beslecht (artikel 3:13 BW); de (omvang van de) beweerde verrekeningsbevoegdheid had provincie Overijssel in de bodemprocedure aan de orde dienen te stellen. (…) Provincie Overijssel is – behoudens hoger beroep – gebonden aan hetgeen in voormeld (hersteld) vonnis is beslist en voor zover zij hieraan niet volledig heeft voldaan, houdt [eiser] recht en belang op de door haar aangezegde executiemaatregelen. (…)

2.8.

De Provincie Overijssel heeft op 5 augustus 2016 onder protest een aanvullende (rente)betaling aan [eiser] gedaan van € 61.586,77.

3 Het geschil

3.1.

De Provincie Overijssel vordert samengevat - veroordeling van [eiser] tot (terug)betaling van € 61.586,77, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2016 en kosten.

3.2.

[eiser] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De Provincie Overijssel legt aan haar vordering kort gezegd het volgende ten grondslag. De Provincie Overijssel heeft zich na kennisneming van het vonnis van 4 mei 2016 beroepen op verrekening en de daaraan op grond van de wet verbonden terugwerkende kracht, brengt mee dat de hoofdsom waarop [eiser] op grond van het vonnis van 4 mei 2016 aanspraak heeft van € 814.320,00 per 18 juli 2014 is verminderd met het in reconventie aan de Provincie Overijssel toegewezen bedrag van
€ 409.200,00. Daarom is slechts over het restantbedrag rente verschuldigd vanaf 18 juli 2014. De Provincie Overijssel heeft onder protest van gehoudenheid een aanvullend rentebedrag van € 61.586,77 aan [eiser] voldaan, gebaseerd op een berekening van [eiser] waarbij over de volledig in conventie toegewezen vordering van € 814.320,00 de wettelijke handelsrente vanaf 18 juli 2014 en de extra wettelijke rente van 2% vanaf 29 september 2014 is berekend, een en ander vervolgens verminderd met het in reconventie aan de Provincie Overijssel toegewezen bedrag van € 409.200,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2014. Voor deze door de Provincie Overijssel verrichte aanvullende rentebetaling bestaat volgens de Provincie Overijssel geen rechtsgrond en zij vordert dit bedrag uit hoofde van onverschuldigde betaling (terug) van [eiser] .

4.2.

Kern van dit geschil betreft de vraag of de Provincie Overijssel na het vonnis van 4 mei 2016 door middel van verrekening een deel van wat zij moet betalen met terugwerkende kracht heeft betaald, waardoor daarover geen rente verschuldigd is geworden.

4.3.

Volgens [eiser] is er sprake van een verkapt appel. De Provincie Overijssel heeft reeds in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 4 mei 2016 in haar conclusie van antwoord een beroep op verrekening gedaan. Daarmee is dat beroep onderdeel geworden van die procedure en het vonnis. Dit beroep is – al dan niet uitdrukkelijk – afgewezen door de rechtbank. Uit het dictum blijkt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de verrekening niet terugwerkt tot een eerder tijdstip. In het kader van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen mocht [eiser] erop vertrouwen dat het debat was afgesloten omdat er geen rechtsmiddel was aangewend. Het vonnis, dat in kracht van gewijsde is gegaan, is de rechtsgrond voor de betaling, waardoor de vordering van onverschuldigde betaling voor afwijzing gereed ligt.

4.4.

De rechtbank begrijpt het verweer van [eiser] aldus dat zij zich beroept op het gezag van gewijsde. De rechtbank stelt voorop, dat aan het in r.o. 2.7 vermelde kort gedingvonnis geen gezag van gewijsde toekomt, omdat dit een voorlopig oordeel van de rechter omtrent de rechtsverhouding betreft.

4.5.

Artikel 236 lid 1 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben.

Dat gezag van gewijsde komt toe aan alle beslissingen die noodzakelijk zijn om de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen en de in het dictum neergelegde uitspraak te dragen. De strekking van het gezag van gewijsde betreft het definitief tot een einde maken aan een geschilpunt. De vraag of aan een beslissing in een eerder vonnis gezag van gewijsde toekomt, hangt nauw samen met de inhoud en strekking van die beslissing. Het oordeel daarover is een kwestie van uitleg van het eerdere vonnis.

