Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2822

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
08.910049-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 26-jarige man uit Deventer is wegens doodslag veroordeeld tot 10 jaar cel en tbs met dwangverpleging. De rechtbank vindt bewezen dat hij zijn 22-jarige zwangere vriendin op zeer gewelddadige wijze om het leven heeft gebracht in hun woning in Deventer. Door het heftige geweld is ook de 22 weken oude foetus overleden. De man heeft een onbehandelde ziekelijke stoornis en is extreem gevaarlijk. Naast een celstraf is tbs met dwangverpleging noodzakelijk om de maatschappij te beschermen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0626
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.910049-16 (P)

Datum vonnis: 18 juli 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

nu verblijvende in PI Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 oktober 2016, 13 december 2016, 7 maart 2017, 16 mei 2017 en 4 juli 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Zwartjes en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. drs. C. Verrillo, advocaat te Denekamp, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 4 juli 2017, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: zijn zwangere partner [slachtoffer] heeft gedood;

subsidiair: zijn zwangere partner [slachtoffer] opzettelijk zodanig zwaar heeft mishandeld, dat zij als gevolg daarvan is overleden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2016, te Deventer, althans in Nederland,

opzettelijk [slachtoffer] (zijn levensgezel) van het leven heeft beroofd,

hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer]

-meerdere malen, althans eenmaal, (al dan niet met een voorwerp) (met kracht)

op/tegen het hoofd en/of tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt, geschopt

en/of getrapt en/of

-meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met een voorwerp) (met kracht)

tegen de rug heeft geslagen/gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of

-meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met een voorwerp) (met kracht)

in/tegen de buik (met daarin (een 22 weken oude) foetus) heeft geslagen,

gestompt, geschopt en/of getrapt en/of

-meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) heeft geduwd (tegen een

voorwerp of in de buik) en/of

-meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met een voorwerp) (met kracht)

tegen de armen en/of benen, heeft geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt

en/of

-meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met gebruikmaking van een

voorwerp) (met kracht) bij de hals/keel heeft gepakt en/of de hals/keel heeft

dicht gedrukt en/of dichtgehouden en/of de mond en/of neus heeft dichtgedrukt

en/of dichtgehouden,

althans herhaaldelijk inwerkend uitwendig (zeer heftig) stomp botsend geweld

heeft uitgeoefend op het hoofd en/of het gezicht en/of de rug en/of de buik,

althans het lichaam van die [slachtoffer] en/of omsnoerend en/of samendrukkend geweld

heeft uitgeoefend op de hals/keel van die [slachtoffer] ,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (op 22 juli 2016) is overleden,

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij op of omstreeks 21 juli 2016, te Deventer, althans in Nederland,

aan [slachtoffer] (echtgenote van verdachte) opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel heeft toegebracht, te weten

-een gebroken oogkas en/of

-een gescheurde lever en/of een leverkneuzing en/of

- een breuk van het tongbeen en/of een breuk van de bovenste hoorntjes van het

strottenhoofd en/of

-een kneuzing van de alvleesklier en/of

-(een) kneuzing(en) in het middenrif en/of

-(een) kneuzing(en) in het hartspierweefsel en/of

-(een) bloeduitstorting(en) onder het harde en het zachte hersenvlies en/of

een hersenzwelling met inklemming en/of

-(een) breuk(en) van een of meerdere dwarsuitsteeksels van de wervelkolom,

door die [slachtoffer] opzettelijk

-meerdere malen, althans eenmaal, (al dan niet met een voorwerp) (met kracht)

op/tegen het hoofd en/of tegen het gezicht te slaan, stompen, schoppen en/of

trappen en/of

-meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met een voorwerp) (met kracht)

tegen de rug te slaan, stompen, schoppen en/of trappen en/of

-meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met een voorwerp) (met kracht)

in/tegen de buik (met daarin (een 22 weken oude) foetus) te slaan, stompen,

schoppen en/of trappen en/of

-meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) te duwen (tegen een voorwerp

en/of in de buik) en/of

-meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met een voorwerp) (met kracht)

tegen de armen en/of benen te slaan, stompen, schoppen en/of trappen en/of

-meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met gebruikmaking van een

voorwerp) (met kracht) bij de hals/keel te pakken en/of de hals/keel dicht te

drukken en/of dicht te houden en/of de mond en/of neus dicht te drukken en/of

dicht te houden,

althans herhaaldelijk inwerkend uitwendig (zeer heftig) (stomp) botsend geweld

uit te oefenen op het hoofd en/of het gezicht en/of de rug en/of de buik,

althans het lichaam van die [slachtoffer] en/of omsnoerend en/of samendrukkend geweld

uit te oefenen op de hals/keel van die [slachtoffer] ,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (op 22 juli 2016) is overleden.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding 1

Op 21 juli 2016 om 17.26 uur belt [naam 1] , een vriend van verdachte, met 1122. Hij zegt in dat telefoongesprek dat een vriendin van zijn vriend is uitgegleden in de douche op het adres [adres] te Deventer. Korte tijd later arriveert de ambulance. De drie ambulancemedewerkers treffen in de woning verdachte aan en op de grond in de badkamer van die woning een jonge vrouw, [slachtoffer] (hierna ook te noemen: het slachtoffer). Het slachtoffer is niet bij bewustzijn. Ambulancemedewerker [ambulancemedewerker 1] constateert dat de ogen van het slachtoffer zijn weggedraaid, dat zij kringen om haar ogen heeft en ziet een enorme zwelling die begint boven het linkeroog en doorloopt naar achteren op het hoofd. Er is sprake van een levensbedreigende situatie. Gezien de kleine ruimte van de badkamer kan [ambulancemedewerker 1] het “valmechanisme” niet rijmen met de verwonding. Vanwege het door [ambulancemedewerker 1] geconstateerde ernstige hersentrauma wordt het slachtoffer naar het ziekenhuis in Zwolle gebracht3.

Ambulancemedewerker [ambulancemedewerker 2] alarmeert ten tijde van de rit van Deventer naar Zwolle de meldkamer dat de woning waarin het slachtoffer is aangetroffen moet worden verzegeld en een plaats delict moet worden, omdat de aard van het letsel van het slachtoffer niet overeenkomt met de toedracht zoals verdachte deze beschrijft en hij en zijn collega’s het verhaal van verdachte niet geloven4. De politie start vervolgens een onderzoek naar het gebeurde.

Na een eerste beoordeling van het slachtoffer in het ziekenhuis blijkt er sprake te zijn van:

  • -

    hersenletsel met subduraal hematoom (bloeding in het hoofd) met hersenoedeem (zwelling);

  • -

    bloeduitstorting rechts rond het oog en beiderzijds bloeduitstortingen van de oogleden;

  • -

    leverruptuur met vrij vocht in de buik;

  • -

    afgebroken zwangerschap van 22 weken; er was een intra-uteriene vruchtdood.

Het slachtoffer is buiten bewustzijn. Er worden uitgebreide bloeduitstortingen, schaafplekken en sneetjes aangetroffen op de beide boven- en onderarmen en benen, met letsel van verschillende ouderdom.

Vanwege de leverruptuur is het slachtoffer geopereerd en een deel van de lever verwijderd. Tevens vindt daarbij een sectio plaats om de levenloze foetus geboren te laten worden.

Na consultatie van de neurochirurg wordt duidelijk dat er sprake is van een uitzichtloze situatie door massaal schedel- en hersenletsel met SDH en inklemming. Bij hercontrole door de neuroloog op 22 juli 2016 om 10.30 uur zijn er aanwijzingen dat het slachtoffer hersendood is. Verwacht wordt dat overlijden op korte termijn zal plaatsvinden5.

Verdachte wordt op 21 juli 2016 omstreeks 20.45 uur in de Isala Kliniek te Zwolle aangehouden op verdenking van poging doodslag op of zware mishandeling van zijn vriendin.

[slachtoffer] is op 22 juli 2016 om 20.25 uur in het ziekenhuis te Zwolle overleden aan de door haar opgelopen multipele letsels op 21 juli 20166.

Verdachte heeft betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer ontkend. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij op 21 juli 2016 aan het einde van de middag samen met [slachtoffer] in hun gezamenlijke woning aan het [adres] te Deventer aanwezig was. Ze zijn rond 15.00 uur opgestaan, waarna verdachte is gaan douchen. Daarna is hij gaan gamen in de woon-/slaapkamer. [slachtoffer] was langer dan de tussen hen afgesproken tien minuten aan het douchen. Dat was voor verdachte reden om naar de badkamer te lopen. Hij heeft op de deur van de badkamer gebonkt, maar [slachtoffer] reageerde niet. Verdachte heeft de deur geforceerd en zag [slachtoffer] op de grond liggen. Zij lag te gorgelen en met haar ogen te knipperen. Haar voorhoofd voelde aan als pap. Verdachte zag bloed. [slachtoffer] had haar tong tussen haar tanden. Verdachte heeft geprobeerd zijn vingers in haar mond te doen om bij haar tong te komen. Dat lukte niet. Daarna heeft hij uit de keuken een lepel en een mes gehaald en daarmee geprobeerd de tong van [slachtoffer] uit haar keel te halen. Op dat moment werd er bij de voordeur aangebeld door [naam 1]7.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard niet meer te weten wat er op 21 juli 2016 is gebeurd. Dromen en herinnering lopen door elkaar. Zijn verklaring zoals afgelegd bij de politie zou moeten kloppen, zo stelt hij. Hij heeft andermaal het ten laste gelegde ontkend.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Volgens de deskundigen is het dodelijke letsel bij [slachtoffer] ontstaan door toedoen van een derde, waarbij sprake is geweest van zeer heftig geweld. Het letsel is toegebracht vlak voordat het ambulancepersoneel [slachtoffer] aantrof. Nu niemand anders dan verdachte bij [slachtoffer] in de woning was, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte verantwoordelijk is voor het toebrengen van het dodelijk letsel bij [slachtoffer] , door welk letsel ook hun ongeboren zoontje is overleden. Nu bij [slachtoffer] meerdere op zichzelf staande dodelijke letsels zijn aangetroffen en het meervoudige geweld dat op haar is toegepast extreem moet zijn geweest, is daarmee het bewijs voor opzet op de dood een gegeven.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak voor het primair en het subsidiair ten laste gelegde. Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de door [slachtoffer] opgelopen letsels en haar overlijden als gevolg daarvan ontkend.

Volgens de verdediging komt uit het dossier naar voren dat niet is uit te sluiten dat anderen dan verdachte een sleutel van de woning hebben gehad en daarmee toegang tot de woning, dan wel dat [slachtoffer] iemand toegang tot de woning heeft verleend en dat diegene geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] . Ook is een bekende van verdachte op 21 juli 2016 meermalen bij de woning van verdachte geweest. Hiermee bestaat gerede twijfel of verdachte heeft gedaan waarvan hij wordt verdacht.

Uit het sporenonderzoek in de woning kan op geen enkele wijze de conclusie worden getrokken dat verdachte van doen heeft gehad met het geweld dat [slachtoffer] heeft ondergaan.

Er is dan ook onvoldoende overtuigend bewijs.

In het geval de rechtbank tot bewijs komt van betrokkenheid van verdachte, blijkt nergens uit dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] of het haar toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met de dood als gevolg. De omstandigheden waaronder het geweld heeft plaatsgevonden, kunnen niet uit het dossier worden afgeleid.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt primair verweten dat hij zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] aan het eind van de middag van 21 juli 2016 in de woning aan het [adres] te Deventer zodanig letsel heeft opgelopen dat zij daaraan de volgende dag is overleden.

Uit de rapporten van deskundigen A. Maes, arts en patholoog, en D. Botter, forensisch arts, beiden verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) concludeert de rechtbank dat na het afronden van het sectieverslag is gebleken dat het overlijden is te verklaren als gevolg van een combinatie van geweldsinwerkingen met direct daaraan gerelateerde ernstige letsels aan de lever, het hart, de alvleesklier en de hersenen van [slachtoffer] . Op het hele lichaam van [slachtoffer] zijn letsels aangetroffen, waarvan het letsel aan de lever, het letsel aan de hartspier en het hersenletsel alle afzonderlijk van elkaar potentieel dodelijk zijn. Daarnaast is sprake van omsnoerend geweld op de hals en mondbodem dat heeft kunnen leiden tot verstikkingsverschijnselen met ontstaan van acuut zuurstofgebrek en algehele weefselschade met het overlijden tot gevolg.

Deze letsels kunnen niet het gevolg zijn van een val in de badkamer waar [slachtoffer] is aangetroffen. Ook kunnen de letsels niet door [slachtoffer] zelf zijn toegebracht. De letsels moeten zijn veroorzaakt door herhaaldelijk, bij leven opgelopen, heftig botsend uitwendig inwerkend geweld op het lichaam dat door derden is toegebracht. Als mechanismen voor het ontstaan van de letsels moeten slaan, al dan niet met één of meerdere voorwerpen, schoppen, stompen, hardhandig vastpakken (armen), heftige voor- en achterwaartse compressie van de bovenbuik al dan niet in combinatie met heftig stomp botsend geweld op de rug worden overwogen.

De vraag is vervolgens of kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die het letsel heeft toegebracht. Verdachte heeft dat steeds ontkend. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Uit de verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting volgt dat verdachte en [slachtoffer] die dag en ook aan het einde van de middag van 21 juli 2016 samen in de woning aanwezig waren. Zij zijn, zoals vrij gebruikelijk was, rond 15.00 uur opgestaan. De rechtbank constateert dat uit de verklaringen van verdachte blijkt dat er op dat tijdstip bij [slachtoffer] nog geen sprake was van letsel. [naam 1] belt omstreeks 17.15 uur aan bij de woning en ziet de benen van [slachtoffer] in de badkamer liggen en hoort een gorgelend geluid. Om 17.26 uur belt [naam 1] met 112.

De fatale letsels moeten derhalve tussen 15.00 uur en 17.15 uur zijn toegebracht.

Door de verdediging is ter terechtzitting aangevoerd dat niet is uit te sluiten dat een derde persoon, buiten medeweten van verdachte, in de woning is geweest en het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht. Dat staat in de eerste plaats haaks op verdachtes verklaring bij de politie dat hij en [slachtoffer] de 21e juli 2016 met z’n tweeën in de woning waren en allebei geen bezoek hadden ontvangen. Daar komt bij dat de verdediging een alternatief scenario heeft gesuggereerd, maar dit volstrekt niet concreet en daarmee aannemelijk heeft gemaakt. Zo heeft de verdediging slechts aangevoerd dat [naam 1] eerder die dag ook bij de woning van verdachte en [slachtoffer] is gezien, maar niet nader geconcretiseerd wat de relatie tussen die aanwezigheid en de letsels van [slachtoffer] is. Er is ook geen enkele aanwijzing voor betrokkenheid van [naam 1] in het dossier te vinden, anders dan dat hij 112 heeft gebeld.

Ook kan volgens de verdediging niet worden uitgesloten dat anderen dan verdachte een sleutel van de woning hebben gehad en daarmee toegang tot de woning. Dit strookt echter niet met de verklaring van verdachte bij de politie dat hij en [slachtoffer] twee sleutels van de woning hadden en dat verdachte de sleutels onder zich had. Dat een vriend van verdachte, [naam 2] , een sleutel van de woning zou hebben, zoals verdachte voor de eerste keer ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, is reeds door deze [naam 2] tijdens zijn verhoor bij de politie in oktober 2016 ontkend. Ook heeft [naam 2] in een WhatsAppbericht van 14 april 2016 aan verdachte laten weten geen sleutel te hebben.

Bovendien is het volstrekt onaannemelijk dat verdachte niet zou hebben gehoord dat een derde de woning binnen zou zijn gekomen en het letsel aan [slachtoffer] zou hebben toegebracht, nu de oppervlakte van de volledige woning slechts 20 m2 groot is en het vrijwel één open ruimte is, waarbij alleen de badkamer met een deur kan worden afgesloten.

De conclusie van de rechtbank is dan ook dat alleen verdachte en [slachtoffer] op 21 juli 2016 in de woning aanwezig waren.

Bij afwezigheid van een andere plausibele oorzaak voor het ontstaan van de letsels kan de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene tot geen andere conclusie komen dan dat de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels zijn ontstaan door herhaaldelijk heftig botsend uitwendig inwerkend geweld op het lichaam dat door verdachte is toegebracht.

Mede gelet op het door de raadsman op dit punt gevoerde verweer dient de rechtbank vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte – al dan niet voorwaardelijk – opzet op het gevolg heeft gehad. De rechtbank stelt vast dat verdachte, gezien zijn ontkennende verklaring, geen inzicht heeft gegeven in hetgeen ten tijde van de gedragingen in hem is omgegaan.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Gelet op de conclusies in de rapportages van de deskundigen Maes en Botter met betrekking tot de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels is naar het oordeel van de rechtbank het door verdachte uitgeoefende geweld zeer heftig geweest en uitgeoefend op het hele lichaam en zeker ook op kwetsbare delen als het hoofd en de romp. Als gevolg van dit geweld is ook de foetus in de buik van [slachtoffer] overleden.

Met het geheel aan letsels en vooral de plaats op het lichaam waar het is toegebracht, was de kans op intreden van de dood naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk en verdachte moet dit ook hebben geweten. Verdachte heeft niettemin dat geweld toegepast en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Gelet hierop is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van zijn zwangere levensgezel [slachtoffer] .

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 21 juli 2016, te Deventer, opzettelijk [slachtoffer] (zijn levensgezel) van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer]

-meerdere malen (al dan niet met een voorwerp) met kracht tegen het hoofd en tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt, geschopt en/of getrapt en

-meerdere malen (al dan niet met een voorwerp) met kracht tegen de rug heeft geslagen/gestompt en/of geschopt en/of getrapt en

-meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met een voorwerp) met kracht

in/tegen de buik met daarin een 22 weken oude foetus heeft geslagen,

gestompt, geschopt en/of getrapt en

-meerdere malen (al dan niet met een voorwerp) met kracht tegen de armen en benen, heeft geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt en

-meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met gebruikmaking van een voorwerp) met kracht bij de hals/keel heeft gepakt en de hals/keel heeft dicht gedrukt en dichtgehouden en/of de mond en/of neus heeft dichtgedrukt en/of dichtgehouden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 22 juli 2016 is overleden.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 287 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: doodslag.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor het primair ten laste gelegde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren wordt opgelegd, met aftrek van het voorarrest, en daarbij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht geen maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een psychische stoornis ten tijde van het tenlastegelegde.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft op zeer gewelddadige wijze het slachtoffer [slachtoffer] , die toen nog maar 22 jaar oud was, in haar eigen woning om het leven gebracht. Dat [slachtoffer] de vriendin van verdachte was en dat zij zwanger was van een 22 weken oude foetus, de zoon van verdachte, die door het heftige geweld ook is komen te overlijden, maakt verdachtes daad des te schokkender. Dat de laatste momenten voordat zij het bewustzijn verloor voor [slachtoffer] zeer heftig en pijnlijk moeten zijn geweest, kan worden afgeleid uit de haar toegebrachte zeer ernstige verwondingen.

Het doden van een andere persoon is de meest ernstige, onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, namelijk het recht op leven. Verdachte heeft [slachtoffer] , en de foetus, dat recht en daarmee hun meest wezenlijke bezit ontnomen. Met zijn handelen heeft verdachte bovendien onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer] , zoals ook door de moeder van [slachtoffer] in de door haar opgestelde en ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring is verwoord. Een dergelijk feit heeft niet alleen grote gevolgen voor de nabestaanden, maar schokt ook de rechtsorde in hoge mate.

Verdachte is de enige die kan vertellen wat zich die middag van 21 juli 2016 tussen hem en [slachtoffer] heeft afgespeeld. Verdachte heeft zich echter van meet af aan tot het moment van de terechtzitting hieromtrent in stilzwijgen gehuld. Met zijn ontkenning van enige betrokkenheid bij het overlijden van [slachtoffer] laat hij de nabestaanden blijvend in het ongewisse over het gebeuren op die tragische middag. Dat maakt het leed zo mogelijk nog groter.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 6 juni 2017, waaruit blijkt dat verdachte is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder diverse diefstallen, huisvredebreuk en belediging. Daarnaast is verdachte in hoger beroep veroordeeld voor huiselijk geweld tegen zijn toenmalige partner en heeft hij in 2013 een strafbeschikking en een voorwaardelijk sepot ‘reclasseringsbelang’ ontvangen voor huiselijk geweld. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor levensdelicten.

Er is in het kader van deze strafzaak over de persoon van verdachte gerapporteerd door P.K.J. Ronhaar, psychiater, en H. Scharft, GZ-psycholoog, zoals blijkt uit de Pro Justitia rapporten van 31 oktober 2016. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de onderzoeken. Beide deskundigen hebben geadviseerd verdachte te laten onderzoeken in het Pieter Baan Centrum (PBC), gezien de ernst van het ten laste gelegde, de eerdere veroordeling voor huiselijk geweld en de in het verleden geconstateerde persoonlijkheidsstoornis.

Verdachte is opgenomen geweest in het PBC. Van de observatie is een rapport opgemaakt d.d. 28 juni 2017. De psychiater, B.H. Boerboom, en de psycholoog, L. Vermeulen, hebben hierin gerapporteerd dat verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Hierdoor is er ook geen testpsychologisch en somatisch onderzoek verricht. Daarnaast ontbreekt er in het huidige onderzoek belangrijke collaterale informatie, te weten uit betrokkenes jeugddossier en van referenten, nu verdachte geen toestemming heeft gegeven voor inzage in eerdere rapportage en het raadplegen van referenten. De deskundigen rapporteren vervolgens als volgt:

(…) Dit maakt dat we vanuit het huidige onderzoek geen sluitende diagnoses kunnen stellen. Echter werd in 2014 een, voor zover te beoordelen, adequaat monopsychologisch PJ-onderzoek gedaan. Een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, voortkomend uit een reactieve hechtingsstoornis, met een hoog recidiverisico, werd vastgesteld. Aangezien een persoonlijkheidsstoornis een duurzaam, inflexibel patroon is van innerlijke ervaringen en gedragingen dat afwijkt van wat binnen de cultuur van de betrokkene wordt verwacht en tot uiting komt in onder andere de cognities, affectiviteit, interpersoonlijk functioneren en/of impulsbeheersing, en tot uiting komt in een breed scala van persoonlijke en sociale situaties, is, wanneer de diagnose in 2014 correct is vastgesteld, er waarschijnlijk nog steeds sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Daarbij komt dat betrokkene sinds die tijd niet in behandeling is geweest voor die problematiek en blijkt hij op verschillende levensgebieden te disfunctioneren. Daarmee is er een aanwijzing dat betrokkene sinds 2014 niet wezenlijk anders is gaan leven. Aangezien er bij betrokkene al vanaf zijn jeugd sprake lijkt te zijn van ernstige gedragsproblematiek, is het onwaarschijnlijk dat die zonder behandeling zal verdwijnen. (…)

Vanuit de hechtingsproblematiek is het goed mogelijk dat hij zich oppervlakkig wel weet aan te passen, maar dat er binnen een relatie problemen kunnen ontstaan.

De observatie in het PBC verloopt rustig en er doen zich geen incidenten voor rondom betrokkene. Dit betekent echter niet automatisch dat de problematiek zoals die eerder beschreven is, milder zou zijn. Er zijn aanwijzingen en voorbeelden voor aangepast (sociaal wenselijk) gedrag van betrokkene en hij maakt de indruk ongrijpbaar te zijn. (…)

Verder hadden we de aanwijzingen, die er zijn in de stukken en van referenten, voor sadisme, predatorisch geweld, fusie van agressie en seksualiteit, mogelijk een groter aandeel van narcisme in de pathologie, mogelijke pathologische partnerkeuze en de ogenschijnlijke paralellen tussen de twee relaties (2013 en de laatste) en of de dynamiek in die relaties overeen zou komen, willen onderzoeken.

Indien het huidige ten laste gelegde bewezen wordt geacht, betreft het een recidive van relationeel geweld. (…) Eveneens indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, lijkt het in 2014 ingeschatte hoge recidiverisico uitgekomen te zijn, en zou er sprake zijn van een escalatie van geweld.

Er zijn, voorzover te beoordelen, argumenten dat de diagnostiek uit 2014 nog geldend is, en zijn er veel parallellen met de delicten in 2013 (en dan met name het relationele geweld).

Echter ondanks deze argumenten kunnen we door de beperkingen in het onderzoek niet zelf conclusies trekken betreffende diagnostiek en derhalve ook niet over de doorwerking en het recidiverisico. (…)

Gezien het feit dat verdachte zijn medewerking heeft geweigerd aan het onderzoek in het PBC, maar ook aan het psychiatrisch en psychologisch onderzoek in het kader van deze strafzaak, zal de rechtbank zich mede baseren op het psychologisch onderzoek dat is verricht in een eerdere strafzaak tegen verdachte betreffende huiselijk geweld, overtreding huisverbod en dierenmishandeling. Dit rapport is opgesteld door N. Märker, GZ-psycholoog, d.d. 21 januari 2014. Verdachte heeft zijn medewerking aan dat onderzoek verleend. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat er twijfels zijn bij de deugdelijkheid van het door Märker verrichte onderzoek, dat ook wordt bevestigd door de deskundigen van het PBC. Uit het rapport komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, waaraan een reactieve hechtingsstoornis ten grondslag ligt. Märker heeft geadviseerd verdachte ten aanzien van de destijds ten laste gelegde feiten als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusies en adviezen uit voornoemde rapporten over en maakt deze tot de hare. Op basis van het rapport van Märker, afgezet tegen de bevindingen van het PBC en het bewezenverklaarde, moet worden vastgesteld dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank zal verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

Hoewel de deskundigen geen passend juridisch kader en behandeladvies hebben kunnen geven, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is. Verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens die onbehandeld is gebleven. Verdachte is (naar is gebleken) extreem gevaarlijk. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van het bewezen verklaarde feit, het in de loop van de tijd (2013-2016) escalerende geweld en het gevaar voor herhaling. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte – gelet op zijn gebrek aan ziekte-inzicht en hetgeen bekend is geworden over zijn psychische problematiek – een langdurige behandeling nodig zal hebben. Daarbij betrekt de rechtbank het afloopbericht toezicht van Reclassering Nederland van 8 oktober 2015, naar aanleiding van de bij veroordeling van 14 november 2014 opgelegde bijzondere voorwaarden, waaruit volgt dat verdachte afspraken niet nakomt.

Vastgesteld wordt dat het bewezenverklaarde feit, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Vastgesteld wordt dat het strafbare feit ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daartoe is de aard en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit redengevend.

De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Ten aanzien van de vraag naar de omvang van een naast de maatregel van terbeschikkingstelling aan verdachte op te leggen straf overweegt de rechtbank het volgende. Gezien de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het feit plaatshad, het verregaande geweld, het feit dat verdachte niet alleen zijn vriendin maar ook zijn ongeboren zoon heeft gedood, de proceshouding van verdachte en het feit dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor relationeel geweld, ziet de rechtbank aanleiding om een hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Rekening houdend met de persoon van verdachte doet een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met daarnaast oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op evenwichtige wijze recht aan de ernst van het feit enerzijds en het belang van de samenleving bij bescherming door behandeling van verdachte anderzijds. De rechtbank zal verdachte daarom daartoe veroordelen, waarbij de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[moeder slachtoffer] , moeder van het slachtoffer, heeft zich, middels haar advocaat mr. J.A. van der Lem te Alkmaar, als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 13.109,46, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    shockschade (voorschot) € 5.000,-

  • -

    uitvaartkosten (verplaatste schade) 7.256,-

  • -

    eigen risico zorgverzekering 2017 en 2018 770,-

  • -

    reiskosten 83,46.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering geheel wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging dient de vordering op grond van shockschade te worden afgewezen, gelijk het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft gedaan. Daarbij komt dat de politie zeer behoedzaam is omgegaan met het begeleiden van [moeder slachtoffer] naar haar dochter. Verder dienen de vergoedingen van de kosten voor de volgauto bij de uitvaart en van het eigen risico 2017 en 2018 te worden afgewezen. De vergoeding van de wettelijke rente over de gevorderde reiskosten is pas opeisbaar met ingang van de datum waarop de kosten zijn ontstaan.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit (rechtstreeks) schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De verdediging heeft de shockschade betwist. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Nabestaanden van het slachtoffer kunnen aanspraak maken op vergoeding van schade in het geval waarin kort gezegd bij degene bij wie door het waarnemen van door een onrechtmatige daad veroorzaakte dood of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan een zodanig shock teweeg wordt gebracht, dat daaruit geestelijk letsel voortvloeit (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240; Shockschade/Taxibus-arrest). Daarbij is voldoende dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettende handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgehad. Aan de mate van rechtstreeksheid van de confrontatie dienen minder strenge eisen te worden gesteld naarmate de normschending ernstiger is.

Ter onderbouwing van haar vordering heeft [moeder slachtoffer] het volgende aangevoerd. Zij is de moeder van [slachtoffer] . Eind van de avond van 21 juli 2016 stond de politie bij [moeder slachtoffer] voor de deur met de mededeling dat haar dochter was neergestoken. Direct bij aankomst in het ziekenhuis heeft [moeder slachtoffer] haar dochter bezocht en werd daar met de letsels geconfronteerd. Op deze letsels was [moeder slachtoffer] , gezien de inlichtingen van de politie, niet voorbereid. Haar dochter bleek onherkenbaar toegetakeld. [moeder slachtoffer] zag onderhuidse bloeduitstortingen in een groot deel van het gezicht aan de linkerzijde, de beide oogleden en de lippen. Door onderhuidse zwellingen was het gezicht van haar dochter zo opgezet dat [moeder slachtoffer] haar dochter nauwelijks kon herkennen. Dit wordt geadstrueerd door de verklaring van [moeder slachtoffer] dat zij aanvankelijk dacht dat er nog een patiënt in de kamer lag waar zij haar dochter trof en zich pas toen realiseerde dat het haar zeer zwaar gewonde dochter betrof.

Naar het oordeel van de rechtbank is [moeder slachtoffer] binnen niet al te lange tijd nadat haar dochter in het ziekenhuis was gearriveerd, rechtstreeks geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het door verdachte gepleegde ernstige geweld tegen [slachtoffer] . [slachtoffer] is aan de gevolgen van dit ernstige geweld de volgende dag overleden. Bij doodslag op de wijze zoals die hier heeft plaatsgevonden is sprake van een zo ernstige normschending dat geen al te hoge eisen aan de rechtstreeksheid van de confrontatie kunnen worden gesteld. Nu [moeder slachtoffer] haar dochter, kort na het uitgeoefende geweld, heeft gezien, waarbij haar dochter zoveel verwondingen en zwellingen aan haar gezicht had dat zij haar dochter nauwelijks kon herkennen - waarop zij niet was voorbereid - en waarna haar dochter korte tijd later is overleden, is aan die eisen voldaan. Hiermee heeft verdachte ook jegens [moeder slachtoffer] onrechtmatig gehandeld.

Uit de brief van de behandelend psychiater van [moeder slachtoffer] , H. Groen, van 21 juni 2017, volgt dat bij [moeder slachtoffer] sprake is van een dermate ernstige schok dat deze heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten PTSS (acute stressstoornis, persisterend).

De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de gevorderde shockschade van € 5.000,- toe te wijzen, nu dit bedrag haar redelijk voorkomt en de hoogte niet is betwist, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ten aanzien van de bestreden vordering die ziet op de volgauto ziet de rechtbank geen aanleiding tot afwijzing daarvan, nu deze kosten zijn gemaakt vanwege de uitvaart van [slachtoffer] en daarmee in rechtstreeks verband tot het bewezenverklaarde staan en ook in redelijkheid zijn gemaakt.

De vergoeding van de kosten van het eigen risico van 2017 zal, gezien de betwisting door de verdediging dat dit eigen risico ook door andere medische handelingen kan zijn opgesoupeerd, niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kosten zijn niet met stukken onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

Ook de vergoeding van de kosten van het eigen risico van 2018 zal niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat dit toekomstige schade betreft en thans niet kan worden vastgesteld dat deze schade het gevolg van het bewezenverklaarde zal zijn.

De overige schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk en komen voor toewijzing in aanmerking.

De rechtbank zal het gevorderde deels toewijzen tot een bedrag van € 12.339,46, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd (shockschade), dan wel vanaf de datum waarop de kosten zijn gemaakt (uitvaartkosten en reiskosten).

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 37b Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: doodslag;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld;

- beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd;

schadevergoeding

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [moeder slachtoffer] , voor een deel van € 770,- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [moeder slachtoffer] van een bedrag van € 12.339,46 (zegge: twaalfduizend driehonderdnegenendertig en 46/100 euro) (te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente over een bedrag van € 5.000,- vanaf 21 juli 2016 (shockschade), dan wel vanaf de datum waarop de kosten zijn gemaakt over een bedrag van € 7.256,- en € 83,46 (uitvaartkosten en reiskosten));

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 12.339,46, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 21 juli 2016 (shockschade), dan wel vanaf de datum waarop de kosten zijn gemaakt (uitvaartkosten en reiskosten) ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 96 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. E. Leentjes en mr. V.P.K. van Rosmalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.W. de Boer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.

Buiten staat

Mr. E. Leentjes is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district IJsselland, recherche IJsselland Zuid met nummer PL0600-2016361587 (Onderzoek Koelie). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 25 juli 2016, pagina 126-129, 140-142, 149-152 onder meer inhoudende:

V: jij staat daar ingeschreven op dat adres (de rechtbank vult aan: [adres] te Deventer)? Wie staan nog meer ingeschreven op dat adres?

A: [slachtoffer] . (…)

A: (…) Een studio, 20 m2 (…).

V: En hoe gehorig is het in die woningen?

A: Ja, wel redelijk. (…)

V: (…) Hoeveel sleutels van de woning hebben jullie?

A: Twee (…).

V: Heb jij ze allebei? (…)

A: Ja, ik heb ze allebei, ja (…).

V: Anderhalf jaar hebben jullie samengewoond en dan een half jaar daarvoor hadden jullie dan stiekem wat

A: Ja. (…)

V: Want toen jullie ontdekten dat jullie zwanger waren hè, hoe reageerde zij daarop?

A: Ja geweldig. (…) En ik ook hartstikke blij. (…)

V: Als we dan naar de donderdag gaan, hoe is die dag verlopen?

A: Ja…ehm…ook laat opgestaan

V: En wat is laat?

A: Ik denk drie uur. (…) En volgens mij ben ik eerst gaan douchen. En vervolgens (…) ben ik gaan gamen. (…)

V: Heb jij die dag, vanaf dat je wakker werd, contact met iemand gehad?

A: Niet dat ik weet, nee…nee. Volgens mij niet

V: En zij?

A: Volgens mij niet, nee

V: En hebben jullie nog bezoek gehad? Bijvoorbeeld, toen jullie wakker werden?

A: Nee. (…)

2.

Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent, van 24 juli 2016, pag. 272-275, onder meer inhoudende:

(…) Opgenomen op 21 juli 2016 te 17:26:32 uur

Persoon 1: Ambulancedienst uit welke plaats belt u

Persoon 2: uuh Deventer (…). Uuh een vriendin van mijn vriend van mij is uitgegleden in de douche (…).

3.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 21 juli 2016, pag. 312, onder meer inhoudende:

(…) Ik was omstreeks 17:15 uur bij [verdachte] thuis. (…) Ik belde aan en hoorde [verdachte] aan de andere kant van de deur hysterisch schreeuwen. Ik hoorde dat hij schreeuwde: ‘ik kom eraan wacht ff’. Vervolgens werd na enkele minuten de voordeur geopend door [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] helemaal in paniek was. (…) Uiteindelijk werd hij wat rustiger en zei hij dat zijn vriendin was uitgegleden. (…) Ik heb vervolgens 2 stappen in de woning gedaan toen zag ik rechts in de badkamer twee benen op de grond liggen. Tevens hoorde ik een gorgelend geluid uit de badkamer komen. (…) Hierop heb ik de ambulance gebeld en nadat de centralist vragen begon te stellen over de toedracht heb ik de telefoon aan [verdachte] gegeven. (…)

4.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] van 27 oktober 2016, pagina 458, 462, met bijlage pag. 481, onder meer inhoudende:

(…) V: Welke telefoonnummers heb je in gebruik of in gebruik gehad dit jaar?

A: (…) Hiervoor had ik het telefoonnummer 06- [telefoonnummer] in gebruik (…).

V: Ben jij in bezit of bezit geweest van een huissleutel van hun woning [adres] Deventer?

A: Nee, nooit gehad. (…) Ik heb nooit een huissleutel van hem gehad. (…)

Bijlage:

(…) 14-04-16, 1:14 PM - +31 6 [telefoonnummer] : Ik heb geen sleutel van je huis hoor

14-04-16, 1:14 PM - +31 6 [telefoonnummer] : Nooit gehad (…).

5.

Proces-verbaal lijkschouwing overledene, opgemaakt door E.L. Boon, forensisch expert, en C.H. Grafhorst, brigadier, van 6 augustus 2016, pag. 979-980, onder meer inhoudende:

(…) Op vrijdag 22 juli 2016 werd aan ons telefonisch door GGD arts M. Berkel medegedeeld dat het slachtoffer genaamd [slachtoffer] op tijdstip 20:25 was overleden in het Isala ziekenhuis te Zwolle. (…)

6.

Letselrapportage opgemaakt door G. van Essen, forensisch arts, op 21 juli 2016, pag. 942, onder meer inhoudende:

(…) haar (de rechtbank vult aan: [slachtoffer] ’s) zwangerschap van 22 weken was afgebroken. (…)

7.

Het door A. Maes, arts en patholoog, opgemaakte rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood”, van 4 november 2016, pagina 1108-1126, onder meer inhoudende:

(…) Volgens ontvangen inlichtingen werd deze 22 jaar oud geworden zwangere vrouw

ruim een dag voor haar overlijden met spoed in het Isala Ziekenhuis te Zwolle in

slechte toestand opgenomen. Er was bij klinisch onderzoek sprake van multipele

letsels aan het lichaam waaronder een levensbedreigende scheur in de

linkerleverkwab met bloedverlies in de buikholte en ernstige schedelhersenletsels.

Tijdens het onderzoek in het ziekenhuis kwam de foetus in de baarmoeder te

overlijden. Ze werd meteen geopereerd waarbij het gescheurde deel van de lever

succesvol werd verwijderd. Om het leven van de moeder te redden werd de

overleden foetus in dezelfde operatiesessie met een keizersnede uit de baarmoeder

verwijderd. Al deze ingrepen ten spijt bleek ze hersendood als gevolg van

verwikkelingen van het bloedverlies, weefselschade en de opgelopen letsels.

In verband met de in fauste prognose en in overleg met de nabestaanden werd de

behandeling gestaakt en kwam ze te overlijden. Er werd sectie verzocht om de

doodsoorzaak te onderzoeken.

(…)

Bij sectie werden, als gevolg van bij leven opgelopen herhaaldelijk inwerkend

uitwendig stomp botsend over vrijwel het gehele lichaamsoppervlak, vele letsels

waargenomen, onderhuidse bloeduitstortingen en huidkneuzingen. Er was veel

begeleidende zwelling van de onderhuidse weke delen. Het wondaspect en de

resultaten van het wonddateringsonderzoek van enkele letsels suggereren recent,

vlak vóór opname, opgelopen letsels.

Er waren letsels aan het hoofd en het gezicht, aan de hals, aan de romp (borst en

buik) en aan de ledematen.

Als gevolg van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend

geweld tegen het hoofd en het gezicht waren er bloeduitstortingen in de huid en

weke delen maar ook bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies (subduraal) en

in de zachte hersenvliezen (subarachnoïdaal) ontstaan. Bij neuropathologisch

onderzoek waren er in zowel de grote als de kleine hersenen posttraumatische

letsels. Er was hersenzwelling met inklemming met als gevolg functieverlies van de

hersenen en het intreden van de dood.

Als gevolg van meermalen bij leven opgelopen zeer heftig uitwendig inwerkend

stomp botsend geweld op de rug waren er bloeduitstortingen in de weke delen van

de rug met veel bloedverlies in de onderhuidse weke delen met, naar later bleek,

breuk van meerdere dwarsuitsteeksels van de wervelkolom laag aan de rug (1ste

t/m 3 lendewervel). Als gevolg van vermoedelijk één of meermalen heftig voor

achterwaarts ingewerkt stomp botsend geweld op de bovenbuik waren

leverkneuzingen met verscheuringen (rupturen) en massaal bloedverlies in de

buikholte ontstaan, welke chirurgisch waren behandeld. Bij sectie werden in de romp

kneuzingen met bloedingen in de restlever, kneuzing van de alvleesklier, kneuzing in

het middenrif en in het hartspierweefsel gevonden. Als gevolg van de traumatische

beschadigingen was er weefselversterf van lever- en hartweefsel. Er was bij sectie

geassocieerd bloedverlies in de buikholte en er waren bloedarme, bleke inwendige

organen.

De letsels in de bovenbuik kunnen in combinatie met de letsels aan de rug zijn

ontstaan, de sectiebevindingen geven daarover geen uitsluitsel.

Als mechanisme voor het ontstaan moeten slaan, al dan niet met één voorwerp/

meerdere voorwerpen, schoppen, stompen, hardhandig vastpakken (armen), heftige

vóór- en achterwaartse compressie van de bovenbuik en/of in combinatie met heftig

stomp botsend geweld op de rug worden overwogen.

Er waren, als gevolg van bij leven opgelopen omsnoerend en/of samendrukkend

geweld op de hals, huidletsels beiderzijds, onderhuidse bloeduitstortingen in de hals

en in de mondbodem beiderzijds met een begeleidend huidletsel rechts langs de

onderkaak. Er waren breuken van de bovenste hoorntjes van het strottenhoofd, en

naar later bleek was er ook een breuk van het tongbeen. In tegenstelling tot de

overwegingen in mijn voorlopige sectiebevindingen lijkt het mij na het aanvullende

radiologische en microscopische onderzoek van het strottenhoofd waarschijnlijker

dat deze letsels het gevolg zijn geweest van niet medische geweldsinwerkingen op

de hals en mondbodem, zoals manuele strangulatie, dan dat ze zijn opgeleverd door

levensreddende medische handelingen zoals het inbrengen van een beademingsbuis

(‘intuberen’). Het geweld op de hals heeft door het optreden van

verstikkingsverschijnselen aan het ontstaan van zuurstofgebrek en daarmee aan het

initieel onwel worden van [slachtoffer] bijgedragen.

Gezien de lokalisatie en de verspreiding van de letsels over het lichaamsoppervlak

en de daarbij opgetreden inwendige schade is het niet waarschijnlijk dat [slachtoffer]

zichzelf de letsels heeft toegebracht. Ze passen bij geweld dat door derden

aan (het lichaam van) [slachtoffer] is toegebracht. De letsels aan de armen en

handen kunnen passen bij afweerletsels.

De leverkneuzingen en -scheuren hebben tot massaal bloedverlies aanleiding

gegeven, waardoor het intra uterien overlijden van de foetus zonder meer kan

worden verklaard. Het overlijden van de moeder, [slachtoffer] , wordt verklaard als

gevolg van functieverlies van de hersenen door traumatische

schedelhersenafwijkingen en algehele weefselschade door het opgelopen

zuurstofgebrek. Traumatische orgaanschade met weefselversterf van de lever en

van het hart als direct gevolg van de opgelopen letsels heeft aan het intreden van

de dood substantieel bijgedragen.

Er waren, als gevolg van niet nader te specificeren en in het recente verleden

meermalen toegepaste uitwendig inwerkende mechanische en/of mogelijk etsende

en/of mogelijk thermische geweldsinwerkingen verspreid over de strekzijde van de

schouders, de rug, de bovenarmen en de enkels en voeten, deels genezen

huidverzweringen (ulcera) met een korstje en gepigmenteerde en pigmentarme

witte onregelmatige littekens. Hoe oud deze huidletsels/littekens exact zijn is niet

aan te geven, ze zijn in ieder geval ouder dan enkele dagen. Op grond van het

wondaspect/wonddateringsonderzoek is het niet mogelijk een volgorde in het

ontstaan van de huidletsels/littekens aan te geven.

Er waren bij sectie geen aanwijzingen voor vooraf bestaande ziekelijke

orgaanafwijkingen van betekenis.

Conclusie

Het overlijden van [slachtoffer] , 22 jaar oud geworden, kan zonder meer worden verklaard als gevolg van verwikkelingen van herhaaldelijk, bij leven opgelopen, heftig botsend uitwendig inwerkend geweld op het lichaam. (…)

8.

Het door A. Maes, arts en patholoog, opgemaakte rapport “Aanvullende vragen inzake NEI 2016.07.22.140, S2016463 slachtoffer [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1993”, van 4 november 2016, pagina 1178-1182, onder meer inhoudende:

(…) 1.Welk letsel is verantwoordelijk voor het intreden van de dood bij het

slachtoffer?

• Is dat de leverscheuring, met de hartkneuzing en de alvleesklierkneuzing

• Of is dat het hersenletsel

• Of is het een combinatie van beide trauma’s

Antwoord: Na afronden van het sectieverslag is gebleken dat het overlijden is te

verklaren als gevolg van een combinatie van geweldsinwerkingen met direct

daaraan gerelateerde ernstige letsels aan de lever, het hart, de alvleesklier en de

hersenen van [slachtoffer] . (…)

2. Zijn deze letsels afzonderlijk van elkaar potentieel dodelijk?

Antwoord: Ja.

1e Kneuzing met verscheuring van de lever en massaal bloedverlies verklaart het

overlijden door algehele weefselschade.

2e Kneuzing van de hartspier met weeftelversterf kan het overlijden verklaren door

functieverlies van het hart.

3e De schedelhersenletsels; bloedingen onder het harde hersenvlies, bloedingen in

de zachte hersenvliezen, kneuzingen in de grote en kleine hersenen, hersenzwelling

en inklemmingsverschijnselen verklaren het overlijden zondermeer door

functieverlies van de hersenen.

Opmerking: De bij sectie aangetroffen letsels door omsnoerend geweld op de hals

en mondbodem kunnen aanleiding geven tot verstikkingsverschijnselen met

ontstaan van acuut zuurstofgebrek en algehele weefselschade met het overlijden tot

gevolg. (…)

6. Past dit buikletsel bij een val in de badkamer? In de betreffende badkamer staan

uitsluitend een wastafel en een toiletpot.

Antwoord: De aangetroffen letsels, ook de letsels aan de bovenbuik, passen niet bij

een val/vallen omdat de door trauma beschadigde organen en weefsels zoals het

hart, het middenrif en de lever goed beschermd liggen achter de buikspieren, het

borstbeen en de ribbenboog. (…)

9. Kan dit letsel door iemand zelf zijn toegebracht?

Antwoord: neen (…).

10. Hoe lang heeft het slachtoffer met dit specifieke letsel kunnen leven?

Na hoeveel tijdsverloop treedt de dood in met dit letsel?

Antwoord: Het is niet mogelijk om exact aan te geven hoe lang iemand na het

oplopen van deze letsels, onbehandeld, nog zou hebben geleefd. Het is

waarschijnlijker dat het overlijden zonder adequate acute medische hulp binnen

hooguit een half uur zou hebben plaats gevonden dan dat het overlijden vele uren

zou hebben geduurd.

Hersentrauma:

11. Is het hersenletsel in één actie ontstaan of bij meerdere acties?

Antwoord: De schedelhersenletsels zijn het gevolg van meermalen uitwendig

inwerkend botsend geweld op het hoofd en het gezicht.

(…)

15. Kan dit letsel door iemand zelf zijn toegebracht?

Antwoord: nee (…).

Gorgelende ademhaling slachtoffer:

19. Een getuige hoorde het slachtoffer gorgelend ademen. Door een

ambulancebroeder werd een rochelend geluid bij het slachtoffer gehoord. Past het

gorgelend /rochelend geluid bij het hersenletsel of kan het ook passen bij het

inwendige buikletsel van het slachtoffer.

Antwoord: Het rochelende geluid bij de ademhaling was vermoedelijk een teken van

ingetreden bewustzijnsdaling.

(…)

Ten aanzien van de letsels aan de hals,

24. Hoe kunnen de stipvormige bloeduitstortingen in de oogslijmvliezen worden

verklaard. Heeft dit een relatie met de breuken van de bovenste hoorntjes van het

strottenhoofd.

Antwoord: Afvloedbelemmering van het bloed uit het hoofd als gevolg van

omsnoerend geweld op de hals kan een oorzaak zijn voor het ontstaan van

stipvormige bloeduitstortingen in de slijmvliezen van de ogen en van de mondholte.

Dergelijk omsnoerend geweld kan tevens de breuken van de bovenste hoorntjes van

het strottenhoofd en de breuk van het tongbeen verklaren. (…)

Verwondingen op de rug met bloeduitstortingen in de weke delen.

26. Op de rug van het slachtoffer werden verschillende soorten letsels waargenomen

met onderhuidse bloedingen.

Kan dit letsel door iemand zelf zijn toegebracht?

Antwoord: Nee, het is veel waarschijnlijker dat de letsels op de rug i.c.m. de

gebroken lendewervels zijn ontstaan door geweld door derden op het lichaam van

[slachtoffer] toegepast dan dat zij zichzelf deze letsels heeft toegebracht. (…)

9.

Het door D. Botter, forensisch arts, opgemaakte rapport “Onderzoek naar de oorzaak van letsels d.d. 24 juli 2016 bevonden bij gerechtelijke sectie op het lichaam van mevrouw [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1993, overleden 22 juli 2016; beantwoording aanvullende vragen”, van 21 juni 2017, ongenummerd, onder meer inhoudende:

(…) De geconstateerde hoofd/hersenletsels waren:

  • -

    sterke zwelling van weke delen door bloeduitstortingen aan het behaarde
    hoofd, de linker zijde van het hoofd en het gelaat,

  • -

    bloeduitstortingen in beide slaapspieren,

  • -

    bloed onder het harde hersenvlies beiderzijds, en

  • -

    kneuzing in de linker helft van de kleine hersenen.

De letsels van de huid, de onderhuidse weke delen en de bloeduitstortingen in de

slaapspieren zijn het gevolg van meerdere uitwendige inwerkingen van hevig stomp

en kantig botsend mechanisch geweld in meerdere tempi, zoals door slaan,

stompen, schoppen, vallen of (zich) stoten. Deze laten zich niet verklaren door een

val: door een val zouden hooguit 1 of 2 oppervlakkige kneuzingen van huid en

onderhuidse weke delen veroorzaakt kunnen worden.

Bloedingen onder het harde hersenvlies (zogenaamde subdurale bloedingen)

beiderzijds.

Het betreft bloeduitstortingen tussen het harde hersenvlies en het zachte

hersenvlies (…).

Voor het veroorzaken van een traumatische bloeding onder het harde hersenvlies is

een aanzienlijke hoeveelheid kracht vereist (uitgaande van een normale anatomie

en afwezigheid van pre-existente pathologie). Uit onderzoek is gebleken dat in 72%

van de gevallen sprake was van een val met snelheid, bijvoorbeeld val van hoogte;

24% was het gevolg van geweldpleging met vergelijkbare krachten.

Geconcludeerd kan worden dat een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies zich

niet laat verklaren als gevolg van een val zonder snelheid, zoals in een kleine

wc/doucheruimte.

Kneuzing in de kleine hersenen is het resultaat van substantieel geweld tegen het

achterhoofd, aangezien de nekspieren, het massieve achterhoofdsbeen, het gladde

inwendige schedeloppervlak, de elastische membraan tussen grote en kleine

hersenen en de omringende vloeistof een grote buffer vormen, die in belangrijke

mate energie richting de kleine hersenen absorberen. In vergelijking met de grote

hersenen, liggen de kleine hersenen (nog) beter beschermd tegen

geweldsinwerkingen. Bloeding in de kleine hersenen door trauma impliceren

derhalve een zeer krachtige geweldsinwerking tegen het hoofd.

Bloedingen in de achterste schedelholte, om de kleine hersenen, zijn vooral

gevaarlijk vanwege de geringe ruimtetolerantie, waardoor snel

hersenstamcompressie kan optreden met dientengevolge ademhalingsdepressie en

hartritmestoornissen.

Geconcludeerd kan worden dat een kneuzing van de kleine hersenen zich niet laat

verklaren door een val zonder snelheid, zoals in een kleine wc/doucheruimte.

De geconstateerde buikletsels waren:

- verscheuring van de lever,

- kneuzingen en bloeduitstortingen in de rechter leverkwab, en

- bloeduitstorting in darmophangband, alvleesklier, dikke- en dunne darm.

De lever is een solide orgaan, tegen het middenrif gelegen in de bovenbuik aan de

rechter zijde, aan de voor- en zijkant grotendeels afgedekt door de borstkas onder

het niveau van de 5e rib (…).

Leverruptuur is een vaak voorkomend letsel bij krachtig buiktrauma zoals

bijvoorbeeld door verkeersongevallen (autobestuurder: impact stuur; bijrijder:

impact dashboard, aanrijding voetganger: primair door botsing tegen een voertuig

of secundair door een val tegen de ondergrond), val van grote hoogte of inklemming

tussen twee voertuigen. Rupturen blijken ook het gevolg te kunnen zijn van

krachtige uitwendige hartmassage.

Organen die midden in de buik zijn gelegen (zoals de linker leverkwab) zullen

bij frontale impact eerder gecomprimeerd worden tegen de wervelkolom dan meer

zijwaarts gelegen organen. De organen in de bovenbuik (waaronder de lever)

worden daarbij enigszins beschermd door de borstkas. De lever zal vaker letsel

oplopen bij impact komend van rechts dan bij impact komend van links; daarbij

kunnen centrale weefseldefecten optreden terwijl omringend weefsel intact kan

blijken. (…)

Letsel met verscheuring van de lever is één van de meest levensbedreigende

vormen van buiktrauma. Verscheuring kan optreden door samendrukkende stompe

geweldsinwerking of door perforatie door ribbreuk(en). Het overgrote deel van

stompe geweldsinwerkingen dat lever en/of miltletsel veroorzaakt treedt op in het

kader van verkeersongevallen bi] automobilisten (ook o.a. als letsel bij compressie

van de buik door de veiligheidsgordel).

Stompe geweldsinwerkingen kunnen letsel aan de lever veroorzaken door o.a.:

- compressie van de lever tegen de wervelkolom of de achterste buikwand,

- abnormale beweging ten opzichte van de rest van het lichaam zoals bij snelle deceleratie (waarbij letsels ontstaan bij de ophanging van het orgaan),

- breuk van ribben met dientengevolge perforatie van de lever.

Bij grotere verscheuringen van leverweefsel treedt de dood meestal in door

verbloeding. Nadelig aspect hierbij is dat leveraders zich bevinden in rigide kanalen

binnen het leverweefsel, waardoor zij niet tot samentrekking in staat zijn;

bovendien bevinden zich in deze vaatjes geen kleppen. Dientengevolge bestaat een

intrinsiek onvermogen om bloedingen te doen stoppen.

Indien dit letsel optreedt in het kader van stomp buiktrauma, dan is hiervoor bij een

tevoren gezond slachtoffer een zeer krachtige geweldsinwerking vereist is. Meestal

betreft het verkeersongevallen, val van grote hoogte of bijvoorbeeld inklemming

tussen twee voertuigen.

Geconcludeerd kan worden dat verscheuring van de lever het resultaat is van zeer

krachtige geweldsinwerking tegen de voorzijde van de bovenbuik, vergelijkbaar met

de impact die een automobilist (of passagier) kan ondergaan bij een

hoogenergetisch verkeersongeval. De kneuzingen van lever, alvleesklier, middenrif

en hart zijn dusdanig dicht bijeen gelegen dat het mogelijk moet worden geacht dat

deze letsels het gevolg zijn van één zeer heftige geweldsinwerking tegen de

bovenbuik; meerdere geweldsinwerkingen ter plaatse zijn uiteraard ook verklarend

voor dit complex aan letsels.

(…)

Vraag 7, met betrekking tot het vastgestelde buikletsel:

Kan in de veronderstelde badkamer een dergelijke val hebben plaatsgevonden

waarbij dit specifieke buikletsel is veroorzaakt?

Zie het antwoord op vraag 6, geformuleerd door Ann Maes.

Nee, de vastgestelde buikletsels kunnen niet veroorzaakt zijn door een val in de

badkamer. De oorzaak van de letsels aan lever, alvleesklier (middenrif en hart) is

gelokaliseerde inwerking van zeer krachtig geweld, zoals bijvoorbeeld door zeer

krachtig slaan (al dan niet met een voorwerp), stompen of schoppen. Zelfstandige

val tegen een uitstekend stomp voorwerp kan genoemde letsels geenszins

verklaren. Bovendien worden in betreffende ruimte geen stompe uitstekende

voorwerpen gezien waarmee/waardoor een dergelijke gelokaliseerde

geweldsinwerking zou kunnen optreden.

Wat voor impact (vergelijkbare kracht) moet hieraan ten grondslag liggen?

De vastgestelde letsels zijn normaliter het gevolg van krachten die vergelijkbaar zijn

met de impact die een automobilist (of passagier) kan ondergaan bij een

hoogenergetisch verkeersongeval.

Vraag 12, met betrekking tot het vastgestelde hersenletsel:

Past dit letsel bij een val in de badkamer?

Nee, de vastgestelde hersenletsels passen geenszins bij een doorgemaakte val in

een badkamer (…). Niet alleen de

letsels binnen de schedel, maar ook de letsels aan huid en onderhuidse weke delen

kunnen qua verdeling en de benodigde hoeveelheid krachtsinwerking om dergelijke

letsels te bewerkstelligen, niet uitsluitend door een val zijn veroorzaakt. Er zal

sprake geweest zijn van meermalen zeer hevig botsend geweld tegen het hoofd.

Door een val zouden hooguit 1 of 2 oppervlakkige kneuzingen van huid en

onderhuidse weke delen verklaard kunnen worden.

Vraag 13, met betrekking tot het vastgestelde hersenletsel:

Kan in de veronderstelde badkamer een dergelijke val hebben plaatsgevonden,

waarbij dit specifieke hersenletsel is veroorzaakt?

Zie de beantwoording van vraag 12.

(…)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district IJsselland, recherche IJsselland Zuid met nummer PL0600-2016361587 (Onderzoek Koelie). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent, van 24 juli 2016, pag. 272.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [ambulancemedewerker 1] , van 23 juli 2016, pag. 381.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [ambulancemedewerker 2] , van 23 juli 2016, pag. 365.

5 Letselrapportage opgemaakt door G. van Essen, forensisch arts, op 21 juli 2017, pag. 941-943.

6 Proces-verbaal lijkschouwing overledene, opgemaakt door E.L. Boon, Forensisch expert, en C.H. Grafhorst, brigadier, van 6 augustus 2016, pag. 979.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, van 22 juli 2016, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent, en M. Oosterbroek, hoofdagent, pag. 89.