Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2912

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
08/710020-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 38-jarige man tot een gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast legt de rechtbank de man een taakstraf op van 160 uur en moet hij een bedrag van 439 euro aan schadevergoeding betalen aan zijn slachtoffer. De man heeft de partner van zijn ex-vriendin zwaar mishandeld met een kloofbijlsteel en hem met de dood bedreigd. Ook stuurde hij hem verschillende dreigbrieven, waarin hij onder andere schreef zoutzuur te gebruiken. Zijn ex-vriendin probeerde hij 150 euro afhandig te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0651
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/710020-16 (P)

Datum vonnis: 20 juli 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 juli 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Grooters en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. D.G. Hassink, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

feit 1: poging tot afdreiging van mevr. [slachtoffer 1] op 14 april 2016;

feit 2 primair: poging tot zware mishandeling van dhr. [slachtoffer 2] op 30 maart 2016;

feit 2 subsidiair: mishandeling van dhr. [slachtoffer 2] op 30 maart 2016;

feit 3: bedreiging met de dood van dhr. [slachtoffer 2] op 30 maart 2016;

feit 4: bedreiging met de dood dan wel zware mishandeling van dhr. [slachtoffer 2] op 5 april 2016 en 23 april 2016 door hem twee dreigbrieven te sturen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 14 april 2016 in de gemeente Deventer, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld (Eur 150,00), in elk geval van enig goed of geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, door aan die [slachtoffer 1] één of meer e-mail berichten te sturen of te zenden met daarin de bewoordingen: "Ik zal je eens mooi in beeld brengen bij al jouw 716 FB vrienden en bij Humanitas, kunnen ze allemaal zie hoe [slachtoffer 1] echt is, heerlijk mijn lul in je gulzige bekkie en iedereen mag het zien, ik wil het dubbele!!! nog een keer EUR 150,00 en dan ben je voorgoed van me af en doe ik niks. Voel me knap

genaaid en dat is de reden dat ik het zo doe!!!", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

Hij op of omstreeks 30 maart 2016 in de gemeente Kampen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen één of meermalen met een steel, althans een hard voorwerp op en/of tegen de arm en/of op de hand heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

binnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 30 maart 2016 in de gemeente Kampen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een steel; althans een hard voorwerp op en/of tegen de arm en/of op de hand, althans tegen het lichaam heeft geslagen;

3.

hij op of omstreeks 30 maart 2016 in de gemeente Kampen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :“Kom maar op, nu ga je eraan, ik maak je kapot”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 05 april 2016 en/of op of omstreeks 23 april 2016, althans in april 2016 in de gemeente Kampen en/of te Olst, gemeente Olst-Wijhe, althans in Nederland [slachtoffer 2] meermalen, althans éénmaal heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] één of meer brieven gestuurd of toegezonden met ondermeer de dreigende teksten of bewoordingen, zakelijk weergeven: Jij gaat eraan dikke homo, jij mijn leven tot een hel maken, nu ik de jouwe. Geloof me, er is niks gevaarlijker dan een vader die ‘niks meer te verliezen heeft, jij hebt nu alles te verliezen en dat ga je voelen ook, zou m’n oogjes maar goed open houden de komende dagen” en/of “ [slachtoffer 2] , hoe is dat nou om elke dag wakker te worden, eerst uit het raam te moeten kijken of ze er weer staan en kijken of het wel veilig is, want dat ze er binnenkort weer een staan is een feit. En dan nog eventjes het weer, hier en daar een plaatselijke bui (zoutzuur) maar daar kun je alleen maar van opknappen met jouw lelijke rotkop. De volgende keer niet weer zo gillen als een wijf, je maakt de hele buurt wakker, althans telkens bewoordingen van gelijke dreigende aard of

strekking;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dient te worden vrijgesproken omdat het tenlastegelegde opzet niet bewezen kan worden.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde bedreiging eveneens op het standpunt gesteld dat verdacht hiervan dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij met volstrekt andere woorden is bedreigd dan verdachte heeft verklaard en dat een bewezenverklaring niet enkel op de verklaring van verdachte mag worden gebaseerd.

Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte òf “Kom maar op, nu ga je eraan” òf “ik maak je kapot” heeft gezegd en niet beide uitlatingen in de richting van aangever [slachtoffer 2] heeft gedaan.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de bedreigingen zoals deze zouden zijn geuit in de tweede dreigbrief. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat aangever [slachtoffer 2] deze brief (ontvangen op 23 april 2016) nooit heeft geopend en daardoor niet op de hoogte is geraakt van de daarin opgenomen bedreiging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van dit feit sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank zal daarom in de bijlage volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring van dit feit hebben geleid.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De verdediging heeft aan het door haar gevoerde bewijsverweer als feit ten grondslag gelegd dat verdachte het slachtoffer slechts één maal met een steel een harde klap op zijn arm heeft gegeven.

De rechtbank gaat er op grond van de bewijsmiddelen echter vanuit dat verdachte aangever [slachtoffer 2] met een kloofbijlsteel te lijf is gegaan, hem hiermee één maal hard op de linker onderarm heeft geraakt en hem daarnaast nog een aantal malen met deze steel heeft geslagen. De rechtbank gaat daarbij uit van de verklaring zoals die door het slachtoffer dhr. [slachtoffer 2] is afgelegd.

Bij de beoordeling van het verweer van de raadsman dat bij verdachte geen sprake was van opzet om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen moet het volgende worden vooropgesteld.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer- is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard

Gezien de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte, te weten het doelbewust meermalen met kracht inslaan op aangever met een fors stuk hout, te weten een kloofbijlsteel van 90 centimeter lang (en een diameter van 50 bij 30 millimeter), is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij hierdoor bij aangever zwaar lichamelijk letsel zou kunnen veroorzaken.

Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat uit de op 3 juni 2016 door de forensisch arts S.J.Th. van Kuijk opgemaakte en ondertekende letselbeschrijving van [slachtoffer 2] blijkt dat aangever een grote pijnlijke zwelling van naar schatting 10 centimeter op de buitenzijde van zijn linker onderarm heeft opgelopen, dat sprake was van een zichtbare onderhuidse bloeduitstorting en dat aangever hier blijkens het schadeonderbouwingsformulier nog drie weken last van heeft gehad voordat de pijn was verdwenen.

Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte met grote kracht meerdere malen met de kloofbijlsteel op aangever heeft ingeslagen. Het op deze wijze uitoefenen van uitwendig geweld op het lichaam kan ernstige gevolgen hebben, zoals een botbreuk.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Aldus acht de rechtbank het opzet in voorwaardelijke zin bewezen en verwerpt zij het verweer van de verdediging daaromtrent.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De bewijsmiddelen, die de voor dit oordeel redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zijn als bijlage bij dit vonnis gehecht.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever met de dood heeft bedreigd. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de woorden “Kom maar op, nu ga je eraan” of “ik maak je kapot” in de richting van aangever [slachtoffer 2] heeft geuit. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de bewezenverklaring enkel steunt op de door verdachte afgelegde verklaring. De bewezenverklaring steunt namelijk ook op de door aangever [slachtoffer 2] afgelegde verklaring inhoudende dat verdachte tegen hem heeft gezegd: “ik ben met meer, ik ben niet alleen, ik heb een pistool en schiet je dood”. Weliswaar komen de bewoordingen waarin de doodsbedreiging is gesteld niet overeen maar in de verklaring van aangever dienaangaande vindt de verklaring van verdachte dàt hij doodsbedreigingen heeft geuit wel bevestiging. De rechtbank houdt het ervoor dat die doodsbedreigingen zijn verwoord overeenkomstig hetgeen de verdachte daaromtrent zelf heeft verklaard.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

De raadsman van verdachte heeft terecht gesteld dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging

Nu uit de bewijsmiddelen niet is gebleken dat aangever daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de inhoud van de brief die hij op 23 april 2016 heeft ontvangen, ziet de rechtbank aanleiding om verdachte van dit onderdeel van het onder 4 ten laste gelegde vrij te spreken.

Uit de bewijsmiddelen blijkt wel dat aangever [slachtoffer 2] op de hoogte is geraakt van de bedreigende inhoud van de brief die hij op 4 april 2016 heeft ontvangen. Ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging is sprake van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank zal daarom in de bijlage volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring van dit feit hebben geleid

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op of 14 april 2016 in de gemeente Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met openbaring van een geheim [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld (Eur 150,00), toebehorende aan die [slachtoffer 1] , door aan die [slachtoffer 1] één of meer e-mail berichten te sturen of te zenden met daarin de bewoordingen: "Ik zal je eens mooi in beeld brengen bij al jouw 716 FB vrienden en bij Humanitas, kunnen ze allemaal zie hoe [slachtoffer 1] echt is, heerlijk mijn lul in je gulzige bekkie en iedereen mag het zien, ik wil het dubbele!!! nog een keer EUR 150,00 en dan ben je voorgoed van me af en doe ik niks. Voel me knap

genaaid en dat is de reden dat ik het zo doe!!!", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair:

hij op 30 maart 2016 in de gemeente Kampen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een steel, tegen de arm en op de hand heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 30 maart 2016 in de gemeente Kampen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :“Kom maar op, nu ga je eraan” of “ik maak je kapot”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij omstreeks 5 april 2016 in de gemeente Kampen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] één brief toegezonden met onder meer de dreigende tekst, zakelijk weergeven: Jij gaat eraan dikke homo, jij mijn leven tot een hel maken, nu ik de jouwe. Geloof me, er is niks gevaarlijker dan een vader die ‘niks meer te verliezen heeft, jij hebt nu alles te verliezen en dat ga je voelen ook, zou m’n oogjes maar goed open houden de komende dagen”.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 302, 285, 318, Wetboek van strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: poging tot afdreiging;

feit 2 primair:

het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

feit 3

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 4

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf geen passende strafmodaliteit is. Een werkstraf is volgens de raadsman wel passend. Daarbij heeft de raadsman gewezen op het feit dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd in een zwarte periode in zijn leven, dat er geen sprake is van recente recidive en dat verdachte de afgelopen periode heeft gewerkt aan herstel van zijn leven. Zo heeft hij werk en woont hij begeleid zelfstandig.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich op 30 maart 2016 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] de partner van zijn ex-vriendin, met wie hij over de omgang met zijn kinderen in een conflict verwikkeld was.

Verdachte heeft zijn slachtoffer ’s ochtend bij diens woning opgewacht, gepoogd hem met een kloofbijlsteel zwaar te mishandelen en hem met de dood bedreigd.

In de periode hierna heeft verdachte zijn slachtoffer een dreigbrief gestuurd waarin hij het slachtoffer opnieuw met de dood heeft bedreigd.

Verdachte heeft door zijn handelwijze niet alleen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffer [slachtoffer 2] , maar hij heeft ook een gevoel van onveiligheid teweeggebracht. Niet alleen bij het slachtoffer maar ook bij zijn ex partner en bij verdachtes eigen bij die ex-partner verblijvende kinderen.

Deze feiten hebben veel impact op het slachtoffer en zijn gezin gehad, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring d.d. 4 juli 2017.

De rechtbank rekent verdachte zijn handelen zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte door middel van afdreiging gepoogd geld van [slachtoffer 1] te krijgen. Dit deed verdachte nadat [slachtoffer 1] hem vroeg om een lening terug te betalen. Verdachte dreigde hierop een foto van een seksuele handeling openbaar te maken indien [slachtoffer 1] hem niet een bepaald geldbedrag zou betalen.

Het hoeft geen betoog dat dit handelen van verdachte ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. Zij heeft lange tijd in angst geleefd dat verdachte zijn dreigement ten uitvoer zou brengen en dat haar vrienden en collega’s een foto te zien zouden krijgen met daarop een seksuele handeling waar zij bij betrokken was. Dat verdachte zichzelf zo heeft kunnen verlagen en het slachtoffer dit heeft kunnen aandoen, wordt hem door de rechtbank zwaar aangerekend.

De rechtbank houdt daarnaast ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de inhoud van het reclasseringsadvies van het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering d.d. 14 juni 2016. In dit rapport wordt geadviseerd om een werkstraf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Gezien de ernst van de feiten en de impact ervan op de slachtoffers acht de rechtbank de door de reclassering geadviseerde werkstraf echter onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten. Gelet op die ernst en op de persoon van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding om naast de door de officier van justitie geëiste werkstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan door de officier van justitie is geëist. Dit ter voorkoming van recidive.

Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte blijkens de inhoud van het uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 juni 2017 op 14 april 2011 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling begaan tegen zijn levensgezel en dat er naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst omtrent de kinderen contacten zullen blijven zijn tussen verdachte, zijn ex partner en dhr. [slachtoffer 2] .