4.6.

Beoordeeld moet dus worden of in het vonnis van 4 mei 2016 is beslist over een (al dan niet) door de Provincie Overijssel ingeroepen verrekening.

4.7.

Met [eiser] constateert de rechtbank dat in de conclusie van antwoord (in conventie tevens eis in reconventie) van de Provincie Overijssel in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 4 mei 2016 (sub 28) het volgende is opgenomen:
Het is juist dat de Provincie aanspraak maakt op korting conform de met [eiser] gesloten overeenkomst. (…) Overigens heeft [eiser] de korting tot op heden niet betaald, zodat de Provincie genoodzaakt is om een reconventionele vordering in te stellen, en zich hierbij, voor zover nodig, ook te beroepen op verrekening.

4.8.

De rechtbank constateert echter voorts dat in het vonnis van 4 mei 2016 niets (expliciet) is overwogen over (de mogelijkheid van) verrekening. Voor (de mogelijkheid van) verrekening is volgens artikel 6:127 BW een (vormvrije) verklaring vereist van een verrekeningsbevoegde schuldenaar aan zijn schuldeiser. Het debat van partijen is daarop in vorenbedoelde procedure niet toegesneden geweest. De rechtbank legt het vonnis van 4 mei 2016 gelet op het ontbreken van overwegingen hieromtrent zo uit dat de rechtbank in het voorwaardelijk “voor zover nodig” beroep van de Provincie Overijssel op verrekening, zoals hiervoor geciteerd, mede gelet ook op het ontbreken van een partijdebat daarover, geen (onvoorwaardelijke) verrekeningsverklaring heeft gezien. Er is dan geen sprake (geweest) van een beslissing die noodzakelijk was om de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen. Immers, als een verrekeningsverklaring niet is afgelegd blijven de verbintenissen over en weer bestaan. Dat betekent dat het beroep van de Provincie Overijssel op verrekening in deze procedure niet afstuit op het gezag van gewijsde.

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Provincie Overijssel na het wijzen van het (herstelde) vonnis van 4 mei 2016 aan [eiser] heeft verklaard dat zij haar schuld met haar vordering verrekent. Het is de vraag of de Provincie Overijssel (alsnog) dat beroep op verrekening toekomt.

4.10.

Voordat de rechtbank die vraag beantwoordt, overweegt zij het volgende.

4.11.

[eiser] heeft in haar conclusie van dupliek geconcludeerd dat zij ervan uit gaat, dat het door de Provincie Overijssel betaalde rentebedrag niet zonder rechtsgrond is betaald omdat – kort gezegd – partijen gebonden zijn aan het vonnis van 4 mei 2016. [eiser] heeft vervolgens (sub 16 van de conclusie van dupliek) aangevoerd dat voor zover de rechtbank wel zou overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de gegrondheid van het beroep op verrekening, dat een “verrassingsbeslissing” voor [eiser] zou zijn. [eiser] heeft daarbij overwogen dat zij “haar rechten voorbehoudt” om alsnog inhoudelijk te motiveren dat de stellingen van de Provincie Overijssel aangaande de data van verzuim, de bevoegdheid tot verrekening, opschorting, de bankgarantie, en de redelijkheid en billijkheid onjuist zijn en dat zij alsnog gebruik wil maken van haar bewijsaanbod.

4.12.

Het enkele gegeven dat [eiser] uitgaat van een andere beoordeling omtrent het gezag van gewijsde van het vonnis van 4 mei 2016 maakt niet dat sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing wanneer de rechtbank vervolgens tot een beoordeling komt van de vraag of de Provincie Overijssel een beroep op verrekening toekomt. Die vraag betreft de kern van het onderhavige geschil en is onderwerp geweest van het debat tussen partijen. [eiser] heeft zowel bij conclusie van antwoord als bij conclusie van dupliek kunnen reageren op de stellingen van de Provincie Overijssel in dat verband en heeft dat ook gedaan. De rechtbank ziet dan ook geen reden om [eiser] , alvorens tot een beoordeling hieromtrent te komen, nogmaals in de gelegenheid te stellen zich daaromtrent uit te laten. Voor wat betreft het door [eiser] willen gebruik maken van haar bewijsaanbod overweegt de rechtbank dat [eiser] er aan voorbij lijkt te gaan dat bewijslevering op grond van artikel 149 Wetboek van Rechtsvordering pas aan de orde is als de rechtbank tot het oordeel komt dat een partij haar stellingen voldoende heeft onderbouwd en een bewijsaanbod heeft gedaan dat ter zake dienend is. Of dat zo is, komt in het navolgende aan de orde.

