Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2897

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
08.035349-17 en 08.191033-16 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na een vechtpartij met Oud en Nieuw in Wijhe is een 22-jarige man uit Olst veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De man is schuldig aan zware mishandeling en vernieling van de telefoon van het slachtoffer uit hetzelfde dorp. Ook moet de man ruim 3100 euro schadevergoeding betalen. De rechtbank oordeelt dat hij daarnaast 1 week cel uit een eerdere voorwaardelijke straf moet uitzitten.

De vechtpartij ontstond schijnbaar naar aanleiding van een incident in 2013, waar de man nog steeds gefrustreerd over is, ontvlamde er iets in hem toen het slachtoffer hem op 1 januari 2017 de beste wensen wilde overbrengen na een feestje en daarbij een arm om hem heen sloeg.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Kort na elkaar waren er twee vechtpartijen tussen de mannen. Na een min of meer gelijkwaardige aanvang van de tweede vechtpartij door de twee behoorlijk opgefokte mannen, ging de vechtpartij geleidelijk aan over in een eenzijdige mishandeling van een verslagen slachtoffer door verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.035349-17 en 08.191033-16 (tul) (P)

Datum vonnis: 13 juli 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 juni 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M.C.V. Fellinger en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld dan wel dit heeft geprobeerd dan wel heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg;

feit 2: de telefoon van [slachtoffer] heeft vernield.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1. primair

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 1 januari 2017 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een (lichte) hersenschudding en/of een stuk van het oor af, heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal, te slaan en/of stompen en/of schoppen tegen/in/op het hoofd en/of lichaam en/of te bijten in een oor;

1. subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 1 januari 2017 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt tegen/op/in het hoofd en/of lichaam en/of heeft gebeten in een oor,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. meer subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 1 januari 2017 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, te slaan en/of stompen en/of schoppen tegen/in/op het hoofd en/of lichaam en/of te bijten in een oor, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een (lichte) hersenschudding en/of een stuk van het oor af ten gevolge heeft gehad;

2

hij op of omstreeks 1 januari 2017 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een mobiele telefoon, dat geheel of ten dele aan een

ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op zondag 1 januari 2017 om 5:51 uur krijgt de politie de melding dat er een jongen in elkaar geslagen wordt ter hoogte van de [straat] te Wijhe. Een jongen met een grijs vest en witte sneakers aan zou een andere jongen aan het slaan zijn. De jongen die wordt geslagen zou op de grond liggen. Ter plaatse ziet de politie een man op de grond liggen, naar later blijkt [slachtoffer] . Door omstanders wordt aan hem eerste hulp verleend. Het gezicht van [slachtoffer] zit onder het bloed, hij is wisselend aanspreekbaar, valt af en toe weg, klaagt over benauwdheid en hij mist een stuk van zijn oor welk stuk iets verderop wordt gevonden. Door omstanders wordt [verdachte] aangewezen als dader van de mishandeling. [slachtoffer] is vervolgens met een ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis te Zwolle.

Vervolgens treft de politie bij de sporthal een man aan die op de grond zit, naar later blijkt [verdachte] . [verdachte] draagt een grijs vest en witte sneakers. De politie ziet dat hij een rode substantie aan zijn schoenen, broek en handen heeft, vermoedelijk bloed. De politie ziet dat [verdachte] op de grond ligt en met zijn hand aan zijn maagstreek zit. Hij geeft aan dat hij last heeft van zijn maag en dat dat zou zijn gekomen omdat hij geslagen zou zijn door ene [slachtoffer] , naar later blijkt [slachtoffer] .

Uit nader onderzoek blijkt dat er een vechtpartij tussen [slachtoffer] en [verdachte] heeft plaatsgevonden op twee locaties. Allereerst op het plein nabij de sporthal en later op de openbare weg [straat] te Wijhe.