Gelet op alle specifieke omstandigheden van het geval en de persoonlijke omstandigheden

van de verdachte acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 160 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

Dhr. [slachtoffer 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 438,43 (vierhonderd achtendertig euro en drieënveertig eurocent, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post eigen risico van € 38,43.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 400,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering geheel wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich voor wat betreft het materiële gedeelte van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht om deze te matigen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 2 primair en 3 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum waarop deze strafbare feiten zijn gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door 2 primair en 3 is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het 1, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1 het misdrijf: poging tot afdreiging.

feit 2 het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

feit 3 het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

feit 4 het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden

  • -

    bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

  • -

    kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 160 (honderdzestig) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 438,43 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2016);

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 2 primair en 3 bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 438,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 8 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2016183592. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 juli 2017, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 23 april 2016, inhoudende de door [verdachte] afgelegde bekennende verklaring ;

3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 april 2016, inhoudende de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring 1 ;

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde:

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2016514307. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

4. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 juli 2017, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 30 maart 2016 heb ik [slachtoffer 2] rond 5:30 uur voor zijn woning aan de [adres 2] opgewacht. Ik ben met een kloofbijlsteel op hem afgegaan en heb hem hiermee geslagen. Het zou kunnen dat ik hem een aantal keren met de kloofbijlsteel heb geraakt.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 oktober 2016, inhoudende de door [verdachte] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven 2 ;

Ik heb [slachtoffer 2] op 30 maart 2016 opgewacht met een steel. Daarmee heb ik hem aangevallen en hem een ‘goeie klap’ verkocht.

5. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 30 maart 2016 , inhoudende de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven 3 ;

Op 30 maart 2016 omstreeks 5:35 uur liep ik de deur uit van mijn woning aan de [adres 2] . Ik was nog maar net van het erf af of vanachter de heg met de buren, links van mij, hoorde en zag ik iemand te voorschijn springen.

Ik draaide mij om en zag een man (…) staan. Ik zag dat hij een lichtgekleurde stok of

honkbalknuppel en zijn handen hield en daar direct mee begon te slaan in mijn richting. Ik weerde automatisch met mijn linkerarm de klap af. Ik zag en voelde dat de stok mijn linker onderarm hard raakte.(…) Hierna bleef hij met die stok in mijn richting slaan. Hij hield de stok met twee handen vast.

Ik probeerde de slagen te ontwijken, maar toch voelde en zag ik dat hij mij enkele keren met die stok raakte, onder andere in mijn rechterzijde. (…) Ik zag dat het [verdachte] was.

6. De letselbeschrijving van [slachtoffer 2] d.d. 3 juni 2016 opgemaakt door S.J.Th. van Kuijk, forensisch arts 4 :

linker arm:

1/ grote pijnlijke zwelling - schatting 10 cm - op buitenzijde linker onderarm met

zichtbare onderhuidse bloeduitstorting. conclusie: zeer zware kneuzing

2/ pijnlijke linker schouder; kan schouder wel normaal bewegen

Herstel:

Naar verwachting volledig functioneel herstel binnen 3 tot 4 weken

Letsel past bij toedracht:

Letsel ontstaan door direct inwerkend stomp botsend geweld op de arm hetgeen zou

kunnen passen bij de door SO aangegeven toedracht.

7. een schriftelijk bescheid, te weten een afbelding van de kloofbijlsteel met daarop het opschrift:

Kloofbijlsteel, Kop 50 X 30 mm, 90 cm

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

8. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 30 maart 2016 , inhoudende de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven 5 ;

Onder het slaan hoorde ik dat [verdachte] op 30 maart 2016 tegen mij zei: “ik ben met meer, ik ben niet alleen, ik heb een pistool en schiet je dood”.

9. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 oktober 2016, inhoudende de door [verdachte] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven 6 ;

Ik zei: “Kom maar op, nu ga je eraan’of ‘ik maak je kapot”.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

10. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 juli 2017, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

11. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 oktober 2016 , inhoudende de door [verdachte] afgelegde bekennende verklaring 7 ;

12. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 5 april 2016, inhoudende de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring 8 .

1 Pagina 3-13.

2 Pagina 30-36.

3 Pagina 60-62.

4 Pagina 63-64.

5 Pagina 60-62.

6 Pagina 30-36.

7 Pagina 48-52.

8 Pagina 114-117.