4.13.

De rechtbank beantwoordt de vraag of de Provincie Overijssel (alsnog) een beroep op verrekening toekomt bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

4.14.

Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.

4.15.

De rechtbank constateert dat uit het vonnis van 4 mei 2016 volgt, dat de Provincie Overijssel per 1 april 2014 een vordering had op [eiser] van € 409.200,00, terwijl [eiser] per 18 juni 2014, zijnde de factuurdatum van [eiser] , een vordering had op de Provincie Overijssel van € 814.320,00. Daarmee staat vast, dat sprake is van vorderingen over en weer die (deels) aan elkaar beantwoorden. Voorts staat vast, dat de Provincie Overijssel per 1 april 2014 in beginsel bevoegd was haar voormelde vordering op te eisen. Die bevoegdheid is, anders dan [eiser] heeft aangevoerd, niet eerst na het vonnis van 4 mei 2016 ontstaan. Op grond van de overeenkomst tussen partijen kon de Provincie Overijssel immers - zo volgt uit voormeld vonnis van 4 mei 2016 - aan [eiser] kortingen opleggen wegens te late oplevering van het werk, welke kortingen worden verbeurd ten gevolge van het verschijnen van de dag, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling nodig is. Voorts was de Provincie Overijssel (in ieder geval) per 18 juni 2014 bevoegd tot betaling van haar schuld aan [eiser] . Dat die schuld destijds door de Provincie Overijssel niet is erkend doet niet af aan haar bevoegdheid tot verrekening nu die schuld (alsnog) is komen vast te staan.

4.16.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij haar verplichting tot betaling van de vordering van de Provincie Overijssel had opgeschort, omdat de Provincie Overijssel de vordering van [eiser] op de Provincie Overijssel weigerde te betalen. De Provincie Overijssel heeft betwist dat [eiser] (al dan niet terecht) haar betalingsverplichting jegens haar heeft opgeschort.

4.17.

Een opschortingsrecht kan in de weg staan aan de bevoegdheid tot het afdwingen van een betaling en daarmee aan het beroep van de Provincie Overijssel op verrekening (vgl. r.o. 4.14). De rechtbank constateert dat [eiser] , zoals blijkt uit het vonnis van 4 mei 2016, heeft betwist de korting wegens te late oplevering verschuldigd te zijn.
stelt thans dat zij haar betalingsverplichting heeft opgeschort. [eiser] heeft echter niet met feiten en omstandigheden onderbouwd dat en wanneer zij dat heeft gedaan en wanneer dat voor de Provincie Overijssel kenbaar is geweest. Van belang daarbij is, dat de vordering van de Provincie Overijssel in ieder geval per 1 april 2014 opeisbaar was en dat de vordering van [eiser] eerst per 18 juli 2014 (30 dagen na factuurdatum 18 juni 2014) opeisbaar is geworden. Bij gebreke van een feitelijke onderbouwing van haar stellingen in voormeld verband komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de vraag of [eiser] een beroep op de onzekerheidsexceptie ex artikel 6:263 BW toekomt.

4.18.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Provincie Overijssel (in ieder geval) per 18 juni 2014 zowel bevoegd was tot betaling van haar schuld als tot het afdwingen van de betaling van haar vordering, zodat de Provincie Overijssel in beginsel op dat moment bevoegd was tot verrekening over te gaan.

4.19.

