Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2784

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
AK_17_530
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ne geen sprake is van een kenbare grondslag voor de verlaging van eisers afbouwtoelage, was verweerder niet bevoegd om deze vanwege de herwaardering van eisers functie te verminderen; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/530

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te Nieuwleusen, eiser,

gemachtigde: mr. P. Bots, te Utrecht,

en

de Minister van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser, naar aanleiding van een herwaardering van zijn functie, met ingang van 1 december 2015 ingedeeld in salarisschaal 11 van Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (hierna: BBRA) en heeft verweerder besloten om eisers afbouwtoelage inconveniënten met ingang van 1 december 2015 met hetzelfde bedrag naar beneden bij te stellen als eisers salaris toeneemt en zal toenemen als gevolg van de plaatsing in de hogere salarisschaal.

Bij besluit van 29 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bots. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.E. van Heerma van Voss en mr. D.J. Diederix.

Overwegingen

1.1

Tot 1 januari 2012 was eiser werkzaam bij de Algemene Inspectiedienst (AID). Een aantal onder verantwoordelijkheid van verweerder vallende ambtelijke diensten, waaronder de AID, is met ingang van 1 januari 2012 gefuseerd tot de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), die eveneens onder verantwoordelijkheid van verweerder valt. Met ingang van 1 januari 2012 is eiser werkzaam in de functie van ‘projectleider Inlichtingen- en Opsporingsdienst’.

1.2

Eisers functie bij de AID was gewaardeerd in salarisschaal 10 bij het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (hierna: BBRA). Hiernaast ontving eiser bij de AID een inconveniëntentoelage. Bij de overgang naar de NVWA was de inconveniëntentoelage komen te vervallen. Wel had eiser tot eind 2021 recht op een afbouwtoelage.

1.3

Vervolgens is eisers functie bij de NVWA beschreven en gewaardeerd in salarisschaal 11. Eiser is bij het primaire besluit geplaatst in salarisschaal 11, trede 8. Tevens is eisers afbouwtoelage met ingang van 1 december 2015 naar beneden bijgesteld, met hetzelfde bedrag als waarmee eisers salaris stijgt ten gevolge van de herwaardering van zijn functie. Verweerder heeft het primaire besluit gehandhaafd.

2. Het geschil is beperkt tot de vraag of verweerder eisers afbouwtoelage naar beneden heeft mogen bijstellen.

3.1

Met het oog op de fusie van verschillende diensten tot de NVWA is op 5 juli 2011 een overeenkomst gesloten tussen de betrokken overheidswerkgevers en de vakbonden. Verweerder acht zich gebonden aan deze overeenkomst.

3.2

In hoofdstuk B van de op 5 juli 2011 gesloten overeenkomst is een overgangsregeling neergelegd. Deze overgangsregeling heeft ondermeer betrekking op de aanspraken van voormalige ambtenaren van de AID die recht hadden op een inconveniëntentoelage. Op grond van het bepaalde in punt 1 van onderdeel B van de overeenkomst hebben medewerkers recht op een afbouwtoelage voor het verschil tussen de oude en de nieuwe bezoldiging. Op grond van het bepaalde in punt 2 van onderdeel B van de overeenkomst is de oude bezoldiging de som van het bruto salaris en de inconveniëntentoelage op 31 december 2011.

3.3

In punt 4 van onderdeel B van de overeenkomst van 5 juli 2011 is het volgende bepaald:

In geval van verhoging van het salaris van de medewerker anders dan door bevordering naar een hogere salarisschaal, wordt de oude bruto bezoldiging met hetzelfde bedrag verhoogd. Periodieken hebben geen negatief effect voor de medewerker op de hoogte van de afbouwtoelage.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat de op 5 juli 2011 gesloten overeenkomst moet worden uitgelegd conform de bedoeling van de bij deze overeenkomst betrokken partijen. Beslissend is welke betekenis de bij de overeenkomst betrokken partijen redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat partijen over een weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.2

De rechtbank stelt vast dat noch de bewoordingen van de op 5 juli 2011 gesloten overeenkomst, noch enig ander stuk, uitsluitsel biedt over hoe punt 4 van onderdeel B van deze overeenkomst moet worden uitgelegd in een situatie als deze, waarin de functie van een ambtenaar die een afbouwtoelage ontvangt in een hogere salarisschaal wordt ingedeeld. Kernvraag is hierbij of in het geval van herwaardering van een bestaande functie sprake is van ‘verhoging van het salaris van de medewerker anders dan door bevordering naar een hogere salarisschaal’. De redenering in onderdeel 17 van het advies van de Advies- en Arbitragecommissie Rijksdienst (hierna: AACR), waar verweerder zijn standpunt mede op heeft gebaseerd, volgt de rechtbank niet. Dat partijen bij de op 5 juli 2011 gesloten overeenkomst, naar de AACR meent, redelijkerwijs niet voor ogen kunnen hebben gehad dat sprake kan zijn cumulatie van salarisstijgingen als gevolg van een bevordering met de afbouwtoelage, vermag de rechtbank niet in te zien. De aanvullende werking van de redelijkheid gaat voor wat betreft de uitleg van deze overeenkomst niet zo ver, dat hiermee tot de door verweerder overgenomen uitleg van punt 4 van onderdeel B van deze overeenkomst kan worden gekomen. Daarbij komt dat noch eisers standpunt, noch verweerders standpunt, voor wat betreft de uitleg van de overeenkomst de rechtbank op voorhand als onredelijk voorkomt.

4.3

Nu de bewoordingen van de op 5 juli 2011 gesloten overeenkomst en de gebruikelijke methoden voor de interpretatie van een dergelijke overeenkomst niet ondubbelzinnig tot één bepaalde uitkomst leiden, dient naar het oordeel van de rechtbank als uitgangspunt te gelden dat deze onduidelijkheid niet voor risico van een individuele ambtenaar, die zelf geen partij was bij de totstandkoming van deze overeenkomst, behoort te komen. Onder deze omstandigheden dient punt 4 van onderdeel B van deze overeenkomst dan ook niet ten nadele van eiser te worden uitgelegd. Nu geen sprake is van een kenbare grondslag voor de verlaging van eisers afbouwtoelage, was verweerder niet bevoegd om deze vanwege de herwaardering van eisers functie te verminderen.

4.4

De bij het bestreden besluit gehandhaafde verlaging van eisers afbouwtoelage is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.

5. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te worden vernietigd.

6. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat het primaire besluit in zoverre wordt herroepen, dat eisers afbouwtoelage niet naar beneden wordt bijgesteld.

7.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,--.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, voor zover daarbij is bepaald dat eisers afbouwtoelage inconveniënten met ingang van 1 december 2015 met hetzelfde bedrag naar beneden wordt bijgesteld als eisers salaris toeneemt en zal toenemen als gevolg van de plaatsing in de hogere salarisschaal;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 990,--, te betalen aan eiser;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.