Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2801

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
202859 KG ZA 17-185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Retentierecht jegens derden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 202859 KG ZA 17-185

Vonnis in kort geding in conventie en in reconventie van 30 juni 2017

in de zaak van

[eiseres]
wonende te [woonplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,

mr. H. Scheper, advocaat te Almelo,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

mr. S. Erkel, advocaat te Enschede.

1 De procedure

1.1

Namens [eiseres] is op 8 juni 2017 een dagvaarding betekend, waarbij [eiseres] een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening en [gedaagde] heeft opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.

1.2

Gedaagde heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijk een vordering in reconventie

Ingediend.

1.3

De vorderingen zijn behandeld ter zitting van 16 juni 2017.

[eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Ook [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

1.4

[eiseres] heeft haar vordering laten toelichten door haar advocaat en heeft verweer gevoerd tegen de vordering in reconventie. De advocaat van [gedaagde] heeft tegen de vordering in conventie verweer gevoerd en de eis in reconventie toegelicht.

De griffier heeft van hetgeen ter zitting is besproken aantekeningen gemaakt.

1.5

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

in conventie

2.1

De vordering

[eiseres] vordert - samengevat –

I om [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de kunstwerken van [eiseres] aan haar te retourneren ten kantore van haar advocaat;

II om [eiseres] te machtigen om, indien [gedaagde] niet voldoet aan de onder I genoemde verplichting, de revindicatie zelf te bewerkstellingen door een deurwaarder dan wel met de sterke arm van politie en justitie, alles voor rekening en risico van [gedaagde] ;

III op straffe van een dwangsom van € 3.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] niet voldoet aan de onder I genoemde verplichting, te maximeren op € 50.000,00;

IV [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 475,00 voor buitengerechtelijke kosten;

V [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder nakosten.

[eiseres] stelt daartoe het volgende. [eiseres] heeft in 2016 met de heer [A] (hierna te noemen: [A] ) afspraken gemaakt over het tentoonstellen van door [eiseres] vervaardigde fotokunstwerken in een door [A] geëxploiteerde galerie. [A] en [gedaagde] hebben een huurovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] vanaf augustus 2016 het pand aan [het adres] heeft verhuurd aan [A] . [A] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat de hoogte van de huur afhankelijk zou zijn van de uit de galerie van [A] verkochte kunstwerken van [eiseres] . [eiseres] is geen partij bij de huurovereenkomst.

Tussen [eiseres] , [A] en [gedaagde] is na de aanvang van de huurovereenkomst onenigheid ontstaan. Er zijn vanuit de galerie geen fotokunstwerken verkocht, wel is een aantal door [eiseres] vervaardigde of bewerkte borden verkocht.

Per e-mail van 7 januari 2017 heeft [gedaagde] de huurovereenkomst aan [A] opgezegd, nadat hij op of omstreeks 1 januari 2017 de sloten van het pand heeft laten vervangen.

In het pand [het adres] bevindt zich tot heden een zestal in de dagvaarding met naam genoemde fotokunstwerken van [eiseres] , met een waarde van € 3.500,00 per stuk. [gedaagde] houdt deze kunstwerken onder zich, de ene keer stellend dat deze zijn eigendom zijn, de andere keer dat hij ze als garantie houdt totdat alle openstaande posten uit de huurovereenkomst zijn voldaan. [eiseres] heeft belang bij spoedige teruggave van de kunstwerken omdat zij daarvoor een koper heeft.

Partijen hadden voorafgaand aan de zitting een regeling getroffen, waarbij [eiseres] € 1.000,00 aan [gedaagde] zou betalen en hij de fotokunstwerken zou afgeven. Op het afgesproken uur gedroeg [gedaagde] zich echter ongepast en gaf hij [eiseres] een duw, waardoor zij ten val kwam. [gedaagde] had alle spullen uit de galerie buiten gezet en weigerde [eiseres] toestemming om zelf in de galerie de ontbrekende borden te zoeken. Het kan niet anders dan dat [gedaagde] verantwoordelijk is voor het ontbreken van die borden. Onder die omstandigheden wilde [eiseres] de zaken niet afwikkelen; zij geeft de voorkeur aan een rechtelijke oordeel over de vraag of [gedaagde] de schilderijen onder zich mag houden.

In reactie op het verweer stelt [eiseres] dat de minnelijke regeling dus niet kon worden uitgevoerd door omstandigheden die zijn toe te rekenen aan [gedaagde] . De regeling was aangegaan onder de voorwaarde dat daarmee een terechtzitting werd voorkomen. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan kan [gedaagde] zich niet op de regeling beroepen.

2.2

het verweer

[gedaagde] concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vordering. De afspraken over de (huur van de) galerie zijn gemaakt tussen de drie betrokken partijen, maar [eiseres] heeft inderdaad niet de huurovereenkomst getekend. Voor het retentierecht is dat echter niet van belang, een retentierecht kan immers ook worden uitgeoefend tegen een derde en [eiseres] betwist niet dat [gedaagde] een vordering heeft, onder meer voor energiekosten en andere gemaakte kosten. [gedaagde] betwist dat hij de borden, die in de galerie te koop werden aangeboden, heeft meegenomen.