De rechtbank volgt [eiser] niet in haar standpunt dat het beroep op verrekening in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, danwel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid, respectievelijk een verrekeningsverbod. Zoals uit het voorgaande blijkt (r.o. 4.8) is het beroep op verrekening niet in strijd met het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 4 mei 2016. Weliswaar is door de Provincie Overijssel in een laat stadium, eerst na het vonnis van 4 mei 2016, een beroep op verrekening gedaan, maar de wet noch de strekking daarvan verzet zich daar tegen (vgl. Hof Amsterdam 10-01-2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF0487, NJ 2002, 503). De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat verrekening van de vordering van de Provincie Overijssel wegens te late oplevering met de vordering van [eiser] wegens extra werkzaamheden blijkens het bepaalde in paragraaf 42 van de UAV 1989 strookt met hetgeen partijen destijds bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan. Mede ook gelet daarop gaat de rechtbank in dit verband voorbij aan de stellingen van [eiser] , dat zij de werkzaamheden heeft voorgefinancierd en meer dan een jaar renteverlies heeft geleden, terwijl de Provincie Overijssel meer dan een jaar na oplevering de bankgarantie als zekerheid heeft achtergehouden.

4.20.

Gelet op voorgaande beoordeling ziet de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad, zoals door de Provincie Overijssel (voorwaardelijk) is verzocht.

4.21.

Door de verrekeningsverklaring van de Provincie Overijssel zijn ingevolge artikel 6:127 lid 1 BW beide verbintenissen van de Provincie Overijssel en van [eiser] tot hun gemeenschappelijke beloop teniet gegaan.

4.22.

De verrekening werkt ingevolge artikel 6:129 lid 1 BW terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan, zijnde (in ieder geval) 18 juni 2014. Blijkens de Parlementaire Geschiedenis wordt het namelijk onredelijk geacht als degene die heeft verrekend over de periode dat hij tot verrekening bevoegd is geweest nog rente moet betalen.

4.23.

[eiser] heeft zich echter nog beroepen op artikel 6:129 lid 2 BW. Daarin is bepaald dat wanneer over een vordering reeds opeisbare rente is betaald, de verrekening niet verder terug werkt dan tot het einde van de laatste termijn waarover rente is voldaan.


De ratio daarvan is, blijkens de Parlementaire Geschiedenis, dat in dat geval één van partijen door het betalen van rente niet stilzwijgend van verrekening van de wederzijdse prestaties is uitgegaan. Dan hoeft er ook niet verder teruggewerkt te worden dan tot de datum van de laatst betaalde rente. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake.
De Provincie Overijssel ging wel degelijk uit van verrekening van de wederzijdse prestaties met terugwerkende kracht tot 18 juni 2014. In verband met dreigende executiemaatregelen van [eiser] en onder protest van gehoudenheid - blijkens ook de omschrijving bij die betaling - heeft de Provincie Overijssel het aanvullende rentebedrag voldaan. Onder die omstandigheden komt [eiser] geen beroep toe op het bepaalde in artikel 6:129 lid 2.

4.24.

Het voorgaande leidt tot de slotsom, dat de Provincie Overijssel het aanvullend betaalde rentebedrag zonder rechtsgrond heeft voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat het gaat om een bedrag van € 61.586,77. De vordering van de Provincie Overijssel tot (terug)betaling van dat bedrag is aldus op grond van artikel 6:203 BW toewijsbaar. De daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 5 augustus 2016 zal eveneens worden toegewezen, nu de Provincie Overijssel de terugvordering met wettelijke rente op die datum heeft aangezegd.

4.25.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten en nakosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van de Provincie Overijssel worden begroot op:

- dagvaarding € 96,57

- griffierecht 1.929,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.813,57

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [eiser] om aan de Provincie Overijssel te betalen een bedrag van € 61.586,77 (éénenzestig duizendvijfhonderdzesentachtig euro en zevenenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 5 augustus 2016 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie Overijssel tot op heden begroot op € 3.813,57, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens - de Mug, mr. F.E.J. Goffin en mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2017.3

1 Deze berekening is op deze wijze hersteld in het herstelvonnis van 1 juni 2016.

2 Dit bedrag volgt uit het herstelvonnis van 1 juni 2016.

3 type: coll: