Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2898

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
C/08/183503/HA ZA16-99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft in zijn hoedanigheid als bestuurder zijn taak niet naar behoren vervuld in de zin van artikel 2:9 BW, door meewerken aan constructie op grond waarvan hij een vergoeding ontving zonder dat daar werkzaamheden tegenover stonden, die die vergoeding rechtvaardigden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3993
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton- en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/183503/HA ZA16-99

datum vonnis: 12 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken,
in de zaak van:

STICHTING TWENTS SCHILDERSHUIS,

gevestigd te Hengelo (O),

verder te noemen: TSH,

eiseres,

advocaat: mr. A.J.C. van Gurp te Hengelo (O),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: [gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat: mr. T. Demirdag te Hengelo (O).

1 Het procesverloop

1.1

De volgende gedingstukken zijn gewisseld en de volgende proceshandelingen hebben plaatsgevonden:

  • -

    i) dagvaarding met 21 producties,

  • -

    ii) conclusie van antwoord met 8 producties,

  • -

    iii) waarna de rechtbank op 29 juni 2016 een tussenvonnis heeft gewezen, waarin

  • -

    iv) een comparitie is gelast, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016 en waarvan proces-verbaal is opgemaakt, waarbij

  • -

    v) TSH ter comparitie twee producties in het geding heeft gebracht alsmede pleitaantekeningen van mr. Van Gurp, waarna

  • -

    vi) TSH een conclusie van repliek heeft genomen met twee producties,

  • -

    vii) [gedaagde] een conclusie van dupliek heeft genomen met 9 producties, en

  • -

    viii) TSH een akte uitlaten producties heeft genomen.

1.2

De rechtbank heeft vonnis bepaald op heden.

2
2.De feiten

De volgende feiten kunnen, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende betwist, en voor zover hier van belang, als vaststaand worden aangenomen.

2.1

TSH heeft blijkens haar statuten ten doel “het verwerven, beheren, exploiteren en vervreemden van (on)roerende zaken en overige vermogensbestanddelen”. In het handelsregister is haar doel omschreven als: “beheer pand praktijk scholing van jongeren in het schildersvak.”

2.2

Het pand waar de praktijkscholing plaatsvindt, is gelegen aan de Sportlaan Driene 4 te Hengelo (O). Dit pand is eigendom van TSH en wordt voor onbepaalde tijd gehuurd door SPOS (zie rechtsoverweging 2.3) op grond van en huurovereenkomst
d.d. 1 juli 2005.

2.3

De praktijkscholing wordt verzorgd door de Stichting Samenwerkingsverband Praktijkopleiding Schilderen in de regio Twente (verder: SPOS), opgericht op

28 april 1988.

2.4

Bij akte van statutenwijziging van 28 mei 1999 heeft SPOS haar naam gewijzigd in Stichting Twents Schildershuis (TSH, eiseres in deze procedure). Op dezelfde datum is een nieuwe stichting opgericht, genaamd Samenwerkingsverband Praktijkopleiding Schilderen in de regio Twente (SPOS – zie rechtsoverweging 2.3).

2.5

Historie-informatie uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel vermeldt dat [gedaagde] van 23 april 1990 tot 28 mei 1999 voorzitter was van het bestuur van SPOS (waarvan de naam – zie rechtsoverweging 2.4 – op 28 mei 1999 werd gewijzigd in TSH).

2.6

[gedaagde] was van 1999 tot 1 januari 2010 directeur in loondienst van SPOS.

2.7

In augustus 2009 is tussen [gedaagde] en TSH een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten. Deze bepaalt in artikel 1 dat [gedaagde] met ingang van 2 november 2009 bij TSH in dienst treedt in de functie van directeur en in artikel 2 dat de dienstbetrekking is aangegaan voor bepaalde tijd, ingaande 1 januari 2010 tot 1 september 2012.

2.8

[gedaagde] is geboren op [geboortedatum] .

2.9

Bij de arbeidsovereenkomst hoort een taak- en functieomschrijving, waarin de taken van de directeur uitgebreid worden omschreven. De arbeidsovereenkomst vermeldt daarover: “Functieomschrijving directeur. Moet nog nader uitgewerkt worden.”

2.10

De functie van directeur van TSH was een nieuwe functie. Voorheen had TSH geen directeur en ook geen andere werknemers.

2.11

De arbeidsovereenkomst is, onder de tekst: “Namens het bestuur” getekend door de

heer [A] , voorzitter (verder: [A] ) en [B] , secretaris/penningmeester (verder: [B] ).

2.12

Tot de aanstelling van [gedaagde] als directeur was reeds besloten in een bestuursvergadering van TSH van 17 januari 2008. In het verslag van die vergadering staat onder meer: “[…] met algemene stemmen is besloten om de nieuwe opzet van […] SPOS te ondersteunen en daarmede per 1 januari 2010 […] [gedaagde] in dienst te nemen en onder dezelfde voorwaarden als bij [SPOS]. Hij zal voor T.S.H. werkzaamheden verrichten en een supervisor zijn voor de nieuwe directie bij het SPOS […]. Verdere afspraken zijn nog niet gemaakt omdat de accountant nog eerst geraadpleegd moet worden […].”

2.13

[gedaagde] was bij de in de vorige rechtsoverweging bedoelde vergadering aanwezig als directeur SPOS en als “algemeen secundus”.

2.14

Per 13 februari 2013 is [A] als voorzitter van het bestuur van TSH afgetreden en

opgevolgd door de heer [C] . [B] is op dezelfde dag als secretaris/penningmeester opgevolgd door de heer [D] .

2.15

Per 1 januari 2010 is de heer [E] (verder: [E] ) aangesteld als directeur van SPOS, als opvolger van [gedaagde] , die tot dat moment directeur van SPOS was.

2.16

Op 20 november 2013 is aan [E] , na een dringend verzoek daartoe van een adviseur van [E] , (een deel van) de administratieve bescheiden van TSH overgedragen.

2.17

Op 14 februari 2013 heeft de accountant van SPOS en TSH, de heer [F] (verder: [F] ) onder meer de jaarrekeningen van TSH over de jaren 2008 tot en met 2012 aan [E] toegezonden.

2.18

Uit de jaarrekeningen blijkt – kort gezegd – dat TSH in de jaren 2007 tot en met 2009 jaarlijks een (gering) positief resultaat kende en in de jaren 2010/2012 een betrekkelijk groot verlies, welk verlies voor het grootste deel werd veroorzaakt door de post salarissen, te weten het salaris c.a. van [gedaagde] , als gevolg van welk een en ander het eigen vermogen van TSH van € 436.923,- per ultimo 2009, per ultimo 2012 was gedaald tot € 144.744,-.

3 De vordering

3.1

TSH vraagt de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad:

I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] als bestuurder van TSH zich jegens TSH heeft schuldig gemaakt aan onbehoorlijk bestuur, subsidiair dat [gedaagde] jegens TSH zich schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad;

II. voor recht te verklaren dat [gedaagde] zich ten koste van TSH onrechtvaardig heeft verrijkt, subsidiair dat [gedaagde] zich jegens TSH schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad;

III. [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis aan TSH te voldoen een bedrag van € 304.573,- ten titel van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over de afzonderlijke bedragen waaruit de hoofdsom is samengesteld, telkens vanaf het moment waarop de afzonderlijke betaling van die afzonderlijke bedragen ten behoeve van [gedaagde] heeft plaatsgevonden, althans in ieder geval vanaf 13 september 2012, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;

IV. [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis aan TSH te voldoen een bedrag van € 3.298,- ter vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;

V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in de kosten voor het gelegde conservatoire beslag.

4 De standpunten van partijen

TSH

TSH stelt -kort gezegd en voor zover ten deze van belang- het volgende.

4.1

TSH stelt dat [gedaagde] als formeel en/of feitelijk bestuurder van TSH zijn bestuurstaak onbehoorlijk heeft vervuld, althans jegens TSH onrechtmatig heeft gehandeld door
– kort gezegd – te bewerkstelligen en er aan mee te werken dat aan hem een arbeidsovereenkomst als directeur van TSH werd aangeboden – en deze te aanvaarden – terwijl in feite tegenover de aanspraak op loon die [gedaagde] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst had, geen wezenlijke arbeidsprestatie stond.

4.2

TSH stelt dat de (ten behoeve van [gedaagde] nieuw in het leven geroepen) functie van directeur TSH geen reële inhoud had. De werkzaamheden in het verband met het beheer van het pand waren zeer gering en werden daarvoor om niet door het bestuur gedaan. De taken als vermeld in de functieomschrijving pasten op geen enkele wijze bij de functie van directeur TSH. Bovendien heeft [gedaagde] , aldus TSH, in het geheel geen werkzaamheden verricht, ook niet in de zin van coaching/begeleiding van zijn opvolger bij SPOS, [E] .

4.3

Volgens TSH maakt [gedaagde] formeel, en zo niet formeel dan in elk geval de facto deel uit van het bestuur van TSH, hetgeen onder andere blijkt uit het feit dat [gedaagde] in ieder geval vanaf januari 2008 aan alle bestuursvergaderingen van TSH deelnam “als algemeen secundus” en notulist. Dat was bijvoorbeeld al zo op 17 januari 2008, toen [gedaagde] ook nog directeur was van SPOS en in welke toen gehouden vergadering (zie rechtsoverweging 2.12) werd besloten [gedaagde] tot directeur van THS te benoemen per
1 januari 2010.

4.4

Dat [gedaagde] in elk geval in 2005 bestuurder van TSH was, blijkt ook uit het feit dat hij op 1 juli 2005 als bestuurder van TSH een huurovereenkomst is aangegaan met SPOS (als huurder) met betrekking tot het pand Sportlaan Driene 4.

4.5

Ook in de TSH bestuursvergaderingen gehouden in 2009 en 2011, was [gedaagde] blijkens de van die bijeenkomsten gemaakte verslagen aanwezig. In één van die vergaderingen is het besluit genomen “aan de drie bestuurders” een reis- en vacatievergoeding toe te kennen. Volgens TSH blijkt ook hieruit dat [gedaagde] bestuurder van TSH was.

4.6

TSH stelt dat uit de verslagen of anderszins in het geheel niet blijkt van werkzaamheden van [gedaagde] in de periode dat hij directeur in loondienst was van TSH.

4.7

Reeds in een memo gedateerd 19 oktober 2007 heeft [F] het toenmalige bestuur van SPOS, waarvan toen al [B] deel uitmaakte, een vijftal suggesties gedaan met het oog op de kennelijke wens om voor [gedaagde] een regeling te treffen die ervoor moest zorgen dat hij gedurende de periode van ongeveer tweeëneenhalf jaar voor zijn pensioendatum een inkomen zou ontvangen. Een van [F's] suggesties was doorbetaling van het salaris (door SPOS) zonder – kort gezegd – de verplichting werkzaam te zijn.

4.8

Volgens TSH komt de regeling die uiteindelijk voor [gedaagde] is getroffen, er op neer dat [gedaagde] feitelijk door de indiensttreding bij TSH met pre-pensioen is gegaan bij SPOS, echter ten laste van TSH.

4.9

Als gevolg daarvan is het eigen vermogen van TSH ernstig aangetast (zie rechtsoverweging 2.18).

4.10

TSH stelt dat de schade die zij heeft geleden gelijk is aan de som van het brutoloon, de pensioenpremies en de sociale lasten aan respectievelijk ten behoeve van [gedaagde] betaald in de jaren 2010, 2011 en 2012, tot een totaal van € 304.573,-.

4.11

De statuten van TSH bepalen in artikel 4, lid 1 dat de stichting ten minste drie bestuursleden dient te hebben. Uit schriftelijke verklaringen van [A] en [B] blijkt volgens TSH dat [gedaagde] , naast hen, zowel vóór 1 januari 2010 als daarna (het derde) bestuurslid was.

[gedaagde]

stelt -kort gezegd en voor zover ten deze van belang- het volgende.

4.12

[gedaagde] stelt dat hij niet als bestuurder van TSH is aangesteld, maar als directeur, en wel voor bepaalde tijd (1 januari 2010 tot 1 september 2012).

4.13

Het TSH-bestuur dat hem destijds als directeur aanstelde, bestond uit [A] en [B] .

4.14

De bij de arbeidsovereenkomst gevoegde functieomschrijving fungeerde voornamelijk als “praatstuk” omdat, aldus [gedaagde] , “de nieuw[e] geschapen functie van directeur TSH nadere invulling diende te worden gegeven”. Het was de bedoeling dat hij naast zijn werkzaamheden als directeur TSH zou optreden als “supervisor” voor de nieuwe directeur van SPOS ( [E] ). Zo zou [gedaagde] – buiten SPOS – zijn opvolger niet voor de voeten lopen en zou het toch mogelijk zijn dat zijn, [gedaagde] ’, netwerk en kennis van zaken van nut waren.

4.15

[gedaagde] staat bij de Kamer van Koophandel niet ingeschreven als bestuurder van TSH, hetgeen blijkt uit een (ongedateerd) “bericht van registratie” (productie 3 bij conclusie van antwoord).

4.16

Uit de aanwezigheid van [gedaagde] bij de bestuursvergaderingen van TSH kan niet de conclusie worden getrokken dat hij ook bestuurder van TSH was.

4.17

[gedaagde] stelt – kort gezegd – dat de werkzaamheden van TSH, althans zijn functie als directeur, meer omvatten dan alleen het beheer van het gebouw en dat hij wel degelijk werkzaamheden als directeur van TSH heeft verricht. De ook beoogde begeleiding van [E] kwam echter niet van de grond omdat de “chemie” tussen hen beiden ontbrak.

4.18

Volgens [gedaagde] heeft het voormalige bestuur van TSH hem overigens “voor zijn handelen volledige décharge […] verleend”.

4.19

[gedaagde] stelt na zijn aanstelling als directeur de bestuursvergaderingen van TSH als zodanig (dus als directeur) te hebben bijgewoond en louter – daarnaast – als notulist te hebben gefungeerd. Hij stelt voorts zich niet te hebben beziggehouden met “typische aangelegenheden van het bestuur” en is daarom ook niet te beschouwen als feitelijk bestuurder. Ook het door hem mee tekenen van de jaarrekeningen van TSH, is niet als zodanig te beschouwen.

4.20

[gedaagde] ontkent betrokken te zijn geweest bij het besluit tot zijn eigen aanstelling als directeur TSH en de bepaling van zijn arbeidsvoorwaarden. Dat was een besluit van het toenmalige bestur van TSH, bestaande uit [A] en [B] . Ook om die reden is hem ook enig onrechtmatig handelen jegens TSH niet te verwijten.

4.21

Hem kan, aldus [gedaagde] , geen ernstig verwijt worden gemaakt in de zin van
artikel 2:9 BW voor de omstandigheden die tot zijn aanstelling als directeur van TSH hebben geleid, want hij, [gedaagde] , was geen bestuurder van TSH. Daarnaast kent
artikel 2:9 BW geen analoge aansprakelijkheidsstelling voor feitelijke bestuurders zoals die bijvoorbeeld wel in artikel 2:248 lid 7 is geregeld.

4.22

Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is geen aanleiding, nu TSH hem “intern” aansprakelijk heeft gesteld. Overigens heeft TSH onvoldoende gesteld om onrechtmatig handelen zelfs maar aannemelijk te achten.

4.23

[gedaagde] stelt voorts dat TSH de gestelde schade volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd omdat – zo begrijpt de rechtbank [gedaagde] – TSH weet, althans moet weten dat hij wel daadwerkelijk werkzaamheden voor TSH heeft verricht.

4.24

Ook van ongerechtvaardigde verrijking, zoals TSH stelt, is geen sprake en TSH onderbouwt die stelling volgens [gedaagde] niet.

5 De beoordeling

5.1

[gedaagde] is gedurende lange tijd, eerst als voorzitter van het bestuur van SPOS en later
– tot 1 januari 2010 – als directeur van SPOS, aan SPOS verbonden geweest.

5.2

[gedaagde] zou, bij voortzetting van het dienstverband, op 1 september 2012, kort na zijn 65ste verjaardag, met pensioen zijn gegaan.

5.3

Uit door hem in het geding gebrachte informatie over zijn gezondheidstoestand, komt naar voren dat [gedaagde] vanaf circa 2007 gezondheidsproblemen had.

5.4

Dat is kennelijk (mede) aanleiding geweest om te onderzoeken of [gedaagde] het kalmer aan kon gaan doen en dit werd onderwerp van gesprek tussen hem, [A] en [B] .

5.5

Op verzoek van toenmalige bestuursleden van TSH heeft [F] al in 2007 suggesties gedaan om te bereiken dat [gedaagde] zijn werkzaamheden kon beëindigen met – kort gezegd – behoud van salaris (zie rechtsoverweging 4.7 en productie 10 bij dagvaarding).

5.6

Voor geen van de door [F] destijds gedane suggesties is gekozen en in plaats daarvan is aan [gedaagde] de nieuw in het leven geroepen functie van directeur TSH aangeboden, welke functie hij heeft aanvaard.

5.7

Aan de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat het daarbij in wezen om een schijnaanstelling ging en dat [gedaagde] geen serieuze werkzaamheden ten behoeve van TSH zou verrichten en heeft verricht, anders dan het bijwonen van enige bestuursvergaderingen en enig beperkt administratief werk. De taakomschrijving beschrijft in wezen niet het werk van een directeur van TSH, maar bevat eerder SPOS taken. [gedaagde] stelt weliswaar dat hij werkzaamheden heeft verricht, maar hij laat na om duidelijk te maken welke dat zijn en geeft geen voorbeelden anders dan, in algemene zin, de genoemde beperkte administratieve werkzaamheden, welke overigens volgens een verklaring van [F] , door een derde werden gedaan, op basis waarvan de accountant de jaarrekening opstelde. Ook van de door [gedaagde] gestelde werkzaamheden als supervisor van [E] , is niet gebleken dat die daadwekelijk gebeurd zijn.

5.8

De rechtbank overweegt dat voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] ’ functie van directeur van TSH in werkelijkheid niets om het lijf had.

5.9

De gekozen constructie komt er op neer dat [gedaagde] in feite de laatste periode van zijn betrokkenheid bij SPOS door TSH werd betaald zonder een serieuze verplichting arbeid te verrichten.

5.10

[gedaagde] was van meet af aan betrokken bij het opzetten van de bedoelde constructie. Dat blijkt reeds uit het verslag van de bestuursvergadering van TSH van 17 januari 2008, waarbij, naast [A] en [B] , [gedaagde] aanwezig was.

5.11

De vraag waarover partijen van inzicht verschillen is welke hoedanigheid [gedaagde] had toen werd besloten tot het optuigen van zijn exit-constructie.

5.12

De rechtbank overweegt hierover om te beginnen dat blijkens artikel 4, lid 1 van de statuten van TSH, het bestuur uit tenminste drie leden bestaat. In 2008 waren [A] en [B] respectievelijk voorzitter en secretaris/penningmeester. Volgens het verslag van de vergadering van 17 januari 2008 was [gedaagde] toen “notulist”.

5.13

[gedaagde] was bij alle volgende bestuursvergaderingen ook aanwezig. Als hoedanigheid wordt steeds vermeld “algemeen secundus” of “Alg. sucundem”. Deze omschrijving wekt de indruk dat [gedaagde] op informele wijze, althans feitelijk als het derde bestuurslid opereert.

5.14

Die indruk wordt bevestigd door in het geding gebrachte verklaringen van [A] en [B] , die stellen (producties 24 en 25 bij conclusie van repliek) dat [gedaagde] tevens bestuurder was van TSH, aanvankelijk in zijn hoedanigheid van directeur SPOS
(“de directeur van SPOS was in die tijd het derde bestuurslid van [TSH]”, hetgeen volgens [A] en [B] zo is gebleven na zijn aanstelling tot directeur van TSH. [A] en [B] verklaren voorts: “Wij besloten enkel gedrieën ter zake van bestuursaangelegenheden” en verklaren dat ook de jaarrekeningen van TSH door
“het bestuur inclusief […] [gedaagde] werden getekend”.

5.15

Dat [gedaagde] door alle betrokkenen werd beschouwd en behandeld als bestuurder, blijkt daarnaast uit het feit dat hij, net als Röder en [B] , een reis- en vacatievergoeding ontving.

5.16

Tegenover de verklaringen van [A] en [B] staat een verklaring van [F] van 25 februari 2017. [F] stelt dat [gedaagde] “[…] destijds uitdrukkelijk geen bestuurder van [TSH] was”. Uit de context van [F's] verklaring blijkt dat [F] het oog heeft op de periode tot 2010. In die periode, aldus [F] , heeft het toenmalige bestuur “bedacht om […] [gedaagde] als “algemeen secundus” te benoemen”, maar de bevoegdheid om bestuursbeslissingen te nemen zou bij het bestuur zijn gebleven.

5.17

De rechtbank overweegt dat [F's] verklaring, nu deze in hoge mate gebaseerd lijkt te zijn op informatie van [gedaagde] en in mindere mate op eigen waarneming en inzicht, onvoldoende is om de conclusie te dragen dat [gedaagde] niet als bestuurder van TSH heeft gefungeerd, in het bijzonder ook niet op de vergadering van 17 januari 2008 bij welke vergadering [F] overigens niet aanwezig was.

5.18

Op grond van de feiten en omstandigheden hiervoor besproken, overweegt de rechtbank dat in voldoende mate aannemelijk is geworden dat [gedaagde] , op het moment dat tot zijn exit-arrangement werd besloten, als bestuurder van TSH optrad. In elk geval is in voldoende mate aannemelijk geworden dat [gedaagde] toen – en in de jaren nadien tot zijn vertrek bij TSH – consequent de facto als bestuurder van TSH heeft gefungeerd.

5.19

[gedaagde] stelt nog dat hij “voor zijn handelen volledige décharge” heeft gekregen van het voormalige bestuur van TSH. TSH betwist dit. Nu [gedaagde] zijn stelling op geen enkele wijze toelicht of de juistheid daarvan aantoont, gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij.

5.20

De rechtbank overweegt dat, gelet op alle omstandigheden, [gedaagde] beschouwd dient te worden als bestuurder van TSH in formele zin op het moment dat tot zijn exit-arrangement werd besloten. In die hoedanigheid heeft hij meegewerkt aan een constructie op grond waarvan hij een vergoeding ontving zonder dat daar werkzaamheden tegenover stonden, die die vergoeding rechtvaardigden. De rechtbank overweegt dat, door daar aan mee te werken, [gedaagde] in zijn hoedanigheid als bestuurder zijn taak niet naar behoren heeft vervuld in de zin van artikel 2:9 BW, nu een redelijk handelend bestuurder aan een dergelijke constructie zijn medewerking niet zou hebben gegeven.

5.21

[gedaagde] is om die reden aansprakelijk voor de schade die TSH als gevolg daarvan heeft geleden.

5.22

TSH stelt dat de schade gelijk is aan het totaal van de betalingen die [gedaagde] in de periode 1 januari 2010/13 september 2012 heeft ontvangen. Het totaalbedrag (brutoloon, pensioenpremie en sociale lasten) bedraagt € 304.573,-.

5.23

[gedaagde] laat zich over de schade niet uit anders dan dat hij stelt wel enige werkzaamheden te hebben verricht, zonder daaromtrent echter specifiek te zijn.

5.24

Het gevorderde bedrag wordt bevestigd door de door TSH in het geding gebrachte jaarrekeningen en loonopgaven. De rechtbank zal de schade bepalen op € 304.573,-. De wettelijke rente zal worden toegekend, in redelijkheid en om praktische redenen, ingaand per de dag volgend op het einde van het dienstverband, dus 13 september 2012.

5.25

De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen als gevorderd, nu TSH voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat die kosten ook zijn gemaakt, met de wettelijke rente daarover vanaf de dagvaarding.

5.26

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

6 De beslissing

de rechtbank:

I. veroordeelt [gedaagde] om aan TSH te betalen binnen veertien dagen na heden een bedrag van € 304.573,- te vermeerderen met de wettelijke daarover vanaf
13 september 2012 tot de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt [gedaagde] om aan TSH te betalen binnen veertien dagen na heden een bedrag van € 3.298, ter vergoeding van door TSH gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening;

III. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van TSH, tot op heden begroot op € 3.903,- (griffierecht), € 81,59 (beslagkosten) en € 7.000,- voor de kosten van de advocaat van TSH (3,5. punten, tarief VI);

IV. wijst af het meer of anders gevorderde;

V. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.M. van den Wall Bake en op 12 juli 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.