Partijen hebben voorafgaand aan de zitting onderhandeld over een oplossing, maar er ontstond onenigheid en [eiseres] weigerde de afgesproken betaling.

in reconventie

2.3

de vordering

[gedaagde] vordert dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling bij wijze van voorschot van

€ 1.000,00 aan [gedaagde] , te vermeerderen met rente, en in de kosten van de procedure, alsmede in de nakosten. Partijen zijn dat immers overeengekomen en [gedaagde] kan [eiseres] daaraan houden. De kwestie met de borden staat buiten de regeling. [eiseres] heeft door het sluiten van de minnelijke regeling erkend dat zij [gedaagde] (minstens) € 1.000,00 verschuldigd is. Zij weigerde echter de schilderijen mee te nemen en verkeert daarom in schuldeisersverzuim. Dat de regeling onder voorwaarde zou zijn gesloten blijkt nergens uit, het staat niet in de e-mailwisseling tussen partijen.

2.4

het verweer

De regeling is gesloten onder de voorwaarde dat door nakoming een rechtszitting zou worden voorkomen. Aan die voorwaarde is niet voldaan en de overeenkomst is dus ontbonden. De vordering ontbeert spoedeisend belang, en regelt niet het gehele geschil tussen partijen. Er is niets bepaald over de borden die volgens [eiseres] ontbreken.

3 De beoordeling

in conventie

3.1

Ten eerste zal worden besproken het verweer dat [gedaagde] de schilderijen niet terug mag houden omdat [eiseres] geen partij is bij de huurovereenkomst, op grond waarvan [gedaagde] betaling vordert van [A] . Dat verweer kan niet slagen. Daarbij wordt in de eerste plaats opgemerkt dat het retentierecht op grond van artikel 3:291 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek ook kan worden gebruikt tegen een derde.

Daarin is bepaald dat een schuldeiser (in dit geval [gedaagde] ) het retentierecht kan inroepen jegens derden met een ouder recht ( [eiseres] ), als zijn vordering voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan, of als hij geen reden had om aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen. De ratio van deze bepaling is dat er geen reden is om de retentor de bescherming van het retentierecht tegenover een ouder gerechtigde te onthouden wanneer het gaat om een vordering uit een overeenkomst die de schuldenaar jegens de derde bevoegd was te sluiten of ten aanzien waarvan de schuldeiser zich redelijkerwijs niet in die bevoegdheid hoefde te verdiepen, omdat de overeenkomst met een normale exploitatie van de zaak in overeenstemming was. In beginsel dient de derde met een ouder recht het retentierecht derhalve tegen zich te dulden, ongeacht overigens of de vordering waarvoor het retentierecht is ingeroepen al dan niet in verhouding staat tot de waarde van de teruggehouden zaak. Dat het retentierecht een ingrijpend middel is, staat buiten kijf. Het uitoefenen van het retentierecht kan immers zéér nadelige gevolgen hebben voor degene jegens wie het wordt uitgeoefend. Daarbij wordt opgemerkt dat [eiseres] weliswaar stelt dat zij de schilderijen op korte termijn nodig heeft omdat zij een koper gevonden heeft, maar dat zij deze stelling op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd of onderbouwd. Er is geen koopovereenkomst in het geding gebracht, noch enige correspondentie waaruit blijkt dat zij gehouden is de schilderijen op korte termijn te leveren.

De voorzieningenrechter constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat [A] bevoegd was de huurovereenkomst aan te gaan met [gedaagde] voor de galerie waarin de kunstwerken van [eiseres] ten toon werden gesteld; uit de stelling van partijen blijkt juist dat deze huurovereenkomst in samenspraak met [eiseres] is gesloten en deel uitmaakt van (gedeeltelijk mondeling gesloten) samenwerkingsafspraken tussen [eiseres] , [A] en [gedaagde] .

Dat [gedaagde] een vordering heeft op [A] wordt door [eiseres] niet betwist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook voldaan aan de voorwaarden van artikel 3:291, tweede lid, BW en kan [gedaagde] als eigenaar van de onroerende zaken het retentierecht inroepen tegen [eiseres] met betrekking tot de kunstwerken genoemd in de dagvaarding. Er is derhalve sprake van een aan [gedaagde] toekomend retentierecht, welk recht hij tegen [eiseres] kan inroepen. Van onrechtmatig handelen jegens [eiseres] aan de zijde van [gedaagde] is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. [gedaagde] heeft een gerechtvaardigd belang bij het door hem ingeroepen retentierecht. De vorderingen van [eiseres] die van het tegendeel uitgaan zijn dan ook niet voor toewijzing vatbaar.

in reconventie

3.2

Partijen hebben uiteenlopende stellingen over de inhoud van de regeling; [eiseres] stelt dat die was gesloten onder voorwaarde van het voorkomen van een rechtszitting, terwijl [gedaagde] stelt dat er een onvoorwaardelijke overeenkomst was gesloten. De onderhavige kort geding procedure leent zich niet voor nader onderzoek naar de inhoud van de overeenkomst, mede gezien het feit dat er geen getekende overeenkomst in het geding is gebracht. De voorzieningenrechter zal daarom de vordering in reconventie eveneens afwijzen.

proceskosten

3.3

Gezien de uitkomst van de procedure in conventie en in reconventie ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de kosten in conventie en in reconventie te compenseren, des dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

in conventie en in reconventie

4.1

wijst af de vorderingen;

4.2

compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven, en in het openbaar uitgesproken op

30 juni 2017.