Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2803

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
204027 KG ZA 17-217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering betaling geldsom toegewezen. Vaststellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0897
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 204027 KG ZA 17-217

Uitspraak : 14 juli 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. A.J.C. van Gurp te Hengelo,

tegen

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V. ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. D.A. Witberg te Eindhoven.

De procedure

- De eisende partij heeft gesteld en gevorderd als staat vermeld in de dagvaarding met producties van 5 april 2017, voor de kantonrechter te Enschede.

- Op 13 april 2017 heeft de mondelinge behandeling bij de kantonrechter te Enschede plaatsgevonden. [gedaagde] heeft daar verweer gevoerd aan de hand van producties en een pleitnota. Bij vonnis van de kantonrechter van 13 juni 2017, hersteld bij vonnis van 15 juni 2017, is de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de voorzieningenrechter van deze rechtbank.

- Op 7 juli 2017 heeft voorts de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter (locatie Almelo) plaatsgevonden. [eiser] heeft zijn standpunt doen toelichten door zijn advocaat, die zich daarbij heeft bediend van een pleitnota en [gedaagde] heeft tegen de vordering verweer gevoerd, waartoe haar advocaat zich eveneens heeft bediend van een (de eerdere pleitnota van 13 april 2017 aanvullende) pleitnota.

Het vonnis is bepaald op heden.

De feiten, het geschil en de motivering van de beslissing

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist en op grond van de inhoud van overgelegde bescheiden, voor zover niet bestreden, staat het volgende tussen partijen vast.

- [eiser] is per 14 maart 2013 benoemd in de functie van statutair directeur van [gedaagde] , met als titel Algemeen directeur.

- In januari 2015 heeft [eiser] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met [gedaagde] ondertekend. De arbeidsovereenkomst vermeldt een bruto jaarsalaris voor [eiser] van € 140.000,00 inclusief vakantiegeld.

Verder bevat de arbeidsovereenkomst onder meer bepalingen over een resultaat afhankelijke beloning (RAB) met Claw Back clausule en in artikel 12 is opgenomen:

Beëindiging dienstverband, opzegtermijn en schadeloosstelling

Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst –door de BV of door Bestuurder – zal de wettelijke opzegtermijn in acht worden genomen (artikel 7: 672 Burgerlijk Wetboek).

Opzegging dient schriftelijk te geschieden tegen het einde van de maand.

Indien zijdens de BV de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd zal aan Bestuurder een schadeloosstelling worden betaald, behoudens in het geval van ernstig verwijtbare handelingen van Bestuurder, ten belope van één (1) jaarsalaris inclusief vakantiegeld en verder zonder vergoedingen en emolumenten. Deze schadeloosstelling zal dan door de BV worden betaald op de datum van de beëindiging van de dienstbetrekking, onder aftrek van de wettelijk voorgeschreven inhoudingen.

- Na overleg over de financiële situatie van [gedaagde] hebben partijen in december 2016 een beëindigingsovereenkomst gesloten. De beëindigingsovereenkomst vermeldt onder meer in artikel 1:

Lid 1: Einddatum:

De tussen Partijen bestaande arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden per 1 februari 2017.

Lid 2:Vergoeding

Werkgever zal aan Werknemer –indien hij de overeenkomst tijdig getekend heeft ingeleverd bij Werkgever en aan de overige voorwaarden als bedoeld in deze overeenkomst voldoet- een vergoedingsbedrag uitkeren ter hoogte van € 140.000, bruto (hierna te noemen: “de Vergoeding”), te betalen binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst.

en in artikel 11:

Lid 1

Deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek.

Lid 4

Deze overeenkomst vormt de volledige weergave van alle tussen Partijen gemaakte afspraken met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen Partijen.

Ter zake van alle aangelegenheden die de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan betreffen, verklaren Partijen over en weer geen andere aanspraken tegenover elkaar te hebben en geldend te zullen maken dan volgt uit het in deze vaststellingsovereenkomst bepaalde.

Lid 5

Partijen verlenen elkaar, na effectuering van hetgeen in deze overeenkomst is bepaald, over en weer finale kwijting ter zake alle aangelegenheden voor nu en in de toekomst die de arbeidsovereenkomst (waaronder doch niet beperkt tot eventuele vorderingen uit hoofde van artikel 7: 611 en/of 7:658 van het Burgerlijk Wetboek) en/of de beëindiging daarvan betreffen en verklaren niets meer van elkaar te vorderen te hebben.

Volgens art. 1 lid 2 van de beëindigingsovereenkomst diende [gedaagde] de vergoeding van € 140.000,00 bruto te betalen uiterlijk 28 februari 2017. Tot op heden is [gedaagde] (ondanks aanmaning) niet overgegaan tot betaling van deze vergoeding.

2. [eiser] vordert in dit kort geding:

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de vergoeding van

€ 140.000,00 bruto;

- [gedaagde] te veroordelen [eiser] hiervan een salarisspecificatie te verstrekken, op straffe van een dwangsom;

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten ad € 2.175,00 ex btw;

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de hierboven vermelde bedragen;

- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, met rente en nakosten.

3. [eiser] heeft hiertoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Anders dan [gedaagde] stelt is er van spoedeisend belang zeker sprake. [eiser] heeft in februari 2017 geen inkomen gehad en de WW werkt met een maximum dagloon: het inkomen van [eiser] is aanzienlijk gedaald. [eiser] en diens gezin verkeren thans in een financieel penibele situatie. [eiser] vordert nakoming van de door partijen gesloten beëindigingsovereenkomst, in het bijzonder de overeengekomen beëindigingsvergoeding van € 140.000,00 zoals vermeld in artikel 1 lid 2 van de overeenkomst. Het verweer van [gedaagde] moet worden verworpen; geen van de redenen om niet tot betaling over te gaan zijn valide.

4. [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

[gedaagde] heeft kort samengevat aangevoerd:

- dat er geen sprake is van een spoedeisend belang;

- dat er geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen;

- dat [eiser] [gedaagde] een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot de financiële situatie van [gedaagde] ;

- dat [eiser] heeft gehandeld in strijd met de integriteitsregels binnen [gedaagde] .

Op het verweer zal hierna nader worden ingegaan.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het vereiste spoedeisend belang in deze zaak, gelet op de aard van de vordering (schadeloosstelling/vergoeding voor ontslag/aanvulling op lager inkomen na ontslag) en het daaromtrent door [eiser] gestelde, aanwezig is.

6. De door [eiser] gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan aanleiding, indien het bestaan (en de omvang) van de vordering in hoge mate aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

7. [gedaagde] heeft ter zitting haar verweer dat de vaststellingsovereenkomst van 16 december 2016 niet rechtsgeldig is, omdat [gedaagde] Groep BV niet bevoegd was te tekenen, ingetrokken. Ook [gedaagde] gaat inmiddels uit van een geldige vaststellingsovereenkomst. Daarmee staat vast dat [gedaagde] de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen beëindigingsvergoeding van € 140.000 bruto aan [eiser] is verschuldigd. Na die vaststelling gelden er geen strenge eisen meer wat betreft het restitutierisico, de vordering staat immers vast. Op dat punt weegt het belang van [eiser] zwaarder dan het belang van [gedaagde] .

8. Het verweer van [gedaagde] , dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de beëindigingsvergoeding van € 140.000 niet verschuldigd is bij ernstig verwijtbaar handelen, en dat van dergelijk handelen sprake is geweest, miskent dat de vordering is gebaseerd op de vaststellingsovereenkomst en niet op de arbeidsovereenkomst. De stelling van [gedaagde] dat zij in een nog te starten bodemprocedure onder andere op grond van gestelde integriteitsschendingen zal vorderen dat de beëindigingsvergoeding ongedaan zal worden gemaakt, dat de aan [eiser] betaalde RAB (resultaat afhankelijke beloning) zal worden teruggevorderd en dat een niet nader onderbouwd bedrag van € 11.900 zal worden teruggevorderd, staat toewijzing van de huidige vordering van [eiser] niet in de weg. Die vorderingen van [gedaagde] zijn gemotiveerd weersproken, staan niet vast en [gedaagde] heeft aan die gepretendeerde vorderingen overigens ook geen juridische consequenties verbonden, anders dan dat zij om die reden meent niet te hoeven betalen..

9. De vordering van [eiser] zal derhalve -bij wijze van voorschot- worden toegewezen.

10. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen. Na de betwisting ter zake door [gedaagde] heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

11. De vordering aan [eiser] te verstrekken de specificatie, waarin de betaling van de vergoeding van € 140.000 is verwerkt, op straffe van een dwangsom, zal worden afgewezen ten aanzien van de dwangsom. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een dwangsom op dit punt nu niet valt aan te nemen dat [gedaagde] zonder een dergelijke prikkel niet aan dit vonnis zal voldoen.

12. [gedaagde] dient, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten aan de zijde van [eiser] te dragen.

De gevorderde nakosten worden toegewezen als volgt.

De beslissing in kort geding

Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de overeengekomen vergoeding van € 140.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover, vanaf 28 februari 2017 tot de dag waarop dit bedrag is voldaan.

Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te verstrekken een bruto/nettospecificatie betreffende het uit te betalen bedrag van € 140.000,00 (bruto).

Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.545,- griffierecht, € 103,10 dagvaardingskosten en € 816,- salaris advocaat. Begroot de nakosten op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en op

14 juli 2017 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.