[slachtoffer] blijkt onder andere een lichte hersenschudding en een gebroken neus te hebben; verder mist hij een stuk van zijn oor.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daarbij heeft zij zich onder andere gebaseerd op de camerabeelden, de aangifte, de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van feit 2.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 1 onder primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt hiervan moet worden vrijgesproken, omdat een gebroken neus en lichte hersenschudding niet zijn aan te merken als zwaar letsel en zijn cliënt ten stelligste ontkent dat hij een stuk van het oor van het slachtoffer heeft afgebeten. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft de raadsman bepleit dat zijn cliënt een beroep toekomt op noodweerexces. Omdat volgens zijn cliënt [slachtoffer] hem ten tijde van het tweede incident als eerste aanviel en niet ophield, was zijn cliënt genoodzaakt zich te verdedigen en te blijven verdedigen. [slachtoffer] viel op een gegeven moment ook de vriendin van zijn cliënt aan. Dit veroorzaakte een dermate hevige gemoedsbeweging bij zijn cliënt zodat hem (verdachte) ter zake van de gedragingen die daarop volgden een beroep op noodweerexces toekomt.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 januari 2017.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Op 1 januari 2017, vroeg in de ochtend, hebben er kort na elkaar twee vechtpartijen tussen verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] plaatsgevonden. Voor wat betreft de eerste vechtpartij en het eerste deel van de tweede vechtpartij houdt de rechtbank het ervoor dat beide deelnemers een min of meer gelijkwaardige bijdrage hebben geleverd aan en aandeel hebben gehad in de vechtpartij. Deze zienswijze baseert de rechtbank op de verklaringen in het dossier en, in sterke mate, op de beelden van de eerste vechtpartij. Die bijdrage c.q. dat aandeel kenmerkt zich door een bij beide partijen bestaande kennelijke bereidheid - zo niet gretigheid - tot het aangaan van een fysiek conflict met de opponent.

Bij de beoordeling van de (primair) voorliggende vraag of verdachte aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, neemt de rechtbank met name in ogenschouw wat zich blijkens de bewijsmiddelen gedurende de tweede vechtpartij heeft voorgedaan nu moet worden geconcludeerd dat de eerste vechtpartij voor [slachtoffer] (en voor verdachte) nauwelijks letsel tot gevolg heeft gehad.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onderdeel ‘meerdere tijdstippen’ in de tenlastelegging.

Als eerste zal de rechtbank de vraag beantwoorden of het ontstane letsel is ontstaan door toedoen van verdachte.

Uit de bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat tijdens de tweede vechtpartij, die plaatsvond aan [straat] te Wijhe, verdachte kans heeft gezien om een stuk van het oor van [slachtoffer] af te bijten. Verdachte ontkent dit deel, met name omdat hij zich niet kan herinneren dat hij dat heeft gedaan. Verdachte stelt dat het oor wellicht op andere wijze, bijvoorbeeld door schuren over het wegdek, moet zijn afgescheurd. Los van de vraag of zodanig schuren over het wegdek, waarvoor verdere aanknopingspunten/letseltypica ontbreken, zou kunnen leiden tot een (partieel) verlies van een oor, acht de rechtbank dit scenario niet aannemelijk. De rechtbank acht daarentegen wel geloofwaardig en betrouwbaar de toedracht zoals daaromtrent op dit punt door [slachtoffer] is verklaard. Die verklaring komt erop neer dat verdachte tijdens het tweede gevecht een deel van het oor van [slachtoffer] heeft afgebeten. Een gebeurtenis die voor [slachtoffer] vergezeld ging van enorme pijn en veel indruk gemaakt moet hebben op [slachtoffer] .

Uit de bewijsmiddelen concludeert de rechtbank verder dat verdachte heeft geslagen en geschopt tegen het gezicht van [slachtoffer] . Nu van enige relevante betrokkenheid van derden bij het gevecht niet is gebleken kan het niet anders dan dat verdachte ook het overig letsel bij [slachtoffer] veroorzaakt heeft.

De tweede vraag die beantwoord moet worden is of het ontstane letsel te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel.

Als bewijsmiddelen heeft de rechtbank gelet op de GGD-letselrapportage en de brieven van de KNO-arts en de plastisch chirurg die bij de vordering benadeelde partij zijn gevoegd.

De rechtbank stelt op grond van deze bewijsmiddelen vast dat is bewezen dat verdachte [slachtoffer] zodanig heeft mishandeld dat hij -onder meer- een gebroken neus en afgebeten oor heeft bekomen. In het ziekenhuis is de neus een week na de mishandeling zo goed mogelijk rechtgezet. Tien dagen later zijn de in de neus geplaatste spalken onder verdoving verwijderd. De neus zal een afwijking naar links blijven houden. Het oor is in eerste instantie alleen schoongemaakt en gehecht, een reconstructie zou pas later kunnen plaatsvinden. Op 20 februari 2017 is [slachtoffer] de eerste keer aan zijn oor geopereerd. Hierna zullen in elk geval nog twee operaties volgen, terwijl voorspeld is dat altijd een litteken zichtbaar zal blijven. Ter zitting heeft [slachtoffer] verklaard dat dat hij pas sinds twee weken weer aan het werk is en dat er nog steeds botsplinters uit zijn neus steken wat niet meer hersteld kan worden.

De rechtbank overweegt dat in het algemeen spraakgebruik het hebben van een gebroken neus en afgebeten oor in combinatie met de daarbij benodigde operaties en de verwachte restverschijnselen gekwalificeerd zal kunnen worden als zwaar lichamelijk letsel. Bij de juridische toets heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Mede in het licht van de daarover bestaande jurisprudentie en hetgeen in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel sprake is.

Verdachte heeft door te slaan en te schoppen tegen een zodanig kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd en door te bijten in een oor, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

De laatste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte heeft gehandeld vanuit een noodweer- of noodweerexcessituatie.

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient allereerst voldoende aannemelijk te zijn dat verdachte in een ‘noodweersituatie’ verkeerde. Om van een dergelijke situatie te kunnen spreken dient er sprake zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging geboden was.

Uit de bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat na een min of meer gelijkwaardige aanvang van de tweede vechtpartij door twee behoorlijk opgefokte mannen, de vechtpartij geleidelijk aan over ging in een eenzijdige mishandeling van een verslagen [slachtoffer] door verdachte. Zoals hiervoor overwogen heeft dit erin geresulteerd dat verdachte een deel van het oor van [slachtoffer] afbeet. Voorts heeft verdachte, terwijl [slachtoffer] weerloos in elkaar gezakt op de grond zat en later lag, en er mitsdien van een gelijkwaardig gevecht geenszins sprake meer was, er niet voor gekozen om weg te lopen, maar heeft hij [slachtoffer] nogmaals geslagen en geschopt. Deze vaststelling volgt met name eenduidig uit de verklaringen van twee onafhankelijke getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , die verklaard hebben dat in het gevecht op een gegeven moment één van tweeën (waarvan is vastgesteld dat dit verdachte betrof) de overhand kreeg en er éénzijdigheid ontstond in het toedienen van klappen en schoppen. Dat verdachte, gelijk de raadsman heeft betoogd, reageerde op het feit dat [slachtoffer] in een eerder stadium zijn (verdachtes) vriendin een duw zou hebben gegeven, is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardiging om opnieuw aan te vallen.

Bij deze stand van zaken is niet aannemelijk geworden dat de gedragingen van verdachte die het bij [slachtoffer] vastgestelde zwaar lichamelijk letsel hebben bewerkstelligd, hebben plaatsgehad in het kader van een noodzakelijke verdediging. Bij afwezigheid van noodzakelijke verdediging behoeft de vraag naar verontschuldigbare overschrijding van de aanvaardbare grenzen daarvan, de vraag aangaande noodweerexces, geen bespreking. Het verweer wordt verworpen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor en in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1 primair

hij op 1 januari 2017 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een stuk van het oor af, heeft toegebracht door te slaan en te schoppen tegen het hoofd en te bijten in een oor;

2

hij op 1 januari 2017 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe, opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer] heeft vernield.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 302 en 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf:

zware mishandeling

feit 2

het misdrijf:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, onder aftrek van het voorarrest, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit te volstaan met een werkstraf, al dan niet aangevuld met een voorwaardelijke straf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] en vernieling van diens telefoon. Schijnbaar naar aanleiding van een incident in 2013, waar verdachte nog steeds gefrustreerd over is, ontvlamde er iets in verdachte toen [slachtoffer] hem op 1 januari 2017 de beste wensen wilde overbrengen na een feestje en daarbij een arm om hem heen sloeg. Na een eerste vechtpartij belandden ze bij de tweede vechtpartij allebei op de grond. Terwijl [slachtoffer] aan het eind van het gevecht uitgeschakeld was heeft verdachte hem nog geslagen en kwam hij, na al weggelopen te zijn, nog een keer terug om hem tegen onder andere zijn hoofd te schoppen. Als gevolg van deze mishandeling heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, bestaande uit onder meer een gebroken neus en een afgebeten oor. Naast lichamelijk letsel heeft het voorval ook psychische gevolgen gehad voor [slachtoffer] , zoals blijkt uit diens vordering benadeelde partij. De rechtbank rekent het verdachte met name zwaar aan dat hij door is gegaan terwijl de vechtpartij al beslecht was waarmee het handelen van verdachte enkel verklaard kan worden vanuit de wens zijn frustratie op [slachtoffer] te botvieren.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van zware mishandeling door middel van bijvoorbeeld één of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 mei 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

In het kader van deze strafzaak is door de reclassering een rapportage over de persoon van verdachte opgemaakt. De reclassering ziet, terugkijkend op zijn uittreksel justitiële documentatie, een patroon in geweldsdelicten. De reclassering concludeert verder dat een eerder vastgestelde beperkte frustratietolerantie en gebrekkige oplossingsvaardigheden bij verdachte vermoedelijk nog steeds aan de orde zijn. Een aanbod gericht hierop acht de reclassering wenselijk, maar verdachte ziet hiertoe geen noodzaak. De reclassering adviseert dan ook om geen bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank stelt vast dat hoewel de houding van verdachte ter zitting de conclusies van de reclassering onderstreept en gelet hierop behandeling of begeleiding meer dan aangewezen zou zijn, de afwezigheid van motivatie bij de verdachte om in dit kader begeleid te worden maakt dat de rechtbank hiertoe geen mogelijkheden ziet in het kader van de strafoplegging.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande, geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 7.410,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    € 385,- eigen risico zorgverzekering;

  • -

    € 45,- eigen risico mobiele telefoon;

  • -

    € 21,78 accessoires mobiele telefoon;

  • -

    € 69,99 broek;

  • -

    € 79,99 trui;

  • -

    € 309,12 reiskosten.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 6.500,- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd van de vordering van de benadeelde partij het materiële gedeelte in zijn geheel toe te wijzen en het immateriële gedeelte tot € 3.000,- te matigen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de kosten voor de telefoon. Verder heeft de raadsman bepleit rekening te houden met culpa in causa aan de zijde van [slachtoffer] en de reiskosten af te wijzen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten voor de materiële schade, waaronder de reiskosten, waarbij de rechtbank ervan uit gaat dat de benadeelde partij deze kosten heeft moeten betalen aan zijn ‘chauffeur’, zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk, zodat de rechtbank de materiële kosten à € 910,88 geheel zal toewijzen.

De immateriële schade zal de rechtbank matigen tot een bedrag van € 3.000,00, omdat dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank beter past bij het gegeven dat van de zijde van de benadeelde partij van meet af aan stevig is meegedaan aan het gevecht, het zogeheten culpa-in-causa beginsel. Voor het meer gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat dit deel van de vordering nog bij de burgerlijke rechter aangebracht kan worden.

In totaal zal de rechtbank het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 3.910,88 inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 1 primair en 2 is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging wordt toegewezen.

De raadsman heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht en subsidiair om de gevangenisstraf om te zetten naar een werkstraf.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in plaats van een gevangenisstraf een werkstraf op te leggen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1 primair zware mishandeling;
    feit 2 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) weken;

  • -

    bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) weken niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres] , voor een deel van € 3.500,- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat hij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 3.910,88 (zegge: negendertighonderdtien euro en achtentachtig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017;

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.910,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 49 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Zwolle van

12 december 2016 met parketnummer 08.191033-16 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. G. Edelenbos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.

Mrs. Van der Maden en Edelenbos zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie, Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, Basisteam IJsselland-Zuid, met nummer PL0600-2017052013. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] d.d. 1 januari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 15 en 16):

(…) Vannacht, zondag 1 januari 2017, was ik in de sporthal te Wijhe aan [straat] . (…) Ik was nog maar net bij de hoek van [straat] toen ik [verdachte] weer tegen kwam. Hij begon gelijk te vechten met mij. Wij worstelden verder op de grond. Ik voelde toen dat [verdachte] een stuk van mijn linkeroor afbeet. (…) waarna [verdachte] en ik wederom aan het worstelen raakten. Wij worstelden op de grond op mijn knieën. (…) Ik zag toen dat [verdachte] uithaalde met zijn voet, linker of rechter dat weet ik niet, en voelde die voet van [verdachte] hard tegen de linkerkant van mijn hoofd komen. Ik raakte meteen buiten westen en weet dan even niets meer. (…) Ik kwam weer bij terwijl ik op de grond lag. (…) Ik was benauwd en had bloed in mijn keel. (…) In het ziekenhuis (…) Blijkt dat ik een gebroken neus heb en een lichte hersenschudding alsmede een stuk van mijn oor af. (…)

2. de GGD Letselrapportage, opgemaakt door S.J.Th. van Kuijk, forensisch arts, d.d. 3 februari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 25 en 26):

(…) hoofd 1/ neus is gezwollen met schaafwonden en bloed uit neus: bij verder onderzoek blijkt de neus GEBROKEN te zijn neus en neustussenschot is operatief recht gezet door KNO-arts; controle op 17-01-2017: acceptabele stand en goed herstel

2/ een scheurwond aan de oorschelp van het linker oor; een deel van de oorschelp is er af gescheurd / ONTBREEKT

SO is verwezen naar de plastisch chirurg voor een reconstructie-operatie; omdat niet duidelijk is wat de meest succesvolle ingreep gaat worden is er tot heden nog geen reconstructie uitgevoerd; verwacht wordt dat geen volledig / cosmetisch 100% onzichtbaar eindresultaat zal ontstaan; derhalve een blijvend zichtbare schade (…)

beoordeling letsel

herstel Geen volledig herstel: naar verwachting een blijvend zichtbaar en daardoor ontsierend litteken / vormafwijkingen aan het linker oor

blijvend letsel Naar verwachting blijvend zichtbare vormafwijkingen aan het linker oor

Letsel past bij toedracht Multiletsel aan het hoofd hetgeen kan passen bij de door SO aangegeven toedracht (…)

3. het proces-verbaal aanhouding d.d. 1 januari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 30):

(…) Toen wij aan [straat] reden zagen wij een man op de grond zitten op de

parkeerplaats van de sporthal. Ik, [naam 2] , zag dat de man een grijze vest en witte sneakers aan had. (…) Ik zag dat de man een rode substantie aan zijn schoenen, broek en handen had. Ik vermoedde dat dit bloed was. (…)

4. het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 60):

(…) Tijdens de insluiting van verdachte [verdachte] heeft de hulpofficier van justitie verzocht om foto's te laten maken van de handen en knokkels van verdachte [verdachte] . Deze zouden dusdanig zijn gezwollen en onder het bloed zitten dat er hier foto's van zijn gemaakt (…)

5. het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] d.d. 5 januari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 74):

(…) Ik liep over het voetpad aan [straat] en ik kom daar [verdachte] tegen. (…) Ik keek opzij naar [naam 1] en dat had ik nooit moeten doen. Op hetzelfde moment hoorde ik een gillende schreeuw en ik zie nog net dat [verdachte] zijn hoofd optilde en ik voelde dat [verdachte] in mijn oor hapte. Ik voelde dat hij mijn oor afscheurde. (…) Op dat moment kreeg ik een schop aan de linkerkant van mijn gezicht van [verdachte] . (…)

6. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 1 januari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 84 en 85):

(…) Op 1 januari 2017 omstreeks 05.45 uur hoorde ik geschreeuw op straat. Ik lag op dat

moment in mijn bed. Ik woon op De [straat] te Wijhe. (…) Ik keek vanuit het slaapkamerraam op de 1e etage van de woning naar buiten. Ik zag twee jongens die met elkaar aan het vechten waren op straat. (…) Buiten zag ik de straatverlichting brandden en ik zag de twee jongens die aan het vechten waren op ongeveer tien meter van mij af voor de woning, aan [straat] . De kleding van de eerste jongen omschrijf ik als volgt: Jongen met een grijs vest, spijkerbroek en hij droeg witte sneakers (schoenen).

De kleding van de andere jongen omschrijf ik als volgt: Jongen met een donkere jas, spijkerbroek en donkere sportieve schoenen.

Ik zag dat de jongen met het grijze vest rake klappen uitdeelde aan de jongen met de donkere jas aan. Ik heb niet gezien dat de jongen met de donkere jas klappen terug gaf, maar het zag eruit als een worsteling die gaande was tussen deze twee jongens. Ik denk dat de jongen met het grijze vest ongeveer vijftien keer de andere jongen heeft geslagen en ongeveer 5x geschopt. Ik zag dat de jongen met zijn vuist tegen het hoofd van de jongen sloeg. Ik zag dat hij de schoppen tegen zijn benen uitvoerde. Ik zag dat hij met kracht zijn vuist uithaalde en de andere jongen hard op zijn hoofd raakte. Tijdens het gevecht zag ik dat de jongen die hard geslagen werd, dit is de jongen met de donkere jas en donkere sportieve schoenen, op zijn hurken was gaan zitten. Ik zag aan zijn reactie dat hij pijn had en ik zag dat hij in elkaar zakte. Ik zag dat de jongen met het grijze vest wegliep naar de kruising in de richting van de sporthal. Toch zag ik deze jongen weer terugkomen. Ik zag de jongen die de klappen had gekregen nog steeds op de straat gehurkt zat en zijn schoen, die uitgegaan was, probeerde te

pakken. Ik zag dat de jongen met het grijze vest de jongen opnieuw trapte in zijn kruis, in zijn buik en naar het hoofd. Ik zag dat hij zich niet meer goed kon verweren. Ik zag dat gedurende het gevecht het initiatief meer van de jongen met het grijze vest en de witte sneakers kwam. Aan het begin zag ik dat het meer een worsteling was maar daarna zag ik dat het gevecht vanuit de jongen met het grijze vest vooral hard doorging. (…)

7. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 31 januari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 112 tot en met 114):

(…) Ik woon aan de [straat] te Wijhe. In de nacht van oud en nieuw, op 1 januari

2017, heeft er bij ons voor de woning een vechtpartij plaatsgevonden. (…) Ik zag op dat moment twee mensen die met elkaar een soort van worsteling hadden, het leek ook wel op een gevecht want ze waren toch wel echt met elkaar in gevecht. Het was een worsteling die op een gegeven moment meer overging naar een eenzijdige actie voor mijn gevoel. Het slachtoffer kreeg daarbij behoorlijk rake klappen. (…) De dader droeg volgens mij een grijs vest, met of zonder capuchon, (…) Ja het ging van een worsteling over naar eigenlijk een eenzijdig iets. Dat houdt in dat er op enig moment 1 iemand op de grond kwam te liggen en die andere daar eigenlijk op in stond te slaan, cq schoppen zeg maar.

Degene die dat op het einde deed, welke kleding droeg die?

Dat was die met het grijze vest. (…) toen zag ik ook dat er 1 van hen op de grond lag die een paar keer geschopt en geslagen werd. (…) De positie waar ik het slachtoffer uiteindelijk vond was op de stoep. Hij lag daar bij die parkeerhavens, met als ik het goed zeg, 1 schoen uit. Hij kreeg toen nog een flinke tik en een schop na. (…)

U vraagt mij of de persoon met het grijze vest aan dan de overhand heeft.

Ja die heeft dan de overhand en om het maar zo te zeggen, die heeft het gevecht gewonnen.

U vraagt mij of de persoon met het grijze vest aan ook niet meer werd aangevallen door die ander?

Nee, dat idee had ik niet. Nee, want het gevecht was eigenlijk eerst midden op de straat. Later heeft het zich verplaatst richting de parkeerhavens en stoep, aan de andere kant van de straat.

U vraagt mij of ik het slaan en schoppen door beide partijen heb zien gebeuren?

Het handgemeen wel, het schoppen alleen van de persoon met het grijze vest aan. (…)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de Politie, Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, Basisteam IJsselland-Zuid, met nummer PL0600-2017052013 van 28 februari 2017. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.