Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2998

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
C/08/204068 / KG ZA 17-219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming woning die werd bewoond in het kader van een begeleidingsovereenkomst. Geen huurbescherming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3900
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/204068 / KG ZA 17-219

Vonnis in kort geding van 20 juli 2017 (fs)

in de zaak van

de stichting

STICHTING RIBW GROEP OVERIJSSEL,

gevestigd te Zwolle,

eiseres,

advocaat mr. J. Eerbeek te Veenendaal,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna het RIBW en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding inclusief de producties 1 tot en met 9

  • -

    productie 10 aan de zijde van eiseres

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van het RIBW.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het RIBW is een zorgaanbieder die een combinatie van begeleiding en verblijfsruimte biedt aan mensen die vanwege psychiatrische en/of psychosociale problemen ondersteuning nodig hebben in het dagelijks leven.

2.2.

Het RIBW is met [gedaagde] een begeleidingsovereenkomst aangegaan. Deze overeenkomst is namens partijen ondertekend op 25 januari 2015. In de begeleidingsovereenkomst is overeengekomen dat de Algemene Voorwaarden Geestelijke Gezondheidszorg 2012 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing zijn. De algemene voorwaarden zijn (ook) in de begeleidingsovereenkomst samengevat weergegeven.

2.3.

Op grond van de begeleidingsovereenkomst is ten behoeve van de begeleiding van [gedaagde] aan hem een verblijfsruimte aan de [adres] (hierna: de woning) ter beschikking gesteld.

2.4.

Bij brief van 20 juni 2017 heeft het RIBW, onder vermelding van de gronden voor de opzegging, de begeleidingsovereenkomst opgezegd. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld uiterlijk vóór 6 juli 2017 tot ontruiming van de woning over te gaan.

2.5.

Het RIBW heeft geprobeerd een overleg te plannen om de ontstane situatie te bespreken en alternatieve woonruimte voor [gedaagde] te zoeken, doch [gedaagde] heeft geweigerd daaraan zijn medewerking te verlenen.

2.6.

Daarop heeft het RIBW zich genoodzaakt gezien om dit kort geding in te leiden.

3 Het geschil

3.1.

De vordering van het RIBW strekt - kort gezegd - tot ontruiming van de woning, met een veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, gelet op de inhoud van de begeleidingsovereenkomst en de algemene voorwaarden, ook in onderlinge samenhang bezien, in onderhavige procedure heeft te gelden dat het gebruik van de woning van meet af aan was gekoppeld aan de begeleiding van [gedaagde] door het RIBW. Verder volgt uit de begeleidingsovereenkomst en de algemene voorwaarden dat de begeleiding overheerst ten opzichte van het gebruik van de woning. Uit artikel 26 lid 2 van de algemene voorwaarden vloeit immers voort dat, indien de begeleidingsovereenkomst mede inhield het bieden van een zelfstandige verblijfsruimte, er (uiterlijk) een maand de gelegenheid wordt geboden om de verblijfsruimte te ontruimen na het beëindigen van de begeleidingsovereenkomst op grond van artikel 26 lid 1 van de algemene voorwaarden, waarbij in het onderhavig geval sprake is van de situatie als omschreven in artikel 26 lid 1, aanhef, en onder d, van de algemene voorwaarden. Dit betekent dat het recht op het gebruik van de woning afhankelijk is gesteld van de medewerking aan de uitvoering van de begeleidingsovereenkomst. De begeleidingsovereenkomst is daarmee niet op een lijn te stellen met een huurovereenkomst. Het moet er dus voor worden gehouden dat, zoals het RIBW ook onweersproken heeft gesteld, geen beroep op huurbescherming toekomt.

4.2.

Het RIBW vordert dat [gedaagde] de woning dient te verlaten en te ontruimen. Daarbij stelt zij - samengevat weergegeven - dat [gedaagde] , ondanks dat hij daar veelvuldig op is gewezen, zijn verantwoordelijkheden uit de begeleidingsovereenkomst herhaaldelijk weigert na te komen. [gedaagde] heeft zich niet bereid getoond zijn gedrag (structureel) te veranderen. Inmiddels is een zodanige situatie ontstaan dat het laten voortduren van de begeleidingsovereenkomst in redelijkheid niet langer van het RIBW kan worden verlangd. De begeleiding van [gedaagde] is onmogelijk geworden door bedreigingen, intimidaties, stalken, schreeuwen, weigeren etcetera. De verblijfsruimte wordt verwaarloosd doordat [gedaagde] zijn huishouden verwaarloost. [gedaagde] veroorzaakt ernstige overlast en er is sprake van onveilige situaties. [gedaagde] is niet bereid gemaakte afspraken na te komen en de uitgangspunten van de begeleiding en organisatie van het RIBW te accepteren. Dit alles leidt ertoe dat [gedaagde] onbegeleidbaar is.

4.3.

[gedaagde] stelt weliswaar dat de dagvaarding valse beschuldigingen en onjuistheden bevat, maar in het licht van de uitgebreide onderbouwing van RIBW, waarbij zij tal van situaties/incidenten heeft vermeld in de dagvaarding, is dit door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist. Uit de uitgebreide onderbouwing van het RIBW komt een patroon naar voren dat [gedaagde] door zijn gedrag structureel problemen en overlast veroorzaakt in zijn omgeving en dat hij niet bereid is om afspraken met het RIBW te maken dan wel na te komen. Bovendien erkent [gedaagde] dat zijn gedrag dan wel handelwijze niet altijd goed is geweest. Zo erkent hij dat een deel van de klachten van buurtbewoners terecht zal zijn. Met inachtneming van het vorenoverwogene kan van het RIBW niet (langer) worden verlangd [gedaagde] te begeleiden. [gedaagde] heeft ter zitting ook te kennen gegeven niet langer gebruik te willen maken van de begeleiding van het RIBW. Gelet op het vorenstaande is de begeleidingsovereenkomst op goede gronden beëindigd.

4.4.

Nu het recht op het gebruik van de woning afhankelijk is gesteld van de medewerking aan de uitvoering van de begeleidingsovereenkomst zal de gevorderde ontruiming worden toegewezen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter een ontruimingstermijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis zal hanteren. [gedaagde] wordt op deze wijze in de gelegenheid gesteld om een vervangende woonruimte te vinden. In dit kader is overleg met CIMOT, de centrale toegang tot maatschappelijke opvang en beschermd wonen in Twente, te Enschede, waarin de situatie van [gedaagde] en het zoeken naar alternatieve woonruimte aan de orde zal komen, van belang. Namens het RIBW is aangeboden om [gedaagde] te ondersteunen bij het gesprek met CIMOT indien [gedaagde] daaraan behoefte heeft. [gedaagde] heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij openstaat voor een gesprek met het CIMOT en ondersteuning van het RIBW daarbij, maar enkel als die ondersteuning plaatsvindt door RIBW-medewerkster [A] . Deze medewerkster, [A] , die ter zitting aanwezig was, heeft ter zitting toegezegd bereid te zijn namens het RIBW deze ondersteuning te verlenen. Daarop hebben partijen afgesproken dat uiterlijk aan het begin van de eerste week na de zitting, hierover een concrete afspraak tussen partijen zal worden gemaakt.

4.5.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het RIBW worden begroot op:

- dagvaarding € 80,42

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.514,42

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] met al degenen die en al hetgeen zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt (behoudens indien en voor zover dat eigendommen van eiseres zijn), volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen, de sleutels van deze woning af te geven aan het RIBW, de woning aan het RIBW ter vrije beschikking te stellen en de woning vervolgens verlaten en ontruimd te houden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van het RIBW tot op heden begroot op € 1.514,42,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2017.1

1 type: